DE VIER JOODSE VASTENDAGEN 

(Zacharia 7:1-7, 8:19)


Inleiding

In dit artikel zullen wij het hebben over de Joodse vastendagen zoals die m.n. in Zacharia 7:1-14 worden genoemd en over enkele andere belangrijke vastendagen, met uitzondering van de Grote Verzoendag die in een aparte Bijlage behandeld wordt. 

“In het vierde jaar van koning Darius kwam het woord van de HEERE tot Zacharia, op de vierde van de negende maand, in de maand Kislev. Beth-El had Sar-Etser en Regem-Melech en zijn mannen gestuurd om het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen door met de priesters, die in het Huis van de HEERE van de legermachten waren, en met de profeten te spreken en (hun) te zeggen: “Moet ik in de vijfde maand wenen en mij afzonderen zoals ik dat al zoveel jaar gedaan heb?” 

Het woord van de HEERE van de legermachten kwam tot mij en het luidde:

“Spreek tot heel het volk van het land en tot de priesters en zeg: Toen jullie vastten en jullie je uit rouw op de borst sloegen, in de vijfde en in de zevende maand, en dit nu al zeventig jaar lang, vastten jullie toen werkelijk voor Mij? Toen jullie aten en toen jullie dronken, waren jullie het toen niet zelf die aten en waren jullie het niet zelf die dronken? Was het niet zo, dat het niet was om de woorden die de HEERE door de dienst van de vroegere profeten had verkondigd, toen Jeruzalem nog bewoond was en er rustig bij lag met de steden rondom haar en toen het Zuiderland en het Laagland ook nog bewoond waren?”  (Zacharia 7:1-7)


“Zo zegt de HEERE van de legermachten: Het vasten van de vierde en het vasten van de vijfde en het vasten van de zevende en het vasten van de tiende maand zal voor het huis van Juda tot vreugde worden en tot blijdschap. Het zullen aangename feesten zijn. Heb de waarheid en de vrede lief!” (Zacharia 8:19)


Wij kunnen uit bovenstaande Bijbelteksten afleiden dat de Israëlieten gedurende de ballingschap zich de gewoonte hadden eigen gemaakt om in deze maanden te vasten. Het waren vastendagen van ‘nationale rouw’ en niet zozeer van persoonlijk berouw. Dat laatste kwam daarentegen wel sterk naar voren op de Grote Verzoendag, die we in een artikel bespreken. We noemen en beschrijven nu de vier vastendag waarvan Zacharia spreekt:


(‹1›) in de 5e maand, op de 9e dag van de maand Av, de Tisja Be’Av  (‹תשעה באב), omdat op de 10e dag volgens Jer. 52:12,13 de stad en de eerste Tempel door brand werden verwoest in het 19e jaar van Nebukadnezar in 587 v. Chr., hoewel in 2 Kn. 25:8, 9 de 7e dag van de maand Av als datum wordt gegeven. De Talmoed brengt naar voren dat de brand op de 9e werd aangestoken en dat op de 10e heel de Tempel was verbrand. Men zou dus eigenlijk twee dagen moeten rouwen. 

De tweede Tempel werd door de Romeinen op dezelfde dag verwoest in 70 n. Chr. Later werden op deze dag ook andere rampen herdacht, maar dat was op de tweede plaats. De Tisja Be’Av is de enige dag van deze vastendagen waarop er 24 uur wordt gevast, net zoals op de Grote Verzoendag, Yom Kippoer, op de 10e van de 7e maand. Een overvloed van tradities is tegenwoordig met deze vastendag verbonden. De maand Ab valt vrijwel samen met de maand Augustus. 


Was de Tisja Be’Av oorspronkelijk alleen verbonden met de dag van de verwoesting de eerste Tempel, later zou op die dag om de volgende vijf gebeurtenissen gerouwd worden: 


(‹i›)

de beslissing van God om de vaderen niet het land Israël te laten binnengaan en dat allen in de woestijn zouden sterven (‹Num. 13 en 14›)


(‹ii›) 

de verwoesting van de eerste Tempel in de dagen van de Babylonische vorst Nebukadnezar


(‹iii›) 

de verwoesting van de tweede Tempel door de Romeinen onder leiding van Titus  in 70 n. Chr.


(‹iv›) 

de verovering van de stad Beitar, die weerstand had geboden aan de Romeinen in de tijd van de opstand van Bar-Kochba


(‹v›) 

de verwoesting van Jeruzalem dat tot op de grond toe werd omgeploegd, een gebeurtenis die door Rashi wordt uitgelegd aan de hand van Mi. 3:12 en Jer. 26:18, maar die anderen in verband brengen met Tumus Rufus (‹ofwel Turannius Rufus of T. Annius Rufuf: cf. Schttgen, Horae hebr. et talm. ii. 953ff., en Jost, Gesch. des Judentums, ii. 77›), die over de fundamenten van de Tempel zou hebben geploegd. 

Latere gebeurtenissen die op Tisja Be’Av herdacht worden, zijn onder meer:


(‹a›)

de eerste kruistocht rond 1099 (‹in de eerste maand van de kruistocht vonden 10.000 Joden de dood en deze eindigde rond Tisja Be’Av 1099 met een bloedbad in Jeruzalem


(‹b›) 

de uitwijzing van de Joden uit Engeland rond 1290 met de aansluitende pogroms en inbeslagname van boekrollen en bezittingen, 


(‹c›) 

de inquisitie dat Joden op het Iberisch schiereiland rond 1492 waarbij zij moeten het land moeten verlaten, wat opnieuw gepaard gaat met pogroms, 


(‹d›) 

het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914, waarbij tijdens en direct na de Eerste Wereldoorlog meer dan 400 pogroms plaatsvonden in Hongarije, Oekraïne, Polen en Rusland 


(‹e›) 

de deportaties vanuit het getto van Warschau naar het vernietigingskamp Treblinka in 1942. 


In orthodoxe kringen wordt tegenwoordig drie weken eerder al gerouwd, namelijk op de 17e van de Hebreeuwse maand Tammoez (‹bij benadering onze maand ‘juli’›), toen de muren van Jeruzalem voor het eerst werden doorbroken in het jaar 69 n. Chr. Volgens de Mishna Ta’anit iv. 6  zou Israël op de 17e Tammoez door vijf rampen zijn getroffen: 


(‹i›)

- het breken van twee stenen tafelen van de Wet die God aan Mozes had gegeven (‹Ex. 32›);


(‹ii›) 

- het stoppen van het dagelijks offer door de Romeinen. Het is sindsdien niet meer geofferd tot zeker 2022 (‹Jer. 52:6›)


(‹iii›) 

- de stadsmuren van Jeruzalem werden door de Romeinen doorbroken in het jaar 69 n. Chr.;


(‹iv›) 

- de Romeinse generaal Apostemos verbrandde in het openbaar een boekrol van de wet, de Thorah;


(‹v›) 

- Manasse plaatste op die dag een afgod in het Heiligdom, aldus 2 Kn. 21:1-10 en 2 Kr. 33:1-10. Hij deed dat als Joods koning. Later zou de Seleucidische vorst Antiochus Epifanus II dat ook doen, een wandaad waar Daniël 9:27 en Dan. 12:11 van spreken en waar Jezus Christus op teruggrijpt in Mt. 24:15


De periode van 17 Tammoez tot 9 Av wordt ‘De Drie Weken’, ‘Bein ha-Metzarim’ (‹בין המצרים›). De eerste verwijzing naar deze rouwperiode vinden wij in Eikhah Rabbathi 1.29 (Lamentations Rabbah, 4e eeuw), een commentaar uit de ‘midrasj’ over het boek Klaagliederen, ‘Eichah’. De uitdrukking ‘Bein ha-Metzarim’ komt uit Klaagliederen 1:3 waar wij over Jeruzalem lezen: ‘‘Zij zit neer onder de volken, zij vindt geen rust, al haar achtervolgers halen haar in temidden van haar benauwdheden”. De periode van de 17e Tammoez tot de 9e Av vertegenwoordigt dus de periode van Jeruzalems zitten tussen de benauwdheden. Rabbi Izak Tyrnau, eind 14e - begin 15e eeuw - geeft in zijn boek ‘Minhagim’ een verslag van de gewoonte onder Joden in Oostenrijk waarbij hij noemt dat men in die periode het haar niet liet knippen en men geen huwelijksfeesten hield. In de loop van de tijd zijn er tal van gewoonten aan toegevoegd o.a. de gewoonte om geen schone kleding meer aan te doen, sober eten, niet in bad of onder de douche e.a. De Askenazische Joden doen het weer wat anders dan de Sefardische Joden en zo zijn er tal van dingen waar mensen op menen te moeten letten in deze dagen.


Speciale ‘haftarot’, passages uit de Profeten, worden in de synagoge op elk van de drie sabbaten van deze periode in de synagoge gelezen. De passages uit Jesaja en Jeremia worden in het Aramees genoemd ‘De Drie van Benauwdheid’ (‹tlat de-pur’anuta›) en deze passages voorzeggen de val van Jeruzalem. Deze ‘haftarot’ weerspiegelen niet zoals gewoonlijk de dagelijks lezing uit de Thorah. In de Pesiqta de-Rav Kahana vinden we de eerste vaststelling van de 12 haftarot passages, met de drie van ‘Bein ha-Metzarim’  aan de kop, gevolgd door 7 passages tot aan Rosh Ha-Sjana, Nieuwjaar’, gevolgd door 2 passages voor de tien dagen tot de Grote Verzoendag. De drie passages voor ‘De Drie Weken van Benauwdheid’ zijn: 

1. ‘Divre Yirmeyahu’, de woorden van Jeremia (Jer. 1:1 - 2:3),

2. ‘Shim`u Devar Hashem’ - Luister naar het Woord van de HEERE (Jeremia 2:4-28) 

3. ‘Hazon Yisha’yahu’ - Het visioen van Jesaja (Jes. 1:1-27).

In de zeven weken na de Tisja Be’Av tot aan Rosh Hashanah leest men vervolgens in de synagoge de zeven troostrijke gedeelten, ‘Shivah DeNechemata’. Dit zijn de zeven gedeelten volgens Pesiqta de-Rav Kahana:

1. Nachamu, Nachamu Ami (Jesaja 40:1–26)

2. Vatomer Tziyon (Jesaja 49:14–51:3)

3. Aniyah Soarah (Jesaja 54:11–55:5)

4. Anochi, Anochi (Jesaja 51:12–52:12)

5. Rani Akarah (Jesaja 54:1–10)

6. Kumi Ori (Jesaja 60:1–22)

7. Sos Asis (Jesaja 61:10–63:9)

Er is een afwijkende lijst van Maimonides, die door Jemenitische Joden wordt gevolgd. De zeven lezingen worden gevolgd door ‘De Twee van Berouw’, in het Aramees ‘tarte di-tyuvta’, die gelezen worden tussen Rosh ha-Shanah, Nieuwjaar, en Jom Kippur, de Grote Verzoendag, waarvan er één op de gewone sabbat gelezen wordt zoals gebruikelijk, maar de andere wordt gelezen op de vastendag in verband met Gedalja.  


(‹2›) in de 7e maand op de 3e dag van de maand Tisjri (‹תִּשׁרִי›) vastte men, omdat op die dag Gedalja en de Judeeërs die het land hadden verlaten, gedood waren (‹2 Kn. 25:25, 26 en Jer. 41:2, 10, 16 e.v.›). Het jaar waarin dit gebeurde is niet exact bekend, ca. 4 jaar voor de vernietiging van de eerste Tempel. De maand Tisjri valt vrijwel samen met de maand September. 


(‹3›) in de 4e maand Tammoez (‹תַּמּוּז›) op de 9e dag vastten zij in verband met de verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar waarbij hij een bres sloeg in de muren van Jeruzalem in het 11e jaar van koning Zedekia (‹2 Kn. 25:3 e.v., Jer. 39:2, 52:6, 7›).

Ook zouden volgens de Mishna Ta’anit. iv. 6 op de 17e van de 4e maand vijf rampen Israël getroffen hebben, die wij hiervoor al besproken hebben: (‹1›) het breken van de tafelen van de Wet door Mozes (‹Ex. 32›), (‹2›) het ophouden van het dagelijks offer in de eerste Tempel (‹Jer. 52:6›), (‹3›) het ontstaan van bressen in de stadsmuren, (‹4›) het verbranden van de Wet door Apostemus en (‹5›) het plaatsen van de gruwel van de verwoesting, d.w.z. een afgodsbeeld, in de Tempel (‹Dan. 11:31, 12:1›).  


(‹4›) in de 10e maand Tevet (‹טֵבֵת›) op de 10e dag omdat op die dag de belegering van Jeruzalem door Nebukadnezar begonnen was in het 9e jaar van koning Zedekia (‹2 Kn. 25:1 en Jer. 39:1›). 


Hoewel de Talmoed in Rosh-Hashana (‹f. 18, a, b›) zegt dat de vier vastendagen werden afgeschaft n.a.v. de woorden van Zacharia  tegenover de afvaardiging uit Beth-El en pas weer werden ingesteld na de verwoesting van de tweede Tempel in 70 n. Chr., kan  volgens K&D betwijfeld worden of dit werkelijk is gebeurd. Zij menen dat de dagen gewoon bleven voortbestaan en in meerdere of mindere mate werden onderhouden en dat na de tweede verwoesting van Jeruzalem in 70 n. Chr. men deze dagen weer stipt is gaan onderhouden, niet omdat de profetie van de glorie over Israël (‹Zach. 8:18-23›) nog niet was uitgekomen, maar omdat er gedeeltelijke blindheid over Israël is gekomen (‹Rom. 11:25›) en zij de Messias niet in de gekruisigde Christus hebben herkend of niet hebben willen erkennen.


Zie ook het Onderwerp: De Grote Verzoendag.


Bronnen:

EBV Bijbeltekst




Willem J. Ouweneel: Hoogtijden voor Hem -  Uitgeverij Medema, 2001




WIkipedia: diverse artikelen 



Bewerking: 

redactie EBV -  1 oktober 2022