ARAMEES OF GRIEKS?
De oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament
Een uitgebreide beschouwing

EBV-S (‹Evangelische Bijbelvertaling›)
1 augustus 2026
omslagillustratie:
Een afbeelding van een pagina uit de Buchanan Codex
in de Cambridge Library
© www.evangelischebijbelvertaling.nl
ARAMEES OF GRIEKS?
De oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament
Een uitgebreide beschouwing
EBV-S (‹Evangelische Bijbelvertaling›)
INHOUDSOPGAVE
|
|
|
|
pag. |
|
Inleidende opmerkingen |
1 |
||
|
Inleiding |
5 |
||
|
I. |
DE ROL EN POSITIE van het ARAMEES in HET MIDDEN-OOSTEN |
10 |
|
|
II. |
DE VERSCHILLENDE ARAMESE VERSIES van het NIEUWE TESTAMENT |
17 |
|
|
|
|
A. De Diatessaron |
18 |
|
|
|
B. De Oud-Syrische (‹=Aramese›) Evangeliën (‹‘Old Syriac’›) |
29 |
|
|
|
C. De Philoxeense Evangeliën en het Harkleense Nieuwe Testament |
33 |
|
|
|
D. De Moderne Assyrische Versie |
38 |
|
|
|
E. De Aramese versies van het Oude Testament |
39 |
|
III. |
DE PESHITTA VAN HET NIEUWE TESTAMENT |
44 |
|
|
|
|
A. Karakter en inhoud van de Aramese tekst |
44 |
|
|
|
B. Tijd, plaats en auteurs |
45 |
|
|
|
C. Waar is de Peshitta tot stand gekomen? |
|
|
|
|
D. De waarde van de Peshitta |
|
|
|
|
E. Manuscripten van de Peshitta |
57 |
|
|
|
F. Gedrukte uitgaven van de Peshitta |
60 |
|
|
|
G. Drie bekende Peshitta vertalers: Etheridge, Murdoch, Lamsa |
62 |
|
IV. |
DE PESHITTA - EERSTE VOLLEDIGE DRUK |
66 |
|
|
V. |
DE PESHITTA in MALABAR en URUMIA |
70 |
|
|
|
|
A. Claudius Buchanan op reis in India - Malabar |
70 |
|
|
|
B. De Syrische christenen bij het meer van Urumia |
73 |
|
VI. |
JOHN GWYNN - CRAWFORD MANUSCRIPT |
77 |
|
|
VII. |
MANUSCRIPTEN van de PESHITTA |
80 |
|
|
VIII. |
DE MASSORA van de PESHITTA |
85 |
|
|
IX. |
GIUSEPPE SIMONE ASSEMANI (1687-1766›) |
92 |
|
|
X. |
DE SLOTTEKSTEN van de 27 Nieuwtestamentische Boeken |
97 |
|
|
XI. |
DE VERSCHILLEN tussen DE OOSTERSE EN WESTERSE PESHITTA |
107 |
|
|
XII. |
SPECIALE KENMERKEN en LEZINGEN VAN DE PESHITTA |
113 |
|
|
XIII. |
DE PESHITTA is BEHOUDEND, maar OOK ORIGINEEL |
152 |
|
|
SLOTWOORD: ARAMEES of GRIEKS? |
154 |
||
|
NOTEN |
156 |
||
|
Geraadpleegde bronnen |
158 |
||
Aramees of Grieks?
© www.evangelischebijbelvertaling.nl
De oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament
Een uitgebreide beschouwing - EBV-S (‹Evangelische Bijbelvertaling›)
Inleidende opmerkingen
De vraag naar de oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament is een belangrijk, maar voordat wij op die vraag ingaan en er antwoord op gaan geven, willen wij allereerst benadrukken dat zowel de Aramese als de Griekse tekst ons het Evangelie van Jezus Christus in zeer hoge mate eensluidend en met veel detail bekendmaken tot redding van zondaren en tot onderwijs van zijn Gemeente, dat is zijn Lichaam.
Het gaat in dit artikel dan ook over vragen die voor de meeste gelovigen van geen of weinig belang zijn, maar wel voor christenen die een onderzoekende geest hebben die gepaard gaat met een gelovig hart en ervaring met studie. Voor hen kan het nadenken over deze vragen verrijkend werken en de kennis en het begrip van de Bijbeltekst verdiepen. Voor hen is het nuttig om meer informatie en antwoorden te krijgen op de ‘hamvraag’ van dit artikel nl. deze: Zou de Aramese tekst van het Nieuwe Testament van de Peshitta (‹de Aramese Bijbel›) de oorspronkelijke tekst van het Nieuwe Testament kunnen zijn, ook al werd door de eeuwen heen aangenomen dat Grieks de grondtekst van het Nieuwe Testament was? Wat zijn de ‘voors’ en de ‘tegens’?
Aan de start van de bestudering van dit onderwerp maken wij de lezer erop attent dat er allerlei kleine verschillen zijn tussen wat genoemd wordt Oud-Syrisch, Chaldees en andere varianten van het Aramees, maar wezenlijk vormen deze allemaal tezamen één familie van nauw aan elkaar verwante Aramese talen of dialecten. Ook willen wij aan het begin direct een aantal redenen en overwegingen naar voren brengen die tot een bevestigend antwoord op de vraagstelling zouden kunnen leiden, zodat de lezer hopelijk voldoende zal worden geprikkeld om over deze vraag werkelijk te gaan nadenken en om zich een beeld te gaan vormen van waar het in dit uitgebreide artikel over gaat. Deze redenenen en overwegingen zullen wij ook wat uitdagend formuleren om te laten zien dat de Aramese Peshitta een zeer speciaal karakter heeft en beslist niet ‘aan de kant gezet’ kan worden als een vertaling van het Griekse NT zoals velen veronderstellen, vaak zonder werkelijk te weten waarover men het over heeft. Er is heel wat studie voor nodig om inzicht te krijgen in dit ingewikkelde onderwerp. Tegelijkertijd willen wij benadrukken dat het Aramese en Griekse Nieuwe Testament tezamen een bijzonder sterk fundament vormen van het gemeenschappelijke geloof in Jezus Christus, de gekruisigde, opgestane en verheerlijkte HEERE!
De redenen:
1. In het Nieuwe Testament van de Aramese Peshitta vinden wij de Hebreeuwse Naam van ‘JaHWeH’ in de Aramese variant daarvan nl. ‘MAR-JA’, waarbij ‘MAR’ ‘heer’ betekent en ‘JA’ staat als een verkorte naam voor JaHWeH, die in wezen gelijk is aan de verkorte vorm ‘JAH’ in het Hebreeuws. In Nederlandse Bijbels wordt de Hebreeuwse Naam ‘JaHWeH’ weergegeven als ‘HEERE’ en in het Engels als ‘LORD’, in het Grieks als ‘kurios’, maar eigenlijk zijn dat geen vertalingen, want men heeft in deze talen geen ‘titel’ of ‘naam’ die een ‘vertaling’ zou kunnen zijn van de Hebreeuwse Naam ‘JaHWeH’. De Naam ‘JaHWeH’ wordt beschouwd als de persoonlijke en heilige Naam van de God van Israël, die in het OT van de Aramese Peshitta als ‘Mar-Ja’ wordt geschreven op alle plaatsen waar in het Hebreeuws ‘JaHWeH’ staat. ‘Mar-Ja’ is wel een vertaling, omdat Hebreeuws en Aramees erg veel gemeenschappelijk hebben, het zijn beide Semitische talen. In het Aramees is de Naam ‘Mar-Ja’ al eeuwenlang in gebruik voor ‘JaHWeH.
Omdat er in het Nederlands geen vertaling is voor de Naam ‘JaHWeH’, heeft men eeuwen geleden besloten om die Naam niet te vertalen, maar die Naam in de tekst van het OT weer te geven als ‘HEERE’. In Nederlandse Nieuwe Testamenten komt ‘HEERE’ gewoonlijk niet voor, omdat men in het oorspronkelijke Griekse NT alleen ‘kurios’ (‹= heer›) als titel voor God en dus ook voor Jezus Christus gebruikt, zodat men in het Nederlandse NT ook alleen maar ‘Heer’ met hoofdletters en ‘heer’ met kleine letters aantreft voor resp. God/Jezus en mens, maar nooit de Naam ‘JaHWeH’ geschreven als ‘HEERE’.
De aanwezigheid van de Naam ‘Mar-Ja’ in het OT en NT van de Aramese Peshitta geeft de Aramese tekst ervan een unieke verbondenheid met de tekst van het Hebreeuws-Aramese Oude Testament.
– Vineyard Stalin spreekt van ‘Mar-Ja’ als: “Een term die uitsluitend betrekking heeft op YHWH en in het verlengde daarvan op Jezus, die ook ’Mar-Ja’, d.w.z. ‘YHWH’ wordt genoemd.. Hij baseert zich op William Jennings Syriac Lexicon (‹Oxford University Press, 1926›), p. 130-131, waar wij lezen: מָריָא (‹Mar-Ya›), is de speciale vorm die gebruikt wordt voor de heilige Hebreeuwse Naam, zoals in אמַר מָריָא למָרי (‹amar MarYa l'Mari›) ‘De HEERE zei tegen mijn Heere’ in Mattai 22:44, en ook voor Christus als de HEERE van allen in Handelingen 10:36, als de ene Heer in 1 Korintiërs 8:6 en als de HEERE in Filippenzen 2:11.
– In zijn ‘Compendious Syriac’ zegt R. Payne Smith (‹Oxford University Press, 1902; Reprinted by Wipf and Stock Publishers, 1999 op pg. 298›): de woordvorm מָריָא (‹Mar-Ya›), wordt uitsluitend gebruikt voor de HEERE GOD, en in het Oude Testament van de Peshitta staat deze Naam voor het Tetragrammaton, de 4-letterige Naam van GOD.
2. Het Nieuwe Testament van de Aramese Peshitta is sinds het begin van de 5e eeuw n. Chr. een volkomen stabiele tekst zoals dat ook het geval is met de tekst van het Hebreeuwse Oude Testament. Het Griekse Nieuwe Testament is weliswaar een buitengewoon zorgvuldige constructie van tal van afzonderlijke manuscripten, maar het is qua teksten en manuscripten bij lange na niet zo’n hechte eenheid als de Peshitta
3. Het Griekse Nieuwe Testament spreekt nooit van ‘Aramees’ of van ‘Arameeër’. Dit is historisch gezien een onmogelijkheid, terwijl het Nieuwe Testament van de Peshitta spreekt van ‘Aramees’ en ‘Arameeër’ en tegelijk ook van ‘Grieks’ en ‘Griek’, zo zelfs, dat Titus niet als Griek wordt aangeduid, maar als Arameeër, en de vader van Timoteüs ook als een Arameeër en niet als Griek. Hiermee komt het Griekse NT zoals ons bekend, onder de verdenking te staan dat de ‘Arameeër’ en het ‘Aramees’ bewust uit de tekst van de het Griekse NT zijn verwijderd. De vraag komt op: Kan het Woord van GOD veranderd worden? In verband met deze vraagstelling willen wij een paar opmerkingen maken:
a. Jezus Christus Zelf is het Levende Woord van GOD. In Hebreeën 1:3 lezen wij van Hem:
“Hij is de afstraling van zijn heerlijkheid en het beeld van Hemzelf en Hij draagt alle dingen door de kracht van zijn Woord. In zijn Wezen heeft Hij de reiniging van onze zonden bewerkt en Hij is gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge. ”
Zijn Goddelijke en tegelijk menselijke wezen, God en Mens in Eén, is in Jezus Christus onaantastbaar in de hemelen gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge. Voor wie tot geloof komt in Hem, het zij door het Griekse Nieuwe Testament, het zij door het Aramese Nieuwe Testament, geldt dat hij of zij is wedergeboren en een nieuwe schepping is geworden en deel heeft gekregen aan het eeuwige leven in Jezus Christus en niet in het oordeel zal komen want hij/zij is overgegaan van de dood naar het leven (‹2 Kor. 5:17, Jh. 5:24›).
b. het Woord van God is weliswaar door mensen gesproken en opgeschreven, en van de mensen die dat gedaan hebben lezen wij in 2 Pt. 1:16-21:
“Want wij zijn geen vernuftig verzonnen verzinsels nagevolgd, toen wij jullie de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben bekendgemaakt, maar wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit. Want Hij heeft van GOD de Vader eer en glorie ontvangen, toen deze stem tot Hem sprak vanuit de glorie die overeenstemt met zijn grote majesteit: “Dit is mijn geliefde Zoon in wie Ik Mij verblijd!” Ook wij hebben deze stem, die vanuit de hemel tot Hem sprak, gehoord toen wij met Hem op de heilige berg waren. Wij hebben ook het ware profetische woord en jullie doen er goed aan om daarop te letten als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de zon opgaat in jullie harten. Jullie moeten vooral weten, dat geen enkele profetie losgemaakt kan worden van het geschrift ervan. Want van eeuwigheid af is profetie nooit voortgekomen uit de wil van een mens, maar uit de mond van heilige mannen van GOD die door de Heilige Geest gedreven, spraken.”
Wat die heilige mannen spraken, hebben zij vaak ook zelf opgeschreven. Het Oude Testament, de Tenach, die hoofdzakelijk in het Hebreeuws is geschreven, en voor kleinere delen in het Aramees m.n. in Ezra en Daniël, is uiterst betrouwbaar. In taalkundig opzicht zijn er wel een paar duizend kleine verschilletjes, maar ondanks dat zei een Joodse geleerde die intensief betrokken was bij het onderzoek en nagaan van al die kleine verschilletjes in de Tenach, dat zo’n groot aantal wel heel wat lijkt, maar dat die paar duizend kleine verschilletjes inhoudelijk gezien bijna niets voorstellen, zodat we met een gerust hart en geweten kunnen zeggen, dat de tekst door al die eeuwen heen bijzonder goed en betrouwbaar is overgedragen.
Ditzelfde geldt voor het Nieuwe Testament van de Aramese Peshitta. Afgezien van een zeer gering aantal kleine verschillen (‹meestal spreekt men van 11 kleine verschilletje, die in de EBV-S in de vertaalnoten worden belicht›) tussen de tekst van de westerse Peshitta en de oosterse Peshitta, is de tekst van beide gelijk en sinds de 5e eeuw ongewijzigd. De vermoedens zijn dat de tekst teruggaat naar de 1e eeuw n. Chr., zoals men dat ook vermoedt voor de Griekse tekst.
c. de betrouwbaarheid van het Griekse Nieuwe Testament is ook zeer hoog, zodat voor bijna 99% van de tekst van het Griekse en van het Aramese NT geldt dat zij zeer dicht bij elkaar liggen. Maar er zijn wel een aantal verschillen die opvallen en vragen oproepen over wat de juiste lezing is.
Daarbij menen wij te moeten vaststellen, dat hoewel God zijn Woord beschermt, het blijkbaar niet onmogelijk is dat er:
- soms defecte teksten zijn, zoals men dat noemt, ook in het Hebreeuwse Oude Testament, de Tenach.
- soms door menselijk handelen (‹slordigheid of opzet›) belangrijke manuscripten of delen van belangrijke manuscripten, plotseling verdwenen zijn of bijna verdwenen zijn. Denk b.v. aan de Hebreeuwse Aleppo Codex, die aanvankelijk volledig was, maar later deels zoek raakte, en wat betreft de Sinaï Codex meent men wel dat deze bijna was weggegooid door menselijke onachtzaamheid, toen iemand dat op het laatste nippertje kon voorkomen.
- soms door vertaalproblemen of vertaalkeuzes afwijkingen ontstaan van de oorspronkelijke tekst. Vertalen is geen gemakkelijk werk.
- soms komt het ook voor dat er bij de vertaling van de tekst min of meer ‘opzettelijk’ een woord of een tekst wordt veranderd ten opzichte van de grondtekst.
- wat betreft het Griekse NT is het o.i. niet uitgesloten dat de benamingen ‘Arameeër’ en ‘Aramees’ bewust uit de tekst verwijderd zijn, want de conflicten tussen de westerse en de oosterse ‘christenheid’ in de 4e/5e eeuw hebben geleid tot oorlog en strijd. En als het zo grimmig toegaat, dan is de voornoemde aanpassing een voorstelbare handelwijze van vleselijke christenen. Toch geldt ook hier dat God ons - in het bijzonder aan de oosterse christenheid - de Peshitta heeft gegeven die op dit punt in ieder geval de oorspronkelijke en historisch juiste tekst lijkt te hebben. (‹zie in het vervolg›).
Kortom: ondanks de voornoemde tekortkomingen, kan toch gesteld worden dat de Bijbel het geschreven Woord van God is, dat weliswaar - door zijn materiële aardse vormgeving en omgeving - niet geheel onaangetast is, maar anderzijds - voor wie de moeite neemt om het te onderzoeken, zo’n wonderlijke en gedetailleerde betrouwbaarheid weet te bieden aan de lezer en de onderzoeker, dat die naar waarheid moeilijk anders kan concluderen dat dit het onfeilbare Woord van God is, en dat waar sprake is van enig feilen, dit feilen niet zijn oorzaak heeft in het Goddelijke karakter van dit Woord, maar in de menselijke tekortkomingen en fouten bij de overdracht ervan. Daarbij moet echter worden opgemerkt, dat deze tekortkomingen veelal te traceren zijn en dus ‘ontmaskerd’ kunnen worden, en boven alles uit: God Zelf waakt over zijn Woord.
Als onze veronderstelling dat het Woord van God zoals dat in zijn geschreven of gedrukte vorm tot ons gekomen is, toch op enkele plaatsen door mensenhanden is aangetast, dan doen we er bij die vaststelling goed aan om te beseffen dat het LEVENDE Woord van GOD onaangetast en volkomen in de hemel op de troon gezeten is, aan de rechterhand van GOD (‹Heb. 1:1-3›), en dat de Heilige Geest met gebruikmaking van het zwaard van de Geest (‹Heb. 4:12›) in de harten werkzaam is met goddelijke precisie en overtuigingskracht.
Inleiding
In het algemeen wordt aangenomen dat het Grieks de grondtaal is van het Nieuwe Testament, terwijl het Hebreeuws en Aramees (‹m.n. grote delen van de boeken Ezra en Daniël›) als de grondtalen van het Oude Testament worden beschouwd. Toch zijn er ook andere gezichtspunten.
Dat Aramees mogelijk de grondtaal zou kunnen zijn van het Nieuwe Testament, is niet alleen niet zo bekend, maar de gedachte roept vaak ook veel weerstand op. In zekere zin is de kwestie niet zo belangrijk, omdat het Griekse en Aramese Nieuwe Testament in zeer hoge mate overeenstemmen, net zoals Bijbels in verschillende talen dat ook doen, want zij zijn allemaal vertaald vanuit dezelfde Hebreeuwse en Aramese grondtekst van het Oude Testament en vanuit de tekst van het Griekse Nieuwe Testament. Maar als er verschillen opduiken dan kan het toch de vraag opkomen: Wat is de juiste tekst, wat is de grondtekst van het Nieuwe Testament? Het gaat daarbij om betrekkelijk kleine verschillen, die de boodschap van redding door het Evangelie van Jezus Christus op geen enkele manier aantasten. Maar een Bijbelonderzoeker en -vertaler wil zo mogelijk alles precies weten en in dat geval komt het er wel op aan. Het is vaak moeilijk om de verschillende inzichten eerlijk te wegen en te beoordelen.
Is de Griekse tekst - die door een veelheid van manuscripten door de eeuwen heen met zeer grote precisie bewaard gebleven is en van generatie op generatie aan ons overgeleverd is - het origineel, ondanks alle (‹detail›)verschillen in de diverse manuscripten en ook al komt een heel enkele keer een hele passage (‹b.v. die over de overspelige vrouw in Johannes 8›) in het ene Griekse manuscript wel en in het andere Griekse manuscript niet voor?
Of is de tekst van de zgn. Aramese Peshitta de grondtekst? Immers de Peshitta (‹dat is ‘de eenvoudige’, de naam voor de Aramese Bijbel, zowel voor het Oude als het Nieuwe Testament: de ‘mappaqtâ pšîṭtâ’, ܡܦܩܬܐ ܦܫܝܛܬܐ, letterlijk ‘de eenvoudige versie’. Het Oude Testament van de Peshitta laten wij in onze bespreking buiten beschouwing, omdat die met zekerheid een vertaling is van de Hebreeuwse Tenach, zoals het Nederlandse OT ook een vertaling van diezelfde Tenach is 1›), heeft al sinds het begin van de 5e eeuw een aantoonbaar stabiele tekst van het Nieuwe Testament, met vrijwel geen verschillen tussen de manuscripten behalve in 11 verzen (‹nl. in Mt. 6:32; 21:4; Mk. 14:31; Jh. 16:27; Hd. 20:28; Rm. 8:39; 2 Th. 3:6; 2 Th. 3:18; 2 Tm. 4:22; Heb. 2:9; Heb. 2:16›), waarin er kleine verschillen zijn tussen de westerse en de oosterse Peshitta.
De Aramese Peshitta had aanvankelijk echter 22 boeken en niet 27 boeken zoals het Griekse Nieuwe Testament. Wezenlijk was dat onderscheid terug te voeren op de gebeurtenissen tijdens het concilie van Efeze in 431 v. Chr., waar de oosterse flank van de Syrische kerk zich afscheidde van Rome door vast te houden aan de leer van de Nestorianen. In de Peshitta ontbraken op dat moment echter nog de boeken Openbaring, de 2e brief van Petrus, de 2e en 3e brief van Johannes en de brief van Judas. Bovendien ontbrak de passage van de overspelige vrouw in Johannes 7:53-8:11. Dat deze vijf boeken en de passage uit het Johannesevangelie in de Peshitta ontbreken, is dus m.n. het gevolg van het feit dat er in de 5e eeuw nog twijfel was over de vraag of Openbaring en de vier genoemde brieven wel tot de canon behoorden, en het gevolg van het feit dat het oosterse deel van de oosterse kerk zich juist in die tijd en na het concilie van Efeze in 431 n. Chr. losmaakte van de westerse kerk. De oosterse kerk had op dat moment 22 boeken in haar canon, en was verder niet meer betrokken bij de besluitvorming over de resterende 5 boeken.
Het westerse deel van de oosterse kerk bleef echter met Rome verbonden en ging akkoord met de latere verklaring van de canoniciteit van de restende 5 boeken en zodoende is de Westerse Peshitta is al geruime tijd voorzien van alle 27 NT-ische boeken.
Overigens hebben alle Bijbels hebben tegenwoordig een NT met 27 boeken, omdat het Bijbelvertaalwerk, dat m.n. vanuit de westerse christenheid op gang kwam, bijna altijd de Griekse tekst als uitgangspunt nam, en ook nu nog steeds neemt. Alleen de Armeense, Georgische, Arabische en Perzische Bijbelvertalingen zouden in meerdere of mindere mate beïnvloed zijn door de tekst van de Aramese Peshitta, maar wat betreft het Arabisch en Perzisch menen wij te mogen zeggen, dat dat inmiddels niet meer het geval is in de moderne uitgaven van de Bijbel in die talen.
De al genoemde 5 boeken bleven in geheel de oosterse kerk echter eeuwenlang ontbreken in de uitgaven van de Aramese Peshitta. Officieel worden ze in het oosterse deel van de oosterse kerk nog steeds niet als canoniek beschouwd, maar wel komen die 5 boeken sinds het begin van de 20e eeuw voor in de meeste gedrukte uitgaven van de Peshitta, niet alleen in die van het westerse deel van die kerk, maar ook in die van het oosterse deel ervan (waar ze soms worden voorzien van een voorwoord als inleiding), zodat wij kunnen zeggen dat de 5 boeken tegenwoordig feitelijk deel uitmaken van de Aramese Peshitta van de Aramees sprekende christenen in Syrië, Irak, Malabar in India en waar zij zich in deze tijd ook maar mogen bevinden, een christenheid die inmiddels in aantal zeer klein is geworden door de nu al eeuwenlange dominantie van het Arabisch in het Midden-Oosten en door de eeuwenlange vervolgingen en onderdrukkingen die de kerk en de gelovigen in het Midden-Oosten ten deel vielen, en hen nog steeds ten deel vallen, als gevolg van het oprukken van de islam met haar anti-joodse en antichristelijke karakter. Ten gevolge van dit alles heeft de Arabische Bijbel onder de christenen in het Midden-Oosten grotendeels de plaats ingenomen van de Aramese Peshitta, zoals onder de christenen in Egypte de Arabische Bijbel de plaats heeft ingenomen van de Egyptisch-Koptische Bijbel.
Wat betreft de 5 hiervoor genoemde boeken is het voor ons onderwerp van belang te weten dat het boek Openbaring in het Aramees pas eind 19e eeuw ontdekt werd in een verzameling manuscripten die naar men meent, geschreven waren in de 8e of 9e eeuw na Christus, en die uitvoerig bestudeerd zijn door John Gwynn (‹28 Augustus 1827 – 3 April 1917›), een Ierse geleerde van het Aramees. Hij was professor in de theologie aan het Trinity College in Dublin, Ierland, van 1888 tot 1907. John Gwynn heeft het boek Openbaring uit de verzameling manuscripten grondig bestudeerd en het met ‘gereconstrueerde versies’ van de 4 kleine brieven aan het begin van de 20e eeuw toegevoegd aan de uitgave van de Aramese Peshitta in 1905 door de BFBS (‹British Foreign Bible Society - BFBS›), die bestaat uit het Oude en Nieuwe Testament.
Deze uitgave van het Nieuwe Testament van de Peshitta door de BFBS was gebaseerd op voorbereidend werk door Philip E. Pusey (1830-1880), Gwilliam (1846-1913) en de al genoemd John Gwynn. Het gaat om de tekstkritische uitgave van Gwilliam & Pusey's van de Evangeliën, de tekstkritische uitgave van Gwilliam van het boek Handelingen, de tekstkritische uitgave door Gwilliam en Pinkerton van de brieven van Paulus en John Gwynns tekstkritische editie van de algemene brieven en van het boek Openbaring. Deze ‘tekstkritische’ Peshitta uitgave uit 1905 was gebaseerd op meer dan 70 Peshitta manuscripten en nog enkele andere Aramese geschriften. Alle 27 NT-ische boeken waren waren onderdeel van deze uitgave, ook de passage van de overspelige vrouw in Johannes 8:1-11 (Jh. 7:53-Jh. 8:1-11). De ‘Syriac Bible’ van 1976 van de United Bible Society, gebruikt dezelfde tekst voor het Nieuwe Testament. We merken op dat de Engelse aanduiding ‘Syriac’ staat voor ‘Aramees’.
Overigens was er in 1816 door de BFBS al een uitgave van het Nieuwe Testament van de Peshitta gedrukt, die was samengesteld door Claudius Buchanan in samenwerking met Samuel Lee, twee grote, zeer toegewijde deskundigen op het gebied van de Aramese en andere Oosterse talen, waaronder Arabisch en Hebreeuws. Samuel Lee baseerde zijn tekst hoofdzakelijk op de editie van 1709 door Johannes Leusden en Carl Schaaf. Deze was bedoeld voor gebruik onder de christenen in Kerala in Zuid-India.
De Encyclopaedia Britannica weet te melden dat de naam ‘Peshitta’ voor het eerst in de 9e eeuw door Moses bar Kepha gebruikt werd om duidelijk te maken dat deze Aramese Bijbel algemeen gebruikt werd. De naam ‘Peshitta’ zou ook in omloop zijn gekomen om deze Aramese uitgave te onderscheiden van de meer complexe Syro-Hexaplar versie van het Oude Testament in het Aramees, een vertaling van de Griekse LXX zoals die is aangetroffen in de vijfde kolom van de Hexapla van Origenes. De Aramese vertaling van dit op de Griekse LXX gebaseerde Oude Testament is gemaakt door Paul van Tella, de opziener in het klooster van de Enaton in Egypte in 617 n. Chr. Deze vertaling vanuit de Griekse LXX vond wat meer aanhang in het westelijke deel, dan in het oostelijk deel van de oosterse kerk, en zou door Jakob van Edessa gebruikt zijn voor zijn revisie van de Peshitta. Ook werd deze vertaling door Ishodad of Merv, een geleerde in oost-Syrië, gebruikt in zijn commentaren, maar uiteindelijk werd deze versie geen ‘succes’.
De oorspronkelijke Peshitta is door de eeuwen heen de standaard Bijbel geweest en gebleven voor de oosterse kerk en deze wordt tot op de dag van vandaag gebruikt in de Syrische kerken: (‹1›) de Maronitische kerk, (‹2›) de Chaldees-Katholieke kerk, (‹3›) de Syrisch-Katholieke kerk, (‹4›) de Syrisch-Orthodoxe kerk, (‹5›) de Syrisch-Katholieke Malankara kerk (‹Kerala, India›), (‹6›) de Assyrische kerk van het Oosten en (‹7›) de Jakobitische Syrisch-Katholieke Malabar kerk (‹India›). De westerse Peshitta werd meer gebruikt in de westwaarts gelegen Syrisch-Aramese gebieden en de oosterse Peshitta meer in de oostwaarts gelegen gebieden van Syrië en Irak.
Het Oude Testament van de Peshitta wordt niet geacht de grondtekst van het Oude Testament te zijn, maar een vertaling van de Hebreeuwse Tenach (‹vergelijkbaar met de Griekse Septuaginta maar in het algemeen dichter bij de Hebreeuwse tekst dan de Septuaginta, LXX›), maar het Nieuwe Testament van de Peshitta wordt daarentegen door de oosterse kerk juist wel als de door God gegeven grondtekst van het Nieuwe Testament beschouwd.
Zoals hiervoor al opgemerkt, scheidden de Nestorianen zich af op het concilie van Efeze in 431 n. Chr. Daarmee stond de ‘canon’, de lijst van boeken die men beschouwde als behorend bij de Heilige Schrift, voor de kerk van het Oosten vast en dat betekende dat de oosterse Peshitta 22 boeken bleef bevatten. Het is opvallend dat juist deze 22 boeken door Johannes Chrystosomus (‹347-407›) worden genoemd en door Theodoretus (‹393-466›) uit de school van Antiochië, waaruit wij kunnen opmaken dat die 22 boeken voorafgaand aan het concilie van Efeze als canoniek werden beschouwd.
De Peshitta (‹OT en NT›) bleef echter ook bij de niet-Nestorianen in sommige gebieden van Syrië in gebruik en omdat de Aramese kerk in die gebieden trouw bleef aan de beslissingen van het concilie van Efeze en het daaropvolgende concilie van Chalcedon aan de Bosporus, kreeg de geschiedenis van deze westerse Peshitta een enigszins eigen verloop wat betreft de ontbrekende vijf boeken van het Nieuwe Testament.
Voor een goed begrip van de betekenis van de Peshitta en van zijn positie is het echter belangrijk ons te realiseren dat er buiten de Peshitta om, ook andere, maar slechts gedeeltelijke en bewerkte uitgaven zijn van het Nieuwe Testament in het Aramees, die ook al in de 3e tot 7e eeuw n. Chr. beschikbaar waren, elk met zijn eigen oorsprong en geschiedenis. Dit is een belangrijk onderwerp, maar voordat wij daarop ingaan is het van belang om ons enigszins een beeld te vormen van de rol en positie van het Aramees in het Midden-Oosten, in het bijzonder ten tijde van Jezus Christus, en vervolgens ook op de rol van het Aramees en Grieks bij de overdracht van het Evangelie van Jezus Christus in de eerste eeuwen.
I. DE ROL EN POSITIE
van het ARAMEES
in HET MIDDEN-OOSTEN
Na de zondvloed was er één volk en één taal (‹Gen. 11:1, 6›).
Bij de torenbouw van Babel werd de spraak van de mensen verdeeld en ontstonden de talen. Het kan zijn dat het Hebreeuws een voortzetting was van de oorspronkelijke taal van voor de zondvloed, zodat de teksten van Gen. 1 t/m 9, die mogelijk op kleitabletten geschreven waren, voor Mozes nog begrijpelijk waren bij het samenstellen van de Vijf Boeken van de Wet, de Torah. Hierover zijn verschillende meningen. Het kan ook zijn dat er een sterke mondelinge traditie was, want voor de zondvloed leefden de mensen heel erg lang. De natuurlijke kracht en gaven van de mens in die tijd overtroffen die van de mensen na de zondvloed. Een mondelinge overlevering kon door de zondvloed heen standhouden als er geen ‘schriftelijke’ overdracht zou zijn geweest, want het gaat in wezen slechts om de negen eerste hoofdstukken van de Bijbel.
Na de zondvloed m.n. na de spraakverwarring zou deze mondelinge traditie dan betrouwbaar op schrift zijn gesteld door de gelovige nakomelingen van Noach, en vervolgens ook door de volkeren van de wereld in hun eigen talen, maar elk maakte er een eigen versie van, want er was vijandschap tussen de volken ontstaan: (‹a›) al voor de zondvloed tussen de gelovige en niet-gelovige nakomelingen van Adam en Eva, en (‹b›) na de zondvloed ook tussen de volken onderling die elk hun eigen taal gekregen hadden. God had het menselijk geslacht niet versplinterd, zodat ieder afzonderlijk mens een eigen taal had, maar God heeft elk volk een eigen taal gegeven, zodat de familieband intact bleef. De juiste versie van de geschiedenis van de vloed en alles daarvoor werd door de gelovigen van die tijd betrouwbaar bewaard en ging zo met Abraham mee.
Abraham was afkomstig uit Ur van de Chaldeeën. De Chaldeeën worden in het Bijbelse Hebreeuws ‘kasdiem’ (‹כשדים›), genoemd, in het Aramees ‘Kaldo’ (‹ܟܠܕܘ›). Het Chaldees is een variant van het Aramees.
Flavius Josephus meende dat de Chaldeeën van Arfachsad afstamden. In zijn boek ‘Antiquities of the Jews’ (‹boek 1, sectie 143›) schrijft hij: “Arfachsad gaf de Arfachsadieten, die nu Chaldeeën genoemd worden, hun naam.” De zonen van Sem, de zoon van Noach, waren Elam, Assur, Arfachsad, Lud en Aram. Arfachsad en Aram waren dus broers. Arfachsad verwekte Selah en Selah verwekte Heber, Heber Peleg, Peleg Rehu, Rehu Serug, Serug Nahor, Nahor Terach, Terach Abraham.
Abraham wordt in Gen. 14:13 Hebreeër genoemd en hij blijkt in dat vers onder de Amorieten in het land Kanaän te wonen. Het kan zijn dat de aanduiding Hebreeër verband houdt met de naam Heber in de lijn van afstamming. Heber leefde nog voordat de aarde verdeeld werd. In de dagen van Peleg werd de aarde verdeeld, waarbij wij denken aan enorme geologische en geografische veranderingen die tot het ontstaan van verschillende werelddelen en tussenliggende zeeën leidde (‹zie Gen. 10, 11›).
Rebekka, de vrouw van Izak, was de dochter van Betuël, de Arameeër, en de zus van Laban, de Arameeër. Zij trouwde met Izak. Uit dit alles kunnen wij afleiden dat Aramees en Hebreeuws, hoewel verschillende talen, toch in hoge mate verwant geweest moeten zijn, misschien nog wel meer dan nu. Tenslotte sprak de Hebreeër Izak toch dagelijks met zijn Aramese vrouw Rebekka naar wij mogen aannemen.
In Deuteronomium 26:5 lezen wij over Jakob als een tot de ondergang gedoemde Arameeër die afdaalde naar Egypte, waar hij uitgroeide tot een groot en talrijk volk.
In Gen. 40:15 lezen wij dat Jozef zegt dat hij ontvoerd werd uit het land van de Hebreeën, d.w.z. uit het land Kanaän want dat had God bestemd voor de nakomelingen van Abraham.
De Israëlieten leefden behoorlijk gescheiden van de Egyptenaren in het land Gosen. Zo kon hun eigen taal in stand blijven en verder ontwikkelen, en in die taal zou Mozes de Wet opschrijven met inbegrip van het boek Genesis, d.w.z. heel de geschiedenis van de schepping tot op de aankomst in Egypte. Dat de Israëlieten later slaven in Egypte werden, zal eraan bijgedragen hebben dat zij aan hun eigen taal vasthielden om zich zo te verzetten tegen hun heersers en tegen de Egyptische taal.
Die taal, het Hebreeuws, namen ze bij de Uittocht mee, en in die taal werd de Wet met inbegrip van het boek Genesis opgeschreven, en die Wet en die taal werden de taal en de Wet van het volk Israël dat ging wonen in het land Kanaän en daar het Koninkrijk oprichtte.
Na de koningen Saul, David en Salomo kwam er een splitsing in een noordelijke 10-stammenrijk en een zuidelijk 2-stammenrijk. Het noordelijke 10-stammen rijk van Israël werd rond 740-730 v. Chr. door Aram en later rond 720 v. Chr. door Assyrië afgevoerd in ballingschap en zo kwam het volk weer terug in het land waar Rebekka vandaan kwam en waar Heber vandaan kwam. Het zuidelijke tweestammenrijk Juda werd een eeuw later in ballingschap afgevoerd naar Babel. Aramees was inmiddels de officiële taal geworden van dit grote rijk en alle Joden in de ballingschap kwamen dus met die taal in aanraking en begonnen geleidelijk aan Aramees te spreken en te lezen, want hier woonden zij niet meer zo apart als in Egypte, maar gingen zij goeddeels op in de Arameessprekende samenleving. De Joodse elite, zoals Daniël en zijn vrienden, leerde Aramees, en geleidelijk begon het volk natuurlijk ook meer thuis te raken in de taal van het land waarin zij leefden. De beide talen waren en zijn bovendien aan elkaar verwant (‹misschien zoals Duits en Nederlands veel gemeenschappelijk hebben›), heel anders dan in Egypte. Maar volksonderwijs bestond er niet, dus verliep het leerproces geleidelijk, maar wel gestaag.
Als gevolg van de afname van de kennis en van het gebruik van het Hebreeuws, ontstond de behoefte om de Wet en de Profeten in het Aramees door te geven aan de volgende generaties, die steeds minder thuis waren in het Hebreeuws dat op den duur alleen nog door de priesters en rabbijnen, d.w.z. de godsdienstige leiders onder het volk, werd beheerst. Zo ontstonden de Aramese Targums van de verschillende bijbelboeken van de Tenach, het Oude Testament, die een soms sterk uitleggend karakter hadden. Het waren niet strikte, letterlijke vertalingen.
Geleidelijk aan zou deze Aramees sprekende Joodse gemeenschap zich echter meer en meer onder de volken verspreiden en onder hen verstrooid worden, afgezien van een kleine groep die zou terugkeren naar Jeruzalem en het gebied van Juda (‹zie de boeken Ezra en Nehemia›). Zo kwam het dat, al voor het begin van de christelijke jaartelling, zich Joden vestigden in nagenoeg alle steden aan de grote, noordelijke Zijderoute van 12.000 km lengte, die vanuit Damascus naar Babylon in het huidige Irak liep, vervolgens naar Perzië, het huidige Iran, om van daaruit via het tegenwoordige Turkmenistan, Kazachstan en Kirgizië door te dringen in het grote China, om tenslotte, via Kaifeng in de provincie Henan, in Shanghai te eindigen. Deze Joodse handelaren die zich langs de Zijderoute vestigden spraken Aramees en bleven dat spreken want de handel gaf daartoe aanleiding.
Er waren ook zuidelijke handelsroutes die via Herat in Afghanistan naar de Perzische Golf liepen. Daarvandaan waren er scheepvaartroutes om de goederen naar het Midden-Oosten te brengen waarbij de stad Petra in Nabatea het grote handelscentrum vormde. Vandaar ginden de goederen over land naar de Middellandse Zee en naar Alexandrië. Ook in dit door de handel rijk geworden Nabatea, het vroegere Edom, was de voertaal Aramees in de tijd van Jezus Christus en daarom zal het Aramees ook langs die zuidelijke handelsroute een belangrijke rol gespeeld hebben.
In westelijke richting gingen de verstrooide Joden door Klein-Azië richting Griekenland en hoe verder zij ‘van huis’ raakten, hoe noodzakelijker het voor hen werd om de talen te leren van de volken waaronder zij zich vestigden.
Het Seleucidische Rijk, de oostelijk afsplitsing van het grote Griekse Rijk, strekte zich na de dood van Alexander de Grote echter ver uit over het huidige Turkije, en hoewel Grieks de officiële regeringstaal was en ook in de handelsbetrekkingen een belangrijke rol speelde, is het niet realistisch om te denken dat het met de invloedrijke Aramese taal gedaan was. Het Aramees bleef een belangrijke rol spelen in het alledaagse leven in het Seleucidische rijk, dat zich vanuit het huidige Syrië in oostelijke en westelijke richting uitstrekte.
Dat gold ook voor het Aramees dat door veel inwoners van Judea gesproken werd in de dagen van Jezus Christus. Men meent wel dat Grieks vrij goed gesproken werd in Judea in de tijd van Jezus Christus, maar naar ons besef verloopt de aanpassing van de taal van een volk niet zo snel en ook niet van de apostelen. Onder hen waren ‘ongeletterde’ mensen, d.w.z. niet speciaal geleerde mensen, maar wel met een zeer goed verstand. Het is aannemelijk dat er in Galilea, dat tegen Syrië aanligt, meer Aramees gesproken werd dan in Jeruzalem. Juist in dit gebied groeide Jezus op. De beroemde Joodse geschiedschrijver Josephus schreef dat het voor een Jood niet eenvoudig was om Grieks te leren en dat hij het zelf met veel moeite en inspanning had geleerd.
De politiek van Alexander de Grote was er niet op gericht om de Griekse taal en cultuur aan de overwonnen landen en volken op te leggen. Eerder liet men die in stand, waarmee de oorspronkelijke bevolking natuurlijk meer ruimte behield en zich gerespecteerd wist. Het leren van Grieks was natuurlijk wel van belang voor het geval iemand in het grote Griekse rijk een hogere positie of een regeringsfunctie wenste. Als het Lycaonisch (‹mogelijk een Grieks dialect›), de taal van die streek (‹Hd. 14:11›), onder de Griekse en Romeinse overheersing kon overleven tot in de tijd van de apostelen, zou dan de invloedrijke Aramese taal dat niet kunnen? Wij zouden denken van wel en daarom kan het eigenlijk niet anders dan dat er in het Nieuwe Testament ook over de Aramese taal en de Arameeër gesproken zou worden, vooral omdat veel Joden deze taal beheersten en omdat Paulus altijd eerst de Joodse gemeenschappen opzocht.
Maar inmiddels zijn wij met onze bespreking van het Aramees in de tijden van het Nieuwe Testament aangeland. De oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament is een onderwerp van voortdurende discussie.
Dave Bauscher meent dat men op basis van gevonden inscripties uit de tijd van Jezus op aarde kan vaststellen dat er zeven min of meer verschillenden dialecten van het Aramees waren nl. :
1. het Aramees van Judea
2. het Aramees van Zuid-Judea
3. het Aramees van Samaria
4. het Aramees van Galilea
5. het Aramees van het Overjordaanse
6. het Aramees van Damascus
7. het Aramees dat gesproken werd langs de rivier de Orontes in Syrië
Het Aramees van Judea werd het ‘Hebreeuwse dialect’ genoemd. Het verschilde van het Aramees van Galilea, maar men kon elkaar wel goed begrijpen. Daarom werd Petrus wel verstaan, maar werd zijn afkomst verraden door zijn tongval of dialect, want hij sprak de Galilese variant en voor een kenner van de taal was dat dus merkbaar. Het Evangelie van Mattai zou volgens Bauscher vooral geschreven zijn voor de Joden van Judea, omdat de zgn. ‘kerkvader’ Papias schrijft dat Mattai de woorden van het Evangelie schreef in de Hebreeuwse taal (‹Hebraidi›) en omdat Ireneaüs en Eusebius schrijven dat Mattai het Evangelie opschreef in de nationale taal van de Hebreeën en ook andere oudere getuigen maken daarvan melding. Dit stemt overeen met de slotregels in de Aramese Peshitta: “Het einde van het heilige Evangelie, de verkondiging van de apostel Mattai, die hij voltooide, verwoordde en opschreef in het Hebreeuws in Palestina.” Het is zeer aannemelijk dat met het woord ‘Hebreeuws’ in feite Aramees wordt bedoeld. Als de kerkvaders spreken van de Hebreeuwse taal, dan bedoelen zij hoogstwaarschijnlijk het Aramees, temeer omdat zij opmerken dat Mattai zijn Evangelie schreef ter ondersteuning van het onderwijs aan het volk en voor de Evangelieverkondiging. Als de lezers en hoorders van het Evangelie allereerst en allermeest Aramees spraken, waarom zou Mattai dan in een andere taal dan het Aramees geschreven hebben. Daar komt nog bij dat Eusebius (‹Hist. eccl. III, xxiv, 6›) ons meedeelt dat het Evangelie van Mattai het onderwijs en de prediking van Jezus Christus bekendmaakt, en wij weten, zo zegt Bauscher, dat Jezus Aramees sprak. Hij voegt er dan nog aan toe, dat als wij zouden aannemen dat Mattai het Evangelie in het Hebreeuws had opgeschreven, dit Evangelie een vertaalslag van het Hebreeuws naar het Aramees nodig zou hebben gehad zodat het volk het kon begrijpen, en dat geldt ook voor het geval Jezus’ zijn onderwijs in het Grieks zou hebben gegeven. Bauschers standpunt is geen meerderheidsstandpunt onder christenen, maar zijn argumenten zijn belangrijk en het is o.i. onmogelijk te ontkennen dat Jezus in zijn dagelijkse wandel op aarde Aramees sprak en bad, zoals ook zijn woorden aan het kruis daarvan getuigen. Woorden die zo diep uit het hart komen, zouden die in een andere taal gesproken zijn dan Jezus’ moedertaal? Was Hij niet een mens met een moedertaal zoals wij, maar zonder zonde?
In een artikel getiteld “The Language Milieu of First-Century Palestine - Its bearing on the Authenticity of the Gospel Tradition” door Robert H. Gundry lezen wij dat onderzoekers in het algemeen de tekst als meer oorspronkelijk beschouwen wanneer de Griekse tekst meer tekenen vertoont van een Aramees origineel, alsof het Grieks de opvolger was van het Aramees. Echter zowel Aramees, als Hebreeuws en Grieks waren in de tijd van Jezus algemeen in gebruik zoals blijkt uit de vondst van brieven uit de tijd van de opstand van Bar Kochba, die in alledrie de talen in vrijwel gelijke mate voorkwamen, en uit de opschriften van nog niet eerder opgegraven ossuaria (‹doodsbeenderen huisje›) van voor de Joodse oorlogen (‹66-73 n. Chr.›): op 7 ervan was de taal Hebreeuws, op 11 Aramees en op 11 Grieks. (‹Ten Years of Discovery in the Wilderness of Judaea - pg. 130 e.v., J. T. Milik›). Andere vondsten (‹Avigad, Sukenik›) bevestigen dit beeld. De conclusie, die Gundry trekt op grond van het in gelijke mate voorkomen van archeologische vondsten in het Hebreeuws, Grieks en Aramees in het gebied van Jeruzalem en Judea aan het begin van de christelijke jaartelling, luidt dat een Nieuwtestamentisch manuscript niet minder origineel behoeft te zijn als het weinig of geen sporen vertoont van een Aramees origineel. Gundry schrijft dat wij er zeker van kunnen zijn dat het verslag van Jezus Christus, het Evangelie vanaf het allereerste begin ook in het Grieks is vastgelegd, zoals dat vanaf het allereerste begin ook in het Aramees en Hebreeuws gebeurd is, eenvoudigweg omdat deze drie talen, gemeengoed waren in het gebied van Judea en Israël, dat toen Palestina werd genoemd. Galilea lag meer noordelijk, dichtbij Syrië, en we mogen aannemen dat in die streek het Aramees dominant was.
Of de conclusie van Gundry helemaal klopt, is nog wel de vraag, maar zijn onderzoek toont aan dat een vroege vastlegging van het Evangelie, mogelijk zelfs in drie talen, beslist niet uitgesloten geacht mag worden, al blijft het zo dat archeologische en historische onderzoeken de feiten aan het licht dienen te brengen die het een en ander al of niet ondersteunen.
Zoals al gezegd wordt het in de westerse christenheid als vrijwel vanzelfsprekend aangenomen dat Grieks de grondtaal van het Nieuwe Testament is. Er bestaat een zeer grote hoeveelheid van Griekse manuscripten van het Nieuwe Testament die uiterst zorgvuldig zijn gedocumenteerd en ook een aantal belangrijke codices (‹manuscripten in een soort boekvorm›). De laatste omvatten soms (‹bijna›) het hele Nieuwe Testament.
Maar hoe was het in de dagen van de eerste concilies, waarop Grieks weliswaar de voertaal was, maar het er inhoudelijk om ging vast te stellen welke boeken al dan niet tot het Nieuwe Testament behoorden. Men sprak van de canon van het Nieuwe Testament, van canonieke en van niet-canonieke boeken, waarbij het niet ging over de vraag in welke taal die boeken waren opgesteld. Vertegenwoordigers van de westerse en de oosterse kerk zaten met elkaar aan tafel, maar elke flank van de kerk had de Bijbel in zijn eigen taal, de westersen in het Grieks en de oostersen in het Aramees. Dat staat mogelijk nergens zo opgetekend, maar hoe kunnen wij anders verklaren dat na de splitsing tussen oost en west op het concilie van Efeze in 421 over de leer van Nestorius, de oosterse flank van de oosterse kerk met de 22 op dat moment erkende boeken van het NT ‘naar huis ging’ en de Peshitta het sinds die tijd met die 22 NT-ische boeken heeft moeten doen! De splitsing had niet te maken met de vraag of Grieks of Aramees de grondtaal van het NT was. Oost en West lazen het NT resp. in het Aramees en Grieks, en sommigen hadden misschien de splinternieuwe Latijnse Vulgata al bij zich, die Hiëronymus van Stridon (‹± 347 tot 30 september 420›), maakte tussen 390 en 405, een Bijbelvertaling in alledaagse Latijn, die ruim 1100 jaar later op het Concilie van Trente (‹1545-1563›) door de katholieke kerk tot de enige gezaghebbende tekst werd verklaard. Vanuit Rome ging de Bijbel uit op zijn Latijns, vanuit Constatinopel op zijn Grieks en vanuit Edessa op zijn Aramees. Daarover was geen strijd, dat wij weten.
Maar wel zou het Griekse NT onder deze drie de grootste invloed op het Bijbelvertaalwerk hebben, naast het drie keer zo grote Hebreeuwse Oude Testament.
De oosterse kerk beschouwt echter het Nieuwe Testament van de Peshitta als de door God geïnspireerde tekst en het heeft de Aramese Peshitta van het Nieuwe Testament sinds het begin van de 4e eeuw n. Chr., sinds het concilie van Efeze als een vaste en uniforme tekst van 22 boeken in haar bezit.
Wij merken nog op dat recente verklaringen van de World Council of Arameans er de voorkeur aangeeft om te spreken van’Aramees’ in plaats van ‘Syriac’‘.
Het wordt nu tijd om de manuscripten en tekst van de Peshitta nader onder de loep te nemen, maar voordat wij daarmee beginnen willen wij eerst nog aandacht schenken aan een aantal andere Aramese versies van het Nieuwe Testament die in het Midden-Oosten, m.n. in Syrië, Libanon en een deel van Irak bekendheid kregen.
II. DE VERSCHILLENDE ARAMESE VERSIES
van het NIEUWE TESTAMENT
Hieronder zullen wij de verschillende versies van het Nieuwe Testament of van teksten en delen van het Nieuwe Testament in het Aramees bespreken. Met inbegrip van de Peshitta zijn er zes versies van het Nieuwe Testament in het Aramees. In dit deel II bespreken wij daarvan de vier nl.:
A. De Diatessaron van Tatianus
B. De Oud-Syrische Evangeliën genaamd ‘Vetus Syra’ (‹Old Syriac›) - een vertaling vanuit het Grieks naar het Oud-Syrisch of Aramees. Deze bevat de vier Evangeliën, maar niet de complete tekst. Hiervan zijn twee manuscripten nl. de Curetoniaanse Evangeliën (‹begin 4e eeuw›) (‹syc›) en de Sinaï Palimpsest (‹einde 4e eeuw›) - (‹sys›).
C. Philoxeense evangeliën, een vertaling van de 4 Evangeliën vanuit het Grieks door Philoxenus (‹ook wel Xenaias genoemd›), bisschop van Mabbug, dat is Manbij zoals de stad in het Arabisch wordt genoemd (‹± 100 km ten noordoosten van het huidige Aleppo›), rond 508 n. Chr. en het Harkleense Nieuwe Testament (‹Syh›), een letterlijke vertaling uit het Grieks door Thomas van Harqel, dat hij ± 616 n. Chr. voltooide, waarbij hij voortbouwde op de 4 Philoxeense Evangeliën.
D. De moderne Assyrische Versie, een nieuwe vertaling van het Nieuwe Testament en de Psalmen vanuit het Grieks naar het modern Assyrisch ofwel Neo-Aramees, gepubliceerd in 1997 door het Libanese Bijbelgenootschap. Deze uitgave zou ook begrijpelijk zijn voor sprekers van het Chaldeese Neo-Aramees.
Afgezien van de vier voornoemde versies, zijn er ook fragmenten behorende tot de ‘Christian Palestinian Aramaic Lectionary’ (‹een ‘lectionarum’ is een geschrift waarin Bijbelteksten voorkomen›) zoals die gevonden zijn in de Codex Climaci Rescriptus, de Codex Sinaiticus Rescriptus, en in latere ‘ lectionary codices’ (‹Vatican sir. 19 [A]; St Catherine’s Monastery B, C, D›). Deze laten wij echter buiten onze bespreking.
Na de bespreking van deze vier zullen wij overgaan tot de bespreking van de Aramese Peshitta.
A. De Diatessaron
De Diatessaron (‹=één door vier›), διὰ τεσσάρων εὐαγγέλιον (‹tò dià tessárōn euangélion, letterlijk. ‘het evangelie door vier’›), is een harmonie van de vier evangeliën, die door Tatianus zouden zijn samengesteld in de 2e helft van de 2e eeuw. Gegevens over het leven en werk van Tatianus zijn ons bekend uit zijn boek ‘Oratio ad Graecos’ en door de kerkelijke leider Irenaeus die leefde van ± 130-202 n. Chr. en ook door andere kerkvaders.
Tatianus was afkomstig uit het land van de Assyriërs, volgens Frederic Kenyon uit het dal waar de rivier de Eufraat doorloopt. Hij was waarschijnlijk uit een vermogende familie, omdat hij naar Griekenland en later naar Rome kon reizen. Tatianus raakt in Rome onder de indruk van het christelijk geloof, maar het lijkt vooral beperkt gebleven te zijn tot een verstandelijke overtuiging en men twijfelt er aan of er ooit sprake is geweest van een werkelijk bekering en of hij de genade van God voor de zondaar in Jezus Christus ten volle heeft leren kennen.
Tatianus was een volgeling van Justinus de Martelaar, die ook uit het oosten kwam en ook een sterk verstandelijke benadering van het christelijk geloof had, al had Justinus er wel zijn leven voor over: hij werd om zijn geloof omgebracht. Na de executie van Justinus begon Tatianus een eigen school in Rome en zag zichzelf vooral als een leraar. Hij lijkt weinig tegenspraak te hebben kunnen dulden en daardoor kwam hij geregeld in conflict met anderen. Ireneaüs weet te melden dat Tatianus zelfs het huwelijk verbood (‹het huwelijk was volgens Tatianus verderfelijk, en ook de lichamelijke omgang van man en vrouw›). Hij raakte verstrikt in een gnostische leer, die hij ook aan anderen onderwees. Adams zonde was volgens Tatianus in Gods ogen onvergeeflijk en Adam zou dus niet gered kunnen worden. Tatianus leerde wezenlijk een weg van zelfverlossing door de zogenaamde ‘kennis van God’. In zo’n ogenschijnlijk verheven en vrome leer past natuurlijk ook een leraar die de leerling zal inwijden. Het is een leer waarvoor Kol. 2:18-23 de gelovigen waarschuwt. Tatianus werd in 172 uit Rome verbannen (‹zie Irenaus: Haer., I., xxviii. 1, Ante-Nicene Fathers, i. 353›). In het westen werd Tatianus vanaf eind tweede eeuw verder als een ketter beschreven.
In de oosterse kerkgeschiedenis wordt er tot in de tiende eeuw alleen in zeer positieve bewoordingen over Tatianus geschreven. Agapius van Hiërapolis, een Arabische christen uit de 10e eeuw, was de eerste in het oosten die Tatianus een dwaalleraar noemde. Michaël, de Syriër (‹12e eeuw›) en Bar-Hebraeus (‹13e eeuw›) hebben Tatianus ook als dwaalleraar aangeduid.
Tatianus keerde na zijn vertrek uit Rome naar Syrië terug en stichtte daar een eigen school. Hij kreeg veel aanhangers in Antiochië, Cilicië en Pisidië. De vraag, wanneer hij de Diatessaron zou hebben samengesteld, in Rome of pas na zijn terugkeer naar Syrië, wordt echter in de historische bronnen niet beantwoord. Wij krijgen op grond van alles wat we gelezen hebben de indruk dat de meeste onderzoekers ertoe neigen om te denken dat hij de Diatessaron in het Syrië geschreven heeft.
Van de door Tatianus samengestelde Diatessaron zijn er geen oorspronkelijke historische manuscripten overgeleverd en zodoende is er onzekerheid ten aanzien van het antwoord op de vraag in welke taal deze oorspronkelijk geschreven was. Kenyon oppert dat als de Diatessaron geschreven en samengesteld zou zijn, voordat Tatianus uit Rome werd verbannen, dat deze dan waarschijnlijk in het Grieks geschreven zou zijn, maar als hij deze pas na zijn terugkeer naar Syrië geschreven zou hebben, dan zou Aramees als oorspronkelijke taal meer voor de hand liggen. De tekst van de Diatessaron bevat volgens George Foot Moore - die rond 1890 een Arabische versie van de Diatessaron onderzocht die berustte op een samenvoeging van twee manuscripten - ongeveer 75% van heel de tekst van de vier Evangeliën, en daarom wordt de Diatessaron gezien als een belangrijk document en getuige van de tekst van het Nieuwe Testament. Maar de teksten van de vier Evangeliën zijn wel door elkaar gebruikt en de volgorde van de teksten is ook anders dan wij nu gewend zijn. Het is een Evangeliën-harmonie, maar die harmonie is niet volledig.
Vanwege (‹1›) de naam ‘Diatessaron’ neigt men soms tot de mening dat de oorspronkelijke taal ervan Grieks was en ook vanwege (‹2›) de vondst van één piepklein 14-regelig Grieks fragmentje, het zgn. Dura-fragment, met de tekst betreffende de vraag van Jozef uit Ramta (‹of: Arimatea›) aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus Christus van het kruis mocht afnemen en begraven, Mt. 27:56-57, Mk. 15:40, 42, Lk. 23:49, 50, 51 en Jh. 19:38, een fragment waarvan men aanneemt dat de tekst ervan onderdeel was van de Diatessaron.
Maar wat betreft het eerste punt, de naam ‘Diatessaron’, dient gezegd te worden dat er tegenwoordig onderzoekers zijn, die de naam ‘Diatessaron’ niet meer zien als de oorspronkelijke titel van deze Evangeliënharmonie, want de naam kan er later eenvoudig aan zijn toegevoegd m.n. in Europa.
En wat het tweede punt betreft, de Griekse tekst van het Dura-fragment dat in Syrië werd gevonden, zegt men o.i. terecht dat dit geen bewijs is voor een Grieks origineel van de Diatessaron, omdat het plaatsje tenslotte een legerplaats was, waar soldaten gelegerd waren die van heinde en ver kwamen. De soldaten hadden het mogelijk meegenomen naar deze legerplaats. Het Romeinse legerplaatsje met een synagoge, waarin een Aramese tekst met een jaartal ergens op de muur werd aangetroffen en een christelijke kerk met een doopvont, werd in 256 n. Chr. verwoest. De vondst van het fragment vond rond 1930 plaats in Dura aan de Eufraat, ten zuidoosten van Deir-Zor, in de uiterste noordoostelijke hoek van Syrië. Het wordt Uncial 02120 genoemd in de classificatie van Nestle-Aland, ofwel het ‘Dura Parchment 24’.
Wat ons direct opviel in de tekst van het Dura-fragment, is dat in Lk. 23:50 een Peshitta-lezing van de tekst te vinden is nl. ‘een stad in Judea’, een lezing die in geen enkel Grieks NT-manuscript voorkomt. Carl H. Kraeling die het fragment bespreekt, meent dat Tatian Lukas wilde corrigeren, omdat Arimatea geen stad van de Joden meer was (‹hij bedoelt waarschijnlijk na de val van Jeruzalem›) in de tijd dat Tatian de Diatessaron schreef. Maar o.i. was Ramta (‹=Arimatea›) ook in de dagen van apostelen voor de val van Jeruzalem al geen stad van de Joden meer, maar een stad in Juda, zoals de lezing van de Peshitta het vermeld. De vraag of de Diatessaron van Tatianus oorspronkelijk in het Grieks of Aramees geschreven is, blijft door de vondst van het Dura-fragment onbeantwoord, en ook is het maar de vraag in hoeverre dit Dura-fragment representatief is voor de tekst van de Diatessaron die door Tatianus werd samengesteld.
Uit diverse bronnen meent men te weten dat de Diatessaron in de 3e, 4e en begin 5e eeuw zeer gangbaar was of zou zijn geweest in Syrië, ook in de stad Edessa. Edessa was het centrum van de Aramese literatuur en van de Aramese christenheid. Edessa is het tegenwoordige Urfa in zuidoost Turkije, dat tot in de 7e eeuw een Romeinse kolonie was. Rabbula van Edessa (‹350-435 n. Chr.›) (‹Aramees: ܪܒܘܠܐ ܕܐܘܪܗܝ, Rabbula d’Urhoy›) werd geboren in Kenneshrin, vlakbij Aleppo en hij stierf in Edessa omstreeks 435 n. Chr. Zijn vader was een heidense priester, maar zijn moeder was een christin. Rabbula van Edessa bekeerde zich tot het christendom, nadat hij in contact kwam met Eusebius, de bisschop van Kenneshrin, en met Acasius, de bisschop van Aleppo. Men schrijft dat hij na zijn bekering monnik werd ten koste van zijn huwelijk en gezin, want hij ging van vrouw en kinderen weg. Wij lezen in de bronnen niet dat zijn vrouw er niet in bewilligde dat hij christen werd. Overigens was een priester in de oosterse kerk niet verplicht om ongehuwd te blijven.
In het jaar 411 volgde Rabbula van Edessa zijn voorganger Diogenes op als bisschop van Edessa tot aan zijn sterfjaar 435. Als bisschop werd Rabbula van Edessa gekenmerkt door zijn strakke ascese, het opkomen voor de armen in zijn gebied en door zijn discipline als priester. Hij speelde een prominente rol binnen het Syrische/Aramese christendom. Tijdens het Concilie van Efeze in 431 pleitte hij voor de Alexandrijnse leer van Cyrillus van Alexandrië, met wie hij bevriend was. Tijdens dat concilie werd het zgn. Nestorianisme veroordeeld in een hevige strijd over de twee naturen van Christus, nl. zijn God-zijn en zijn Mens-zijn.
Lange tijd werd aangenomen dat Rabbula van Edessa verantwoordelijk was voor de totstandkoming van het Oude en Nieuwe Testament van de Peshitta (‹zie Francis Crawford Burkitt, Early Eastern Christianity, pg. 57›), totdat onderzoek van Arthur Vööbus (‹1909-1988›) aantoonde dat de Peshitta al lang vóór Rabbula van Edessa bestond! (‹zie Arthur Vööbus: ‘Investigations into the Text of the New Testament used by Rabbula of Edessa’ Series: Syriac Studies Library, pg. 38›). Vööbus wijst op de canonieke structuur van de Peshitta als doorslaggevend argument voor het bestaan van de Peshitta vóór het concilie van Efeze in 421, want de Peshitta wordt wat betreft het NT, gevormd door de 22 NT-ische boeken, een aantal dat samenhangt met het scheiden van de wegen van de westerse en oosterse kerk op dat concilie. Deze boeken, alsmede die van het OT, bestonden dus al in 431 n. Chr. toen het concilie van Efeze plaatsvond.
Het onderzoek van Arthur Vööbus’ toonde verder aan, of zou verder hebben aangetoond dat de 40 teksten uit de Evangeliën, die door Rabbula van Edessa bij zijn vertaling van de in het Grieks geschreven verhandeling van Cyrillus van Alexandrië getiteld ‘De recta fide’ (‹‘Over het rechte/orthodoxe geloof’›) in het Aramees werden weergegeven, slechts deels overeenstemden met de tekst van de Peshitta. Anderen echter bestrijden dat, en hun onderzoek toont aan dat een aanzienlijk deel, zeker 40%, wel overeenstemt met diezelfde teksten in de Peshitta. Vööbus meent dat Rabbula van Edessa zijn vertaling van ‘De recta fide’ na 431, na het concilie van Efeze schreef, ten eerste omdat Rabbula op het concilie nog bij de aanhangers van Johannes van Antiochië leek te horen en pas na het concilie zijn houding veranderde en meer toenadering zocht tot de Cyrillus van Alexandrië, en ten tweede omdat hij de verhandeling van Cyrillus ontving met een briefje erbij, waarin Cyrillus nadrukkelijk verklaart dat hij de verhandeling na het concilie van Efeze schreef.
Men meent dat Rabbula van Edessa een eigen set had van de vier Evangeliën van het ‘Evangelion Da-Mpharshe’ (‹Evangelie van de Afzonderlijke (‹evangelisten›)›). In ieder geval kunnen dat niet de vier bekende zgn. Rabbula evangeliën zijn geweest, die aangetroffen werden in een Syriac ms. (‹manuscript›), dat in 586 met de hand werd geschreven (niet vertaald) door een onbekende Rabbula, en dat nu in Florence is (‹Bibl. Mediceo-Laurenziana, Pluteus I,56›), voorafgegaan door een belangrijke set van illustraties (‹f. 1r–14v›), met een colofon (‹f. 292r–v›) dat de naam geeft van de schrijver, nl. Rabbula, een man die verder onbekend blijft, en van degenen die aan de totstandkoming van het manuscript hebben meegewerkt, maar de namen van de personen die de ‘miniaturen’ of illustraties hebben verzorgd worden weggelaten. De datum van het manuscript is februari 586 n. Chr. en de plaats waar het manuscript vandaan komt, is het klooster van Beth Mar Yuḥanon uit Beth Zagba. Dit klooster bestaat niet meer, maar het was waarschijnlijk gelegen in het gebergte van Riḥa, ± 50 km ten noorden van Apamea in Syrië (‹zie Mundell Mango 1983›), een plaatsje dat zo’n 100 km landinwaarts ter hoogte van de havenstad Latakia ligt. De hele tekst van deze Rabbula-Evangeliën is die van de Peshitta.
Rabbula van Edessa was een fel tegenstander van Nestorius en van de groeiende school van diens volgelingen. In opdracht van Rabbula van Edessa en van bisschop Theodoretus van Cyrrhus, 70 km ten noordwesten van Aleppo (‹393 tot ± 460›, werden ongeveer 200 exemplaren van de Diatessaron, die bekend stond als het ‘Evangelion Da-Mkhaltey’ (‹ܐܘܢܓܠܝܘܢ ܕܡܚܠܛܐ›), (‹het Evangelie van de Gemengde (‹evangelisten›)›), uit de roulatie genomen, met name omdat daarin naar hun mening Nestoriaanse ‘trekjes’ voorkwamen, om die te vervangen, naar men meent, door de uitgave van het ‘Evangelion Da-Mpharshe’ (‹ܐܶܘܰܢܓܶܠܺܝܽܘܢ ܕܰܡ̈ܦܰܪܫܶܐ›). Het is om deze reden natuurlijk ook niet zo vreemd dat er van de Diatessaron uit die dagen geen enkel exemplaar is overgebleven.
Theodoretus schreef in zijn boek getiteld ‘Haereticarum fabularum compendium’ d.w.z. ‘Compendium van ketterijen’ over het werk van Tatianus, de samensteller van de Diatessaron: “Tatianus, de Syriër, stelde ook het Evangelie samen dat ‘Diatessaron’ genoemd werd, waarbij hij de geslachtsregisters wegliet en ook andere passages die aantonen dat de Heer uit het zaad van David geboren was, wat betreft zijn vleselijke afkomst.”
Wij hebben inmiddels vastgesteld dat Rabbula van Edessa, naar men meent, overwegend gebruik zou hebben gemaakt van de vier evangeliën die bekend zijn geworden onder benaming ‘Vetus Syra’ en onder de naam ‘Evangelion Da-Mpharshe’ (‹het Evangelie van de Afzonderlijke (‹evangelisten›)›), en die wij hierna onder ad B. zullen bespreken. Hoewel volgens Burkitt deze benaming zowel voor de op het Grieks gebaseerde vertalingen van de vier Evangeliën als voor de vier Evangeliën die onderdeel waren van de Peshitta gebruikt kon worden, is echter de toepassing van de term ‘Evangelion Da-Mpharshe’ op de Evangeliën van de Peshitta nergens terug vinden. Daarom gebruiken wij deze term alleen in verband met de Oud-Syrische Evangeliën die uit het Grieks zijn vertaald, die door Rabbula van Edessa na de vernietiging van de Diatessaron in gebruik zouden zijn genomen.
Een belangrijke vondst die tot meer zekerheid leek te leiden over de vraag of de Diatessaron nu wel of niet werkelijk in de oudheid heeft bestaan - er waren immers geen overtuigende manuscripten van gevonden - was de ontdekking van wat naar men meende een commentaar op de Diatessaron was geschreven door Ephraïm de Syriër (‹306-373 n. Chr.›), hoewel de naam ‘Diatessaron’ nergens in zijn commentaar voorkomt! Ephraïm was geboren in Nisibis (‹Nusaybin in het huidige Turkije›). In Nisibis raakte hij betrokken bij de kerk en hij werd oprichter van de zgn. school van Nisibis, een invloedrijk en bekend christelijke opleidingsinstituut, en later was hij werkzaam in Edessa. Tot ergens tussen 1950-1960 was het commentaar van Ephraïm alleen beschikbaar in een Armeense versie die voor het eerst begin 19e eeuw werd gepubliceerd. In die tijd kreeg Alfred Chester Beatty, die al een hele collectie met belangrijke en kostbare bijbelse geschriften (‹papyri›) had verzameld, een manuscript in zijn bezit dat een belangrijk deel van het Aramese geschrift van Ephraïm bevatte. Dit werd in 1963 gepubliceerd door Dom Louis Leloir, die ook al een kritische editie van de Armeense versie had geschreven in 1953, en ook nog eens een Latijnse vertaling ervan in 1954. Van hetzelfde Aramese manuscript werd in 1966 in Barcelona opeens een andere verdwaalde versie gepubliceerd. En nog verbazender, in 1984 kreeg de Chester Beatty Library nog eens 5 folio’s in bezit en nog weer eens 36 folio’s in 1986, alle van de Aramese tekst van het commentaar van Ephraïm, de Syriër, dat is de Arameeër, want zo noemde hij zichzelf. Daarmee is ongeveer 80% van de oorspronkelijke codex gereconstrueerd en beschikbaar geworden. Een kritische editie met een Engelse vertaling is in 1993 gepubliceerd onder de naam: Saint Ephrem’s Commentary on Tatian's Diatessaron: An English Translation of Chester Beatty Syriac MS 709 with Introduction and Notes, van de hand van Carmel McCarthy.
Ephraïm, de Arameeër is vooral bekend geworden om zijn vele ‘hymnes’ of geloofsliederen. In zijn ‘Hymnes tegen dwaalleren’ gebruikte hij kleurrijke en beeldende taal om de vleeswording van Christus te beschrijven als ten volle goddelijk en ten volle menselijk. Hij brengt naar voren dat de eenheid van mensheid en goddelijkheid in Christus staat voor vrede, volmaaktheid en redding.
Het voornoemde commentaar van Ephraïm, de Arameeër, dat dus pas vrij recent boven water kwam, was destijds in omloop gebracht door de zogeheten ‘vaders’ van de Mechitaristen in Venetië. Het commentaar gaf, naar men meende, zowel het bestaan als de aard van de Diatessaron met zekerheid aan. Zijn publicatie was echter in het Aramees en kreeg daarom geen grote bekendheid, zelfs niet toen er in 1876 een Latijnse vertaling van kwam van de hand van Moesinger.
Ephraïm schreef uitsluitend in het Aramees. Hij sprak van ‘het Aramees’, van ‘Aram’ en van ‘Arameeër’ als hij het over zijn eigen taal, land en landgenoten had. Hij gebruikte niet de aanduiding ‘Syrisch’ voor de taal, of ‘Syrië’ en ‘Syriërs’ voor het land en de inwoners, aanduidingen die vooral door mensen van buitenaf vanuit de Grieks-Romeinse wereld gebruikt werden. Dit is erg interessant omdat wij weten dat de Peshitta geregeld spreekt van de Arameeër, terwijl het Griekse Nieuwe Testament slechts een enkele keer spreekt van de Syriër, en verder alleen over Grieken. Wat een Griek is in het Griekse NT, is geregeld een Arameeër in de Aramese Peshitta. Kennelijk lijkt er een zekere etnische gevoeligheid in het Griekse NT te zitten omdat daar geen enkele keer het woord ‘Arameeër’, ‘Aram’ (‹alleen als eigennaam in Mt. 1:3, 4›) of ‘Aramees’ voorkomt.
Zeer belangrijk is dat Ephraïm zelf in zijn werk nergens noemt dat zijn aanhalingen, citaten, uit de zgn. Diatessaron komen, integendeel hij spreekt ervan dat hij eenvoudigweg de Evangeliën bespreekt en aanhaalt. Er is hierdoor o.i. opnieuw grote onzekerheid over de vraag of er werkelijk zoiets als een ‘Diatessaron’ van Tatianus is geweest. Een vraag die niet alleen ons, maar ook anderen bezighoudt. We komen er in onze bespreking nog op terug.
Ephraïm, de Arameeër, was overigens niet enige Arameeër onder de zgn. ‘kerkvaders’ die Aramees spraken, lazen en schreven, en die ons mogelijk informatie zouden kunnen geven over de zgn. ‘Diatessaron’, het onderwerp waar we ons in verdiepen. We geven een korte opsomming van deze voor ons onderwerp belangrijke Arameessprekende en schrijvende personen uit de tijd van het ontstaan en in omloop zijn van de Diatessaron:
1. Ephraïm, de Arameeër (‹306 - 373 n. Chr.›) - zie hiervoor.
2. Aphrahat, de Pers, (‹± 280–c. 345›). Zo schrijft men zijn naam in het Aramees ܐܦܪܗܛ, zo in het Perzisch: فرهاد, zo in het Arabisch: أفراهاط الحكيم, zo in Oud-Grieks: Ἀφραάτης, en zo in het Latijn ‘Aphraates’. Hij werd wel de ‘wijze Pers’ genoemd: ܚܟܝܡܐ ܦܪܣܝܐ, ḥakkimā pārsāyā. Aphrahat trad ook op buiten de grenzen van het Oost-Romeinse rijk ten behoeve van de vroege kerk. De naam Aphrahat is de Aramese variant van de Perzisch naam ‘Frahāt’, die tegenwoordig in het Perzisch luidt: Farhād (‹فرهاد›). Aphrahat had mogelijke Perzisch-Joodse voorouders. Hij kwam uit een gezin dat de leer van het Zoroastrianisme aanhing. In de colofon van een manuscript dat gedateerd is in 510, wordt hij vermeld met de naam ‘Jakob’ wat mogelijk zijn doopnaam was. Hij is bekend geworden om zijn boek ܬܚܘܝܬܐ, ‘Taḥwîṯâ’, dat hij op latere leeftijd schreef en dat vertaald in het Latijn ‘Demonstrationes’ heet. Het bevat 23 toespraken of preken. In de vijfde van de 23 ‘Demonstrationes’ schrijft hij over het boek Daniël, dat deels in het Aramees geschreven is. Elk boek van de ‘Demonstrationes’ begint met een letter naar de volgorde van het Aramese alfabet.
Aphrahat was asceet en ongehuwd door zijn keuze voor het celibaat en vrijwel zeker een kloosterling. Mogelijk was hij bisschop. Een latere Syrische traditie meldt dat hij het hoofd was van het Mar Mattai Klooster bij Mosul, in wat nu Noord-Irak is. Hij was enigszins een tijdgenoot van Ephraïm, de Arameeër.
Het Oude Testament citeert hij uit de Peshitta, maar voor de Evangeliën zou hij de Diatessaron van Tatianus hebben gebruikt, maar ook hij noemt nergens de naam ‘Diatessaron’, zodat het de vraag is of de aanhalingen niet uit de Peshitta komen.
A.S. Marmardji (‹1935›), leraar aan de Franse ‘École Biblique et Archéoloqique’ in Jeruzalem, schrijft in zijn uitgebreide en gedegen studie ‘Diatesaron de Tatien’ dat tachtig procent van de Diatessaron afkomstig is uit de Peshitta, waarbij nog komt dat de citaten vaak vrij, en niet woordelijk worden gegeven. Het is ook onze indruk dat de Peshitta-tekst het fundament is waarop de zgn. Diatessaron is gebouwd en het ‘arsenaal’ waaruit deze put. Een opmerkelijk voorbeeld is Mt. 25:1 waar de Griekse tekst van het NT spreekt van ‘tien maagden die de bruidegom tegemoet gaan’, terwijl de Peshitta spreekt van ‘tien maagden die de bruidegom en de bruid tegemoetgaan’, een unieke Peshitta lezing. In de Arabische ‘Diatessaron’ fragmenten zoals die door Marmardji in zijn publicatie zijn gedocumenteerd, treffen wij op pg. 411, Diatesaron. XI-111. 9-25 in Mt. 25:1 ook de bruidegom en de bruid samen aan. Marmardji schrijft ook dat de ‘Diatesarion’ van Ibn-Tayyib, (‹we komen nog op deze Ibn-Tayyib terug›) waarvan hij gebruik maakt voor zijn publicatie, eerder een zelfgemaakte harmonie van de Evangeliën is dan dat het een vertaling van een werk dat de ‘Diatessaron’ zou zijn. Marmardji schrijft hierover op pg. XCII - Inr. Chap. IV. uit de pen van een koptisch christen die na Ibn-Tayyib leefde, citeert Mamardji: “A ses yeux, Ibn at-Tayyib, comme les devanciers et comme lui, n’est rien qu’un auteur d’une harmonie des Evangiles en langue arabe. Témoins les expressions qu’il emploie à ce propos. Il dit d’abord de lui -même: «جمعت منها انجيلاَ واحدًا» - d.w.z. ‘J’en (‹=des Evangiles›) ai colligé un seul Evangile’. Au sujet de ses devanciers, il ajoute, dans le même sens: «وقد تقدمني في ذلك جماعة من الأفاضل», d.w.z. ‘Et m’avaient devancé en cela (‹=oeuvre d'harmonisation›) un groupe d’excellents personnages.’ Enfin, touchant Ibn at-Tayyib, qu’il nomme en personne, il use de cette expression : «فلمَّا وقفت على الانجيل الذي جمعه» » Et quand j’eus vu de près l’Evangile qu’il avait colligé.’ Deze karakterisering van het werk van Ibn at-Tayyib duidt erop dat in zijn besef Ibn-Tayyib net als hijzelf niet een vertaling van de zgn. Diatessaron maakte, maar zelfstandig een eigen, enkele Evangelieharmonie maakte,
In 1880 deed Dr. Ezra Abbot een oproep tot meer onderzoek wat leidde tot de ontdekking van twee Arabische versies van de Diatessaron, één in Egypte en één in het Vaticaan in Rome in 1877. Uiteindelijk werd ook de versie uit Egypte naar het Vaticaan overgebracht en bewerkt door Ciasca in 1887. Zijn verslag met de Latijnse tekst van zijn vertaling en de Arabische tekst van het origineel heeft als titel: Tatiani Evangelioru Harmoniae Arabice, Nunc Primum, Ex Duplici Codice Edidit et Translatione Latina Donavit, P. Augustinus Ciasca, ord. fremit. s. augustini, Bibliothecae ap. Vaticanae.
Op de website van Sephr Mohamadi (‹ http://sepehr.mohamadi.name›), een Iraanse ingenieur met grote interesse in de Bijbel en oude geschriften staan een digitale versie van een Arabische Diatessaron en een Perzisch Diatessaron. Hierin zijn ons bij een eerste onderzoek twee belangrijke dingen opgevallen nl. deze:
a. de Arabische Diatessaron is in de 11e eeuw vanuit het Aramees naar het Arabisch ‘vertaald’ (‹zie hiervoor A.S. Marmardji: geen vertaling maar een eigen Evangelieharmonie›) door Abū al-Faraj ʿAbd Allāh Ibn al‑Ṭayyib al-ʿIrāqī. Voor zijn biografische gegevens zie: https://gedsh.bethmardutho.org/Ibn-al-Tayyib
Hij was een enorm productief en geleerd man. Bij een een vluchtige blik door enkele bladzijden van het document, blijkt de vertaling duidelijk lezingen te hebben die alleen in de Peshitta voorkomen, b.v. in Lk. 1:37, 72 en 75. De lezingen van deze verzen in de Peshitta wijken duidelijk af van alle Griekse manuscripten. Dit betekent dat deze Diatessaron in ieder geval ook gebaseerd is op de tekst van de Peshitta, zoals dat al is vastgesteld door Lamsa. Hij schrijft: “Intern bewijs van de Arabische vertaling van de Assyrische (‹=Aramese›) Diatessaron (‹de enige versie van de ‘Diatessaron’ die nog bestaat, maar dan vertaald naar een Semitische zustertaal, nl. Arabisch›), toont heel duidelijk aan dat de Diatessaron-tekst afkomstig is van de Peshitta. Als dit inderdaad het geval is dan is de ontstaanstijd van de Peshitta beslist niet later dan 175 n. Chr. Dat is tamelijk indrukwekkend, als we in aanmerking nemen dat het Nieuwe Testament naar algemeen wordt aangenomen rond 100 n. Chr. voltooid werd!” (‹ zie https://www.superbook.org/LAMSA/FAQ/peshitta_old_syriac.htm›)
b. de Perzische Diatessaron uit de 13e eeuw is van Izzidin Johannes met een Italiaans vertaling uit 1951 door Giuseppe Messina. Deze publicatie toont een voorblad van het origineel met een korte Perzische inleiding waaronder een afbeelding van de originele tekst waarop de Perzische vertaling van Izzidin Johannes is gebaseerd. De originele tekst onder het voorwoord is geschreven in het Aramees in Estrangelo schrift. Zie ook P. Joosse, “An introduction to the so-called Persian Diatessaron of Iwannis ‛Izz al-Din of Tabriz: the testimony of John 2:1-11 (‹the Wedding at Cana›).’ Een ander Perzische Diatessaron werd geschreven door Yahyā Ibn Ayvaz-e Tabrīzī-ye Armani. Voor ons is het belangrijkste in het kader van dit artikel, dat met de hier genoemde Perzische Diatessaron een Aramees origineel verbonden is.
We noemen ten slotte nog twee andere vondsten m.b.t de Diatessaron:
a. in het midden van de zesde eeuw werd de Codex Fuldensis gevonden. De Codex Fuldensis is het oudste bewaarde voorbeeld van een diatessaron, die geschreven werd in het Latijn in opdracht van Victor, de bisschop van Capua, in 547. Dit Latijnse Diatessaron werd vervolgens in 745 door Bonifatius aan de abdij van Fulda geschonken, waar het tot op vandaag bewaard wordt. Victor zegt in zijn voorwoord dat zijn Evangeliënharmonie gebaseerd is op het diatessaron van Tatianus, maar de studie van het manuscript uit Fulda heeft aangetoond dat de bijbelteksten die Victor gebruikte, een mooi voorbeeld zijn van een vroege Vulgata editie. De teksten zijn door Victor dus uit de Vulgata genomen, wat heel begrijpelijk is, maar daardoor heeft de Codex Fuldensis geen betekenis als het gaat over de vraag welke bijbeltekst Tatianus in zijn uitgave gebruikte. Wel werd het een belangrijk document m.b.t. de tekst van de Latijnse Vulgata. De Codex bevat trouwens heel de ‘Diatessaron’ van de 4 Evangeliën, maar ook de overige 23 boeken van het Nieuwe testament incl. het boek Openbaring en verder het Nieuwe Testament, en ook de apocriefe brief aan Laodicea. De Evangeliën zijn geordend naar het voorbeeld van de zogenaamde Diatessaron van Tatianus en worden voorafgegaan door een lijst met een indeling in secties van de 4 Evangeliën als een harmonie en samenvatting van de inhoud ervan, die onveranderd gekopieerd is uit de Oud-Latijnse bron. In deze bron ontbrak het zgn. geslachtsregister of de stamboom van Jezus, maar die is door bisschop Victor alsnog toegevoegd. De passage van de overspelige vrouw in Jh. 8 stond wel in de Oud-Latijnse brontekst.
b. het Luikse Diatessaron (‹Diatessaron Leodiense›) of het Luikse leven van Jezus is een diatessaron, een vorm van een evangeliën-harmonie. Het handschrift is geschreven in de periode 1275–1300 en wordt sinds 1824 bewaard in de bibliotheek van de Universiteit van Luik. De tekst bestaat uit 245 hoofdstukken en bevat een doorlopende vertelling van het ‘Leven van Jezus’, vanaf zijn geboorte tot en met zijn dood, opstanding en hemelvaart. De tekst is gebaseerd op de vier canonieke evangeliën en heeft een chronologische volgorde waarbij de vier evangelisten elkaar als zegsman afwisselen.
Het manuscript van het Luikse diatessaron is het oudste bewaarde handschrift van een evangeliebewerking in het Nederlands. Van geen enkel ander Nederlands prozawerk van voor 1300 zijn er meer handschriften te vinden. Het Leven van Jezus kende ook een zeer groot verspreidingsgebied van West-Vlaanderen tot Praag.
Op basis van een eigendomskenmerk op het manuscript kan vastgesteld worden dat het in de zestiende eeuw eigendom was van het klooster van de Benedictijnen in Sint-Truiden in de huidige Belgische provincie Limburg. De tekst is ook geschreven in een West-Limburgs dialect. Het is denkbaar dat het handschrift in dit klooster is geschreven, maar dat is niet zeker. Volgens De Bruin zou de auteur van het werk afkomstig zijn uit Brabant of Vlaanderen, en hij stelt dat het werk duidelijk verankerd is in de Brabants-Vlaamse literatuurtaal van de 13e eeuw. Maar de vraag wie de auteur was, is nog steeds onbeslist en er bestaat geen eensgezindheid onder de onderzoekers over de herkomst van het werk.
Omdat alle gevonden uitgaven van de Diatessaron, behalve het kleine 14-regelige Dura-fragment, in het Latijns, Armeens, Nederlands en Arabisch van zeer late datum zijn, is het niet duidelijk in hoeverre zij nog de oorspronkelijke tekst vertegenwoordigen, en ook blijft de vraag naar de oorspronkelijk taal van de zogeheten Diatessaron onbeantwoord en zijn er teveel onderlinge verschillen tussen de diverse uitgaven. Tenslotte laat een dergelijke Evangeliënharmonie alle ruimte om de plaatsing van verzen en paragrafen te veranderen en ook is het heel makkelijk om steeds een andere vertaling te gebruiken, b.v. in een andere taal. Dat maakt zo’n uitgave flexibel en bruikbaar onder verschillende omstandigheden en samenstellers kunnen er heel veel kanten mee op.
Maar hoewel wij dat erkennen, menen wij ook dat aan het gewicht van de Arabische Diatessaron, die een vertaling is van een in het Aramees geschreven Diatessaron, niet te vlug voorbij gegaan mag worden, waar onderzoekers toch vlug toe neigen. Met name niet aan het feit dat de in deze Diatessaron gebruikte teksten in hoge mate hun oorsprong blijken te hebben in de tekst van de Aramese Peshitta van het Nieuwe Testament, waarbij wij in aanmerking moeten nemen dat de vertaler echt de vertaler is geweest en niet de samensteller, zoals daar sprake van is geweest bij de Codex Fuldensis waarbij Victor in plaats van de oorspronkelijke teksten de Vulgata teksten invoegde in plaats van de oorspronkelijke teksten.
We herinneren in dit verband ook nog aan de woorden van Lamsa die wij hierboven hebben aangehaald: “Intern bewijs van de Arabische vertaling van de Assyrische (‹=Aramese›) Diatessaron (‹de enige versie van de ‘Diatessaron’ die nog bestaat, maar dan vertaald naar een Semitische zustertaal, nl. Arabisch›), toont heel duidelijk aan dat de Diatessaron-tekst afkomstig is van de Peshitta. Als dit inderdaad het geval is dan is de ontstaanstijd van de Peshitta beslist niet later dan 175 n. Chr. Dat is tamelijk indrukwekkend, als we in aanmerking nemen dat het Nieuwe Testament naar algemeen wordt aangenomen rond 100 n. Chr. voltooid werd!”
In het onderzoek van Francis Crawford Burkitt: “Evangelion Da-Mepharreshe, Volume 2” , pg. 205 lezen wij dat de Diatessaron volgens hem citeert uit het OT van de Peshitta en daarom later tot stand gekomen moet zijn dan het Oude Testament van de Peshitta, dat volgens de algemene opvatting dat het Oude Testament van de Peshitta ergens eind 1e eeuw tot stand gekomen moet zijn door een vertaling van de Hebreeuwse Tenach door Joodse christenen, die mogelijk, aldus Dave Bauscher tegelijkertijd, of vrijwel tegelijkertijd, ook het Nieuwe Testament hebben samengesteld.
James Snapp Jr., een bijbelgeleerde, die bekend staat om zijn grote kennis van de bijbelse manuscripten, zegt dat het onbekend is of de Diatessaron oorspronkelijk in het Grieks of Aramees geschreven is, eenvoudigweg omdat dit document nergens gevonden is en wij alleen uit de geschriften van anderen uit de eerste eeuwen n. Chr.weten dat de Diatessaron van Tatianus in omloop was, m.n. door het werk van Efraïm, de Syriër, d.w.z. de Arameeër. Snapp schrijft dat wij de meest volledige weergave ervan hebben in de Arabische Diatessaron, waarvan wij weten dat die in hoge mate zijn tekst aan het Nieuwe Testament van de Peshitta ontleent. Bijgevolg weten wij de ordening van de Diatessaron-tekst, schrijft Snapp, maar omdat Tatianus van dwaalleringen verdacht werd, werd de tekst zelf aangepast om overeen te stemmen met de Aramese Peshitta en die tekst werd vervolgens in het Arabisch vertaald.
Zover James Snapp, maar waarop baseert hij dat? Want zoals wij hiervoor gezien hebben, spreekt Efraïm, de Arameeër, nergens in zijn werk over de Diatessaron. Kortom er zijn toch wel erg veel vragen over de zogenaamde ‘Diatessaron’!
|
Enkele voorlopige conclusies - ‘de’ Diatessaron lijkt niets anders te zijn dan één van vele Evangeliënharmoniën, - die elk hun tekst uit een bron nemen b.v. uit de Peshitta, de Vulgata of het Grieks, - of uit een mengeling van verschillende bronnen - er zijn vooral Arabische versies van gevonden! Dat lijken vooral ‘strategische zetten’ te zijn geweest voor de verkondiging van het Evangelie, net zoals o.a. de Mt Sinai Arabic Codex 151, het eerste bekende Arabische NT gedateerd op 867 n. Chr. ong. 200 jaar na de ‘strategische zetten’ in een Midden-Oosten dat steeds meer door de islam zou worden overheerst. - uit het voorkomen van Peshitta-achtige tekstweergaven in deze Evangeliënharmoniën kunnen wij afleiden dat de Peshitta er in de 2e helft van de 2e eeuw al was. |
B. De Oud-Syrische (‹=Aramese›) Evangeliën (‹‘Old Syriac’›)
De Oud-Syrische Evangeliën (‹Old Syriac›) die bekend staan als ‘Evangelion Da-Mpharshe’ (‹ܐܘܢܓܠܝܘܢ ܕܡܦܪܫܐ›) d.w.z. ‘Het Evangelie van de verschillende (‹Evangelisten›)’, staan bekend als de ‘Vetus Syra’ en deze ‘Vetus Syra’ zou ergens tussen de 2e en 4e eeuw tot stand zijn gekomen als het werk van diverse vertalers en er zouden in de loop van de tijd een aantal revisies zijn geweest om de tekst meer overeenkomstig het Grieks te krijgen. Het origineel, zo zegt of meent men, is kwijtgeraakt, maar wij zouden beschikken over twee (‹niet geheel complete›) manuscripten die de verschillende stadia van de revisies vertegenwoordigen, nl.:
Volgens David Bauscher is momenteel de algemeen aanvaarde zienswijze onder academici dat de Peshitta een ‘herziening’ is van de Oud-Syrische Evangeliën, die op hun beurt een vertaling zijn van het Grieks. Op de website https://syriacorthodoxresources.org is deze opvatting te vinden die als volgt wordt verwoord door George Kiraz (‹Ph.D›):
“Het Oud-Syrisch staat in het Aramees bekend als Evangelion Da-Mpharshe, wat ‘Evangelie van de Afzonderlijke [Evangelisten]’ betekent, om het te onderscheiden van de Diatessaron, ‘Evangelie van de Gemengde [Evangelisten]’. Deze vertaling werd ergens tussen het einde van de 2e eeuw en het begin van de 4e eeuw door verschillende vertalers gemaakt. Het was geen letterlijke vertaling, maar een tamelijk vrije vertaling vanuit het Grieks. Gedurende een lange periode vonden er diverse herzieningen plaats die het Oud-Syrisch (‹redactie EBV: ‘Oud-Aramees’›) dichter bij het Grieks brachten. De oorspronkelijke vertaling van het Oud-Syrisch is verloren gegaan, maar we beschikken over twee onvolledige manuscripten die twee verschillende stadia van de herzieningen vertegenwoordigen: de Sinaïticus-palimpsest en het Curetoniaanse manuscript.
In tegenstelling tot de Diatessaron was de Oud-Syrische tekst onbekend bij wetenschappers, laat staan bij de Syrische kerk zelf, tot de ontdekking van twee manuscripten.
Het Curetoniaanse manuscript werd onder andere verworven door het British Museum en bereikte vanuit de Nitriaanse woestijn in Egypte zijn nieuwe thuis op 1 maart 1843. Enkele andere pagina’s arriveerden in Engeland en Berlijn in de vorm van schutbladen om de banden van andere manuscripten te verstevigen. De oorspronkelijke thuisbasis van het manuscript is Deir as-Surian, ‘Klooster van de Syriër’, in Egypte. William Cureton, destijds assistent-conservator van de manuscripten in het British Museum, ontdekte dat het boek ‘lezingen van vóór de Peshitto’ bevatte. Hij meende dat hij ‘dezelfde termen en uitdrukkingen had ontdekt die de apostel zou hebben gebruikt’, een toch wel erg voorbarige conclusie, zoals we hierna zullen zien. Het interessantste kenmerk van het Curetoniaanse manuscript was de ongebruikelijke volgorde van de evangeliën: Mattai, Marcus, Johannes en Lucas, waarbij Lucas na Johannes op dezelfde pagina staat.
Aanvankelijk was deze uitgave van de Evangeliën niet zo bekend, zodat de Diatessaron het aan bekendheid won, maar toen deze twee manuscripten in de 18e eeuw gevonden werden, veranderde dat Hieronder geven wij de gegevens van het Curetoniaanse manuscript (‹Syc›) en het Sinaïtische manuscript (‹Sys›).
|
ad a. |
dit zgn. Curetoniaanse manuscript (‹Syc›) kwam door de hoofddiaken Tattam van het klooster ‘Deir as-Surian’ in 1843 in de British Library en is te vinden onder Add 14451. Tattam nam een hele reeks Aramese manuscripten mee uit ‘Deir as-Suriyan’, het Syrische klooster van Maria Deipara, in Wadi Natroen in Beneden-Egypte, en daaronder bevond zich het manuscript dat nu het Curetoniaanse manuscript heet. William Cureton, medewerker van de afdeling voor de manuscripten in het Brits Museum, meende ontdekt te hebben dat de nieuwe aanwinst van het museum lezingen bevatte die ouder waren dan de manuscripten van de Peshitta en hij meende dat hij a.h.w. de woorden van de apostelen zelf gevonden had. Cureton dateerde het manuscript in de 5e eeuw. De tekst op zich was mogelijk al langer in omloop. Het manuscript was geschreven in Estrangelo schrift (‹niet in Hebreeuws schrift›) zonder klinkertekens. In 1872 liet William Wright van de Cambridge Universiteit er een honderdtal exemplaren van drukken: ‘Fragments of the Curetonian Gospels’, (‹London, 1872›), maar zonder vertaling of notities ter toelichting. Fragmenten die als losse bladen samengebonden zijn in de Syrische Codex in Berlijn, waren eens onderdeel van het Curetoniaanse manuscript en vullen enkele hiaten ervan aan. Dit manuscript is te vinden onder ‘Curetonian Syriac (‹Syrc›) in de British Library, Het wordt gewoonlijk gedateerd begin 5e eeuw tussen 400 en 450 n. Chr. Daarmee is het manuscript ouder dan het oudste manuscript van de Peshitta dat ruim een eeuw later gedateerd is, maar dat wel 22 boeken van het Nieuwe Testament bevat. Het meest opvallende kenmerk van het Curetoniaanse manuscript is de ongewone volgorde van de Evangeliën nl. Mattai, Markus, Johannes en Lukas, waarbij het begin van Lukas op dezelfde bladzijde stond als het slot van Johannes. Het bevat ongeveer de helft van de tekst van de Evangeliën: Mt. 1:1–8:22, 10:32–23:25; Mk 16:17–20; Jh. 1:1–42, 3:6–7:37, 14:10–29 (‹beschadigd›); Lk. 2:48–3:16, 7:33–15:21, 17:24–24:44. Men heeft wel gedacht dat de Curetoniaanse versie een herziening van de Sinaïtische tekst (‹zie ad. b›) was in de richting van het zgn. Byzantijnse teksttype. De Sinaïtische tekst laat b.v. Mk. 16:9–20 weg, terwijl de Curetoniaanse tekst wel Mk. 16:17–20 bevat, terwijl de rest van Markus in Syc ontbreekt. Maar ook wordt wel andersom gedacht nl. dat de Sinaïtische tekst sterker neigt naar het Alexandrijnse teksttype, waardoor men het ook voorstelbaar acht dat deze een herziening van de Curetoniaanse tekst is, welke laatste mogelijk meer invloeden zou vertonen van Antiochië en van het werk van Tatianus, de Diatessaron, terwijl de Sinaïtische tekst meer op Egypte georiënteerd zou zijn. Een ander belangrijk kenmerk van het Curetoniaanse manuscript is dat de vier Evangeliën net zo worden afgesloten als de vier Evangeliën van de Peshitta. De Aramese term voor ‘de andere Verzoener’ in Jh. 14:16 en 1 Jh. 2:1 is in het Curetoniaanse manuscript dezelfde als die in de Peshitta nl. ‘paraq-lita’. En in een kritische editie van de Aramese uitgaven van het boek Openbaring door Martin van de Heide vinden wij in Mattai 25:1 de lezing ‘bruid en bruidegom’, zoals wij die ook vinden in de Peshitta. |
|
ad. b. |
het Sinaïtische manuscript (‹Sys›), dat op verschillende manieren wordt aangeduid: ‘Syriac Sinaiticus’ of ‘Codex Sinaiticus Syriacus’ of ‘Sinaitic Palimpsest’, is een zgn. ‘palimpsest’, die gedateerd wordt rond eind 4e, begin 5e eeuw. Een palimpsest is een perkament waarop een latere schrijver over de eerdere tekst heen een nieuwe tekst schrijft. In dit geval werd in de 7e/8e eeuw een biografie van vrouwelijke heiligen en martelaren over de tekst van de vier Evangeliën heen geschreven. De kostbare perkamenten lagen in die tijd niet voor het oprapen en men diende er goed gebruik van te maken. Het manuscript werd gevonden in de bibliotheek van het Sint-Catharine Klooster in de Sinaï dat vele oude Syrische manuscripten herbergt. Het manuscript is overigens nog steeds in het klooster, maar een kopie ervan is te vinden in de British Library onder (‹syrs›): Sinai, Syr. 30. Het werd in 1892 ontdekt door Agnes Lewis-Smith en haar tweelingzus Margaret Gibson-Smith, twee Schotse weduwen. Zij namen er 400 foto’s van en zonden die naar Cambridge in Engeland, waar de beelden werden ontcijferd door Robert Lubbock Bensly en Francis Crawford Burkitt (‹Cambrigde University en schrijver van ‘Ephrem Syrus’ (‹1904›), ‘Early Eastern Christianity’ (‹1904›), ‘The Religion of the Manichees’ (‹1925›), ‘Church and gnosis’ (‹1932›) ›). Zij kwamen tot de conclusie dat de teksten verwant waren aan het Curetoniaanse manuscript. Er moesten heel wat bezoeken aan het klooster in de Sinaï gebracht worden om heel het manuscript te ontcijferen. Een chemisch middel werd toegepast om de tekst leesbaar te maken, maar dat ging helaas mis. Door Bruce Zuckermann (‹University of Southern California›) en James Charlesworth (‹Princeton Theological Seminary›) zijn er nieuwe foto’s van gemaakt met behulp van de nieuwste fotografische technieken. Het is nog niet duidelijk of er meer zicht komt op nieuwe lezingen. Van de 166 pagina’s van het manuscript waren er 142 bewaard en daarmee was het beter intact gebleven dan het manuscript van William Cureton. Het is de meer complete van de beide hier behandelde teksten en bevat: Mt. 1:1–6:10, 7:3–12:4, 12:6–25, 12:29–16:15, 18:11–20:24, 21:20–25:15, 25:17– 20, 25:25–26, 25:32–28:7, Mk 1:12–44, 2:21–4:17, 5:1–26, 6:5–16:8 (‹zonder het lange of het korte slot›), Lk. 1:36–5:28, 6:12–24:52, Jh. 1:25–47, 2:16–4:37, 5:6–25, 5:46–18:31, 19:40–21:25›). Het Johannesevangelie van de palimpsest bevat dus wel de passage over de overspelige vrouw, een passage die in de Peshitta aanvankelijk ontbrak. De Duitse theoloog Adalbert Merx wijdde veel van zijn latere onderzoek aan de tekst van de Sinaïtische Palimpsest. De resultaten ervan werden gepubliceerd in: ‘Die vier kanonischen Evangelien nach dem ältesten bekannten Texte’ (‹1897-1905›). |
De publicatie van de Curetoniaanse Evangeliën en de Sinaïtische Palimpsest stelde de geleerden voor het eerst in staat om na te gaan in hoeverre de Aramese tekst van de Evangeliën vanaf haar vroegste periode, zoals die door het Curetoniaans en Sinaïtische manuscript vertegenwoordigd werd, tot aan de latere periode een ontwikkeling had doorgemaakt. De standaard tekst van deze beide manuscripten is afkomstig van Francis Crawford Burkitt, 1904, en deze werd gebruikt in de vergelijkende uitgave van de evangeliën door George Anton Kiraz (‹1996›).
De Oud-Syrische Evangelietekst wordt vaak gezien als behorende tot het ‘westerse teksttype’. Het is zeker erg afwijkend van het Alexandrijnse teksttype en heeft veel kenmerken van het westerse teksttype, zoals parafrases (‹in Mt. 1:16 heeft de Sinaïtische tekst een opvallende lezing nl.: ‘Jakob verwekte Jozef. Jozef die ondertrouwd was met de maagd Maria, verwekte Jezus die de Christus genoemd wordt’›) en vrije toevoegingen en ook weglatingen. Sommige van deze lezingen hebben de Oud-Syrische Evangeliën gemeenschappelijk met codex D (‹Bezae Cantabrigiensis›) en met Oudlatijnse manuscripten, maar in veel gevallen is dat ook niet het geval. b.v. wat betreft de zeven ‘western non-interpolations’ (‹plaatsen in het Nieuwe Testament waar de westerse tekst korter is dan in de Alexandrijnse of Byzantijnse handschriften›) in Lukas 24, stemt het Oud-Syrische Evangelie overeen met codex D in Lk. 24:40, 52 (‹vs. 52 ontbreekt in het Curetoniaanse manuscript›), maar de manuscripten stemmen niet met codex D overeen in Lk. 24:3, 6, 12, 36, 51 (‹vs. 51 ontbreekt in het Curetoniaanse manuscript›) en zij vertonen een merkwaardige weglating in Lk. 24:32.
In de Sinaïtische Palimpsest ontbreken Mk. 16:9-20 en Mt. 18:21 en in Lk. 23:12, en ook ontbreken de woorden over de verzoening tussen Herodus en Pilatus. In beide manuscripten ontbreekt Mt. 16:2-3 en Mt. 17:21. In Mt. 27:16-17 is de lezing ‘Jezus Barabbas’. In de lezing van de Sinaïtische Palimpsest ontbreken in Mt. 10:3 de namen Lebbai en Taddai, en lezen wij over ‘Juda, de zoon van Jakob’.
Een analyse door Frederic Kenyon geeft te zien dat dit ‘Evangelie van de Afzonderlijke (‹Evangelisten›)’ meer overeenstemming vertoont met de Codex Vaticanus, de Codex Bezae en met het Oud-Latijns dan met de Codex Sinaïticus, waarbij het Oud-Latijns qua overeenkomst het hoogst scoort.
Omdat de Codex Bezae de 4 volledige Evangeliën bevat en een deel van Handelingen (‹22 hoofdstukken›), waarvan de tekst 10% langer is dan die tekst in de andere Griekse bronnen, en verder alleen nog de 3e brief van Johannes is het redelijk om een verband te veronderstellen tussen de Codex Bezae (‹die in de 5e/6e eeuw wordt gedateerd en die het Westelijke teksttype vertegenwoordigt›) en het ‘Evangelie van de Afzonderlijke (‹Evangelisten›).’ De Codex Bezae heeft bovendien als kenmerk dat er links een Griekse bladzijde staat en rechts een Latijnse bladzijde. Verder verschillen Grieks en Latijns nog wel eens en de Griekse tekst is hier en daar wat ongewoon. Het manuscript geeft de Evangeliën in een ongebruikelijke volgorde weer: Mattai, Johannes, Lukas en Markus.
Nergens kunnen wij een aanwijzing in de vakliteratuur vinden dat deze ‘uitgave’ van de vier Evangeliën nog vergezeld ging van andere delen van het Nieuwe Testament en Burkitt concludeert o.g.v. belangrijke tekstverschillen dat de Diatessaron niet op basis van deze Oud-Syrische Evangeliën-uitgave tot stand is gekomen. Burkitt meent dat de Oud-Syrische uitgave van de vier Evangeliën oorspronkelijk rond 200 v. Chr. gedateerd moet worden en het meeste overeenkomst vertoont met de Griekse tekst die volgens hem in die tijd in Antiochië in omloop was. Dat is dan de mening van Burkitt, maar wij kunnen voor deze datering in de 2e eeuw geen externe bevestigingen vinden.
Ook kunnen wij geen enkele aanwijzing vinden dat deze Evangeliën in deze vorm en van deze aard ooit onderdeel uitmaakten van een uitgave van heel het Nieuwe Testament. Er is wel een reconstructie gemaakt van het boek Handelingen door Coneybeare en van de brieven van Paulus door J. Molitor, maar dat is gebeurd op basis van de eerdergenoemde commentaren van Ephraïm in verband met de Diatessaron (‹ook al noemde hij zelf die naam ‘Diatessaron’ nergens in zijn publicatie, zoals wij al hebben opgemerkt›), waaruit zou blijken dat er een Aramees (‹Syrisch›) Nieuw Testament in omloop was vóór de Peshitta, zoals Frederic Kenyon het formuleert. Maar dat dat werkelijk zo was, is onbewezen, want daarvan is geen enkel manuscript ooit gevonden. Kortom het is voornamelijk een onbewezen aanname dat een dergelijk Aramees (‹Syrisch›) Nieuw Testament, dat dus vooral op het Griekse NT gebaseerd zou zijn geweest, ooit zou hebben bestaan.
Twee andere minder belangrijke manuscripten van de Evangeliën werden nog gepubliceerd nl.: (‹1.›). een Oud-Syrisch versie van de Evangeliën, in 2016 door Sebastiaan Brock, (‹2.›) een Oud-Syrisch versie van de Evangeliën, in 2023 door Grigory Kessel. Deze beide laten wij onbesproken en wij schakelen om naar ons volgende onderwerp.
C. De Philoxeense Evangeliën
en het Harkleense Nieuwe Testament
Na de twee Sinaïtische manuscripten gaan wij over tot de bespreking na kwam een heel andere Syrische versie van het Nieuwe Testament tot stand rond 508 n. Chr. Het initiatief daartoe lag bij Philoxenus (‹de latere opziener van Mabbug›), ook wel bekend als Xenaias, die geboren was in het dorpje Tahal dat ten oosten van de rivier de Tigris op Perzisch grondgebied lag, in de buurt van het huidige Kirkuk in Noord-Irak. Zijn ouders waren uit Ecbatana. Hij kreeg zijn vorming in Edessa. De geschillen tussen de oosterse kerk die vasthield aan de Nestoriaanse leer, en de westelijke geloofsgemeenschappen van de oosterse kerk die trouw bleven aan de besluiten van de concilies van Efeze en Chalcedon, bleven in zijn tijd voortduren. Zo gebeurde het dat Calandio, de Chalcedonische kerkvader van Antiochië, in 485 werd uitgewezen door Peter de Fuller, een aanhanger van het Miaphysitisme, een leer afkomstig van Cyril van Alexandrië, die botste met de leer van de Nestorianen. Daarop stelde Peter de Voller (‹‘de Bleker’›) Philoxenus aan als opziener (‹‘bisschop’, ‘episkopus’›) van Mabbug, dat tegenwoordig Manbij heet en ten noordoosten van Aleppo ligt. Philoxenus besloot om met hulp van de medebisschop Polycarpus een herziening te maken van eerdere Syrische versies van het Nieuwe Testament waarbij hem waarschijnlijk voor ogen stond om de tekst ‘te zuiveren’ van Nestoriaanse trekjes. Van deze zgn. Philoxeniaanse bijbelvertaling die rond 508 n. Chr. tot stand kwam, is zo goed als niets bewaard gebleven, alleen enkele zeer kleine fragmenten werden door Nicholas Patrick Wiseman bewaard (‹zie zijn Latijnse geschrift Horae syriacae. pg. 178›).
James Murdoch (‹vertaler van het Nieuwe Testament van de Peshitta vanuit het Aramees naar het Engels›), over wie wij in dit artikel nog meer zullen lezen, schreef het volgende over hoe het verder verliep met het Philoxeense/Harkleense Nieuwe Testament.
DE OORSPRONG
“De geschiedenis van de Philoxeense versie wordt beschreven in de Aramese aantekeningen op de manuscripten ervan. Een van de meest uitgebreide van deze aantekeningen is toegevoegd aan een manuscript van de Vier Evangeliën in de Bibliotheca Angelica van de Augustijnen in Rome. Het kan als volgt in het Engels worden weergegeven:
“Dit boek is vergeleken met twee goedgekeurde manuscripten. Dit boek van de vier heilige Evangelisten is vertaald uit het Grieks naar het Aramees, met veel nauwkeurigheid en veel toewijding, en wel allereerst in de stad Mabbug (‹. . . . . .›), in de tijd van de heilige Philoxenus, bisschop van die stad. Het werd later met veel zorg door mij, Thomas, een arme zondaar, vergeleken met twee zeer gewaardeerde en correcte Griekse kopieën, in Antonia, van de grote stad Alexandrië, in het klooster van Sint Antonius. De voltooiing ervan zal zeker ten goede komen aan mijn zondige ziel en aan de velen die deze precisie ten aanzien van de heilige boeken liefhebben en willen kennen en bewaren. Het werd geschreven en vergeleken op de voornoemde plaats, in het jaar 927 van Alexander, in de 4e indictie (‹een ambtsperiode van 15 jaar?›). Maar hoeveel moeite en zorg ik heb besteed aan dit en de andere [boeken], dat weet alleen de Heer, die ieder mens zal belonen naar zijn werken op de dag van zijn rechtvaardig oordeel. De aantekeningen op twee andere manuscripten, zoals geciteerd door Adler, zijn in wezen hetzelfde als deze, zij het beknopter. In plaats van de eerste twee zinnen staat er eenvoudigweg: “Dit is het Boek van de vier heilige Evangelisten, dat vertaald is uit het Grieks in het jaar van Alexander de Macedoniër, 819, in de tijd van de heilige Mar Philoxenus,” enz.
Uit deze aantekeningen blijkt dat deze vertaling in Mabbug is gemaakt, ofwel in Manbij, zoals het in het Arabisch heet, een stad in Syrië, dichtbij de Eufraat, en de zetel van zowel een Nestoriaanse als een Jakobitische bisschop: en dat het werd gesticht in het jaar 819 van Alexander, dat wil zeggen 508 n. Chr., in de tijd van Philoxenus, de bisschop van Mabbug. Er wordt niet gezegd dat het door Philoxenus werd gesticht, maar alleen in deze tijd. Deze Philoxenus, ook wel Xenaias genoemd, was de monophysitische bisschop van Mabbug van 488 tot 518 n. Chr. (‹zie Assemani’s Oriental Library Tom ii. p. 10-46;›) maar hij zat niet rustig op zijn troon. Als vurig aanhanger van Peter de Voller was hij bijna heel zijn leven in felle conflicten verwikkeld, en hij had waarschijnlijk weinig tijd voor bijbelstudies. De vervolgingen die hij onderging, bezorgden hem de titel ‘Belijder’ binnen zijn eigen sekte. Volgens Moses Aghaeus (‹zie Assemani’s Bibliotheca Orient. tom. ii. c. 10›) maakte een zekere Polycarpus, een plattelandsbisschop onder Philoxenus, deze vertaling en droeg die in het eerdergenoemde jaar op aan Philoxenus, die hem had aangezet om dit werk te ondernemen. Vandaar dat deze versie vaak de vertaling van Polycarpus wordt genoemd. Uit deze aantekeningen blijkt verder dat ongeveer 100 jaar nadat deze versie door Polycarpus was gemaakt, Thomas, een monnik, in Antonia, een wijk in Alexandrië, in het klooster van Sint-Antonius in die stad, deze vertaling reviseerde en herschreef, waarbij hij deze vergeleek met twee (‹of volgens sommige aantekeningen drie›) hoog in aanzien staande Griekse manuscripten. Dit was in het jaar 927 van Alexander, ofwel 616 n. Chr. Wie deze Thomas was, en wanneer en waar hij leefde, leren we uit de ‘Chronicon’ van Bar-Hebraeüs (‹jaar van de Seleuciden 927, of 616 n. Chr.›). Bar-Hebraeus zegt daar: “Rond deze tijd kwam Thomas Harclensis tot bloei (‹d.w.z. Thomas van Harkela, of Harkla, een onbekend dorp in Palestina›), een monnik uit het klooster van Taril, die in zijn jeugd Grieks leerde in het klooster van Kenserine en later bisschop van Mabbug werd. Toen hij werd vervolgd door Domitianus de Meletiër, ging hij naar Egypte en verbleef in de wijk Antonia van Alexandrië, in het klooster van Sint-Antonius, waar hij met lovenswaardige ijver de heilige codex van de Evangeliën en de andere boeken van het Nieuwe Testament vertaalde, uitgaande van de eerste versie die in opdracht van Philoxenus van Mabbug tot stand kwam.”
Uit deze verklaring, en uit een inspectie van de manuscripten, blijkt dat Thomas van Harkel de tekst van Polycarpus’ vertaling corrigeerde, verschillende lezingen toevoegde, die voortkwamen uit zijn vergelijking van de tekst met Griekse manuscripten. Ook voegde hij andere kanttekeningen toe, met name de indeling in lezingen voor de openbare eredienst voor het hele kerkelijke jaar. Dat hij de tekst van Polycarpus niet wezenlijk veranderde, leidt Adler af uit een manuscript dat hij in Florence onderzocht, dat geen van de kanttekeningen en aantekeningen van de Harclensis-versie bevatte, maar toch bijna precies dezelfde tekst bevatte. Hieruit concludeerde hij dat het was gekopieerd van een oud manuscript van Polycarpus’ vertaling, geschreven vóór de herziening door Thomas van Harkel. Dit is de oorsprong van de zogenaamde Philoxeense versie. Het is de vertaling van Polycarpus, zoals herzien en voorzien van kanttekeningen, door Thomas Harclensis. Deze was uitsluitend van Jakobitische oorsprong en is nooit in zwang geraakt onder de andere oosterse christelijke groeperingen. Toch werd de Philoxeens/Harkleese versie niet gemaakt met sektarische oogmerken, ook niet uit vijandigheid tegenover de Peshitta. Het enige doel van de auteur en de herziening was om een Aramese versie te produceren die beter zou overeenstemmen met het het Griekse origineel zoals dat in hun tijd bestond. Het omvat alle boeken van het Nieuwe Testament, met uitzondering van Openbaring. De geschiedenis van de overspelige vrouw ontbreekt ook, maar niet de tweede brief van Petrus, de tweede en derde brief van Johannes, en de brief van Judas, die hier in dezelfde stijl als de andere boeken voorkomt, en verschilt van de stijl van dezelfde brieven in de Peshitta-versie.
AARD en BETEKENIS
Het meest opvallende kenmerk van de Philoxeens-Harkleense vertaling is de uiterste onderdanigheid, zelfs ten koste van de zuiverheid en het karakter van de Aramese taal. Over het algemeen wordt de Griekse formulering zo nauwkeurig overgenomen dat het vaak niet moeilijk zou zijn om deze terug te vertalen naar dezelfde woorden als die van het origineel. Omdat het Aramees geen lidwoord kent, wordt het bepaalde lidwoord van het Grieks vaak weergegeven door de Aramese voornaamwoorden voor ‘hij’, ‘zij’ en ‘het’. De Griekse uitroeptekens, die niet in het Syrisch konden worden weergegeven, worden soms in de vertaling opgenomen. Griekse samenstellingen worden onhandig weergegeven door twee of meer woorden op een vreemde manier te verbinden. Griekse verkleinwoorden worden in het Aramees nagebootst. De Griekse constructie wordt zo nauwgezet mogelijk gevolgd, zonder rekening te houden met de regels van de Aramese constructie. En in alle eigennamen, zelfs die van Hebreeuwse oorsprong, wordt de Griekse spelling in Aramese letters nagebootst, hoewel dit elk spoor van de etymologie ondermijnt en de juiste uitspraak verdraait. Zelfs de naamvalsuitgangen van deze namen worden behouden, wat alleen maar de hersenen van een Arameessprekende die geen Grieks verstond, in verwarring kon brengen. Over de waarde van deze vertaling zegt J. D. Michaelis (‹in zijn Inleiding tot het Nieuwe Testament, deel ii, blz. 1, blz. 67, enz., red. Marsh›): “De intrinsieke waarde van de De Philoxeense versie laat geen vergelijking toe met die van de Peshitta. De stijl is veel minderwaardig en moeilijker te begrijpen; de versie is minder nauwkeurig; en de vertaler was minder vertrouwd met het Grieks. Ze is noch zo waardevol voor een theoloog, met het doel onderwijs in de christelijke religie te verkrijgen, noch voor de geleerde exegeet, als middel om moeilijke en twijfelachtige passages te verklaren. Maar de versie is niet zonder waarde en is van werkelijk belang voor een criticus, wiens doel het is om verschillende lezingen te selecteren, met het oog op het herstellen van de authentieke tekst van het Griekse origineel. Want hij kan er volledig van verzekerd zijn dat elke zin en uitdrukking een precieze kopie is van de Griekse tekst, zoals die stond in het manuscript waarvan de vertaling is gemaakt.” Maar het dateert niet van vóór de zesde eeuw; en aangezien de Peshitta aan het einde van de eerste of aan het begin van de tweede eeuw werd geschreven, is het van minder belang om de lezingen van het Griekse manuscript te kennen, dat in de eerste periode werd gebruikt, dan die van het origineel dat in de tweede periode werd gebruikt”
UITGAVEN EN MANUSCRIPTEN VAN DE PHILOXEENSE EVANGELIËN
en van HET HARKLESE NIEUWE TESTAMENT
Geen enkel deel van deze versie werd vóór 1778 gedrukt. Natuurlijk hadden de geleerden tot die tijd niet de middelen om het te onderzoeken en de ware aard ervan vast te stellen. Gloucester Ridley, kanunnik van Salisbury, ontving rond het midden van de vorige eeuw een exemplaar van de volledige versie, meegebracht uit Amida in Mesopotamië door een zekere heer Palmer. Ridley wijdde zich onmiddellijk aan de studie van het Aramees en publiceerde in 1761 een geleerde dissertatie, getiteld “Het karakter en gebruik van de Aramese versies van het Nieuwe Testament”, waarin hij de eerste goede beschrijving gaf van beide vertalingen en een volledige beschrijving van de Philoxeense vertaling. Hij bereidde ook een exemplaar voor van de vier evangeliën voor de drukkerij, overgeschreven van zijn Amidaanse manuscript en vergeleken met een ander manuscript dat in Oxford was gevonden. Hij heeft de publicatie ervan echter niet meer meegemaakt. Het werd in 1778 in Oxford gedrukt, in het Aramees en Latijn, met kritische aantekeningen enz., door Joseph White, hoogleraar Arabisch, in 2 delen in 1 band, quattro. Professor White ging vervolgens verder met de voorbereiding van de rest van het werk voor de druk en publiceerde het boek Handelingen en de zeven algemene brieven in 1799, en de veertien brieven van Paulus in 1803, in aansluiting met de voorgaande delen. Het geheel is gewoonlijk gebonden in twee grote delen. Deze editie is, voor zover ik weet, de enige die ooit gedrukt is. De manuscripten van deze versie zijn minder talrijk dan die van de Peshitta. Adler onderzocht zes manuscripten van de Evangeliën en ontdekte het bestaan van enkele andere manuscripten met de brieven. Misschien behoren enkele van de veertig manuscripten van het Nieuwe Testament, die onlangs uit Egypte zijn meegebracht, tot deze versie.”
Tot zover de woorden van James Murdoch over de Philoxeense Evangeliën en het Harkleense Nieuwe Testament in het Aramees dat bekend staat onder: (‹Syh›). Het intitiatief tot deze vertaling lijkt aanvankelijk enigszins ingegeven te zijn door kerkpolitieke overwegingen, omdat Philoxenus van Mabbug beducht was voor het Nestorianisme en vreesde dat dat zelfs zijn invloed had gehad op de tekst van Gods Woord. Hij meende dat er behoefte was aan een juistere en meer letterlijke Aramese vertaling van de Griekse tekst. De Philoxeense Evangeliën kwamen echter nooit in de gunst bij de Arameessprekende christenen.
Thomas van Harkel pakte de draad ervan weer op, vooral om taalkundige redenen. Hij wilde de vertaling zo letterlijk mogelijk bij het Grieks krijgen. In dat opzicht zou zijn vertaling zeer goed zijn, ook al leverde dat een houterig en ongewoon Aramees op, zoals sommigen zeggen. Het is geen echte nieuwe vertaling, maar een grondige herziening. De Duitse geleerde A. Juckel merkt op: “Deze versie is niet alleen een vertaling in het Aramees vanuit het Grieks, maar eerder een geleerde editie van het Nieuwe Testament voorzien van een kritisch notenapparaat in de kantlijn, dat erg wordt gewaardeerd door moderne geleerde’ (‹uit ‘Introduction in Kiraz’s Comparative Edition of the Syriac Gospels’ (‹1996›). Het Harkleense Nieuwe Testament werd eeuwenlang gebruikt in de eredienst van de Syrisch Orthodoxe Kerk, maar hij beviel uiteindelijk niet vanwege het ongewone, eigenaardige karakter van het Aramees.
Juckel meldt dat er nog twee herzieningen van de tekst volgden, de eerst door een Syrisch Orthodoxe geleerde genaamd Mar Dionysius bar Salibi (‹± 1171›), en de tweede wordt gevormd door de editie van het Harkleense Nieuwe Testament door J. White ergens in de 12e eeuw. Deze vertalingen hadden als doel om de tekst meer in overeenstemming te brengen met de Griekse teksten die in die tijd bekend waren.
Naast de manuscripten van de Peshitta- en Philoxeense versies vond Adler in het Vaticaan in Rome één manuscript van de vier evangeliën in een vertaling die afweek van beide. Het is slaafser en minder elegant dan de Peshitta; maar het is niet zo slaafs als de Philoxeens-Harkleense. Ook het idioom van beide verschilt, het is namelijk niet puur Aramees, maar een soort Chaldees of Joods Aramees, en het schrift lijkt meer op het Hebreeuws. Adler veronderstelde dat het gemaakt was door enkele Joodse christenen rond de vierde eeuw. En omdat het in Joods Aramees geschreven is, en niet in Aramees, noemde hij het ‘de Hiërosolymitan’, d.w.z. de Jeruzalemse versie. Deze is nooit gepubliceerd en wordt niet als van grote waarde beschouwd.
Verder is er nog wat sommigen de Karkaphenslon versie hebben genoemd, maar dat blijkt geen nieuwe versie te zijn, maar slechts een herziening van het Oude en Nieuwe Testament van de Peshitta, gemaakt tegen het einde van de tiende eeuw door een Jakobitische monnik genaamd David, wonend in het klooster van Sint-Aäron op de berg Sigari, in het noordoostelijke deel van Mesopotamië. Dr. Wiseman heeft in zijn Horae Syriacae (‹Rome, 1828, Svo.›) de geschiedenis en het karakter van deze herziening zorgvuldig onderzocht en verklaart dat het de Peshitta-tekst is, met slechts een wijziging in de spelling van de eigennamen en Grieks-Aramese woorden, in overeenstemming met de spelling van de Philoxeens/Harkleense versie. Hij meldt dat het van monofysitische of Jakobitische oorsprong is. Dr. Lee verdedigt echter de oude opvatting dat het bedoeld was voor gebruik onder de Nestorianen.
D. De moderne Assyrische versie
De Moderne Assyrische Versie is een vertaling van het Nieuwe Testament en het Boek van de Psalmen in het moderne Assyrisch Neo-Aramees (‹Suret›), een hedendaags dialect van het Aramees dat gesproken wordt door Assyrische gemeenschappen. Deze versie werd in 1997 uitgebracht door het Bijbelgenootschap in Libanon, en is bedoeld als een toegankelijke en goed begrijpelijke weergave van de Schrift voor hedendaagse Assyrisch/Aramees sprekenden, voornamelijk binnen protestantse tradities. Deze versie is rechtstreeks vertaald uit de oorspronkelijke Griekse teksten van het Nieuwe Testament.
E. DE ARAMESE VERSIES versies van het OUDE TESTAMENT
Nadat wij de vier voornaamste versies van het Aramese Nieuwe Testament hebben besproken, willen wij, voordat wij overgaan tot de bespreking van de Peshitta, voor de volledigheid in het kort - daarbij gebruikmakend van notities van James Murdoch in zijn Appendix II bij zijn Nieuw Testament vertaling - nog twee verschillende vertalingen van het Oude Testament bespreken:
(‹1›) het Oude Testament van de Peshitta, dat zeer oud is en een vertaling is vanuit het Hebreeuws van de Tenach
(‹2›) de Syrische Hexapla, een andere vertaling van het Oude Testament, die lijkt op de Philoxeense-Harkleense versie van het Nieuwe Testament dat wij hiervoor bespraken.
ad. 1. het Oude Testament van de Peshitta. We citeren Murdoch: “Dit is, zoals blijkt uit interne bronnen, rechtstreeks uit het Hebreeuws vertaald en dateert van vóór de tijd dat Masoretische diacritische en andere tekens aan de tekst werden toegevoegd. Het wordt geciteerd en becommentariëerd door Ephraïm, de Arameeër, in de vierde eeuw n. Chr. Dit Oude Testament wordt wijd en zijd aanvaard door alle Aramese christenen, ongeacht hun richting en geloofsgemeenschap of kerk, en het staat bij hen allen in hoog aanzien. Men schat dat het uit dezelfde tijd stamt als het Nieuwe Testament van Peshitta, en dat het gemaakt is in de tijd van Taddeüs, de apostel van Mesopotamië. Ook de geleerden plaatsen de totstandkoming ervan in het laatste deel van de eerste eeuw of aan het begin van de tweede eeuw.
Vanwege de verschillen in de wijze waarop de diverse boeken vertaald zijn, wordt aangenomen dat het niet het werk van één man was. Op basis van bepaalde bijzonderheden in de woordkeuze en andere overwegingen, (‹redactie EBV: zoals de aard van de kopjes van de psalmen›) concludeert men dat de vertalers christenen waren. Het wordt algemeen beschouwd als een juiste en betrouwbare vertaling.
Na een groot deel van de Aramese Pentateuch (de 5 boeken van Mozes) van de Peshitta vergeleken te hebben met het Hebreeuws, de Septuagint en de Latijnse Vulgaat, is onze indruk dat dit Aramese Oude Testament qua nauwkeurigheid of getrouwheid niet onderdoet voor dat van de LXX of de Vulgaat. Hoewel de stijl ervan heel eenvoudig en natuurlijk is, blijft deze versie ondergeschikt aan de bron ervan en moeten wij altijd het Hebreeuwse origineel in het oog houden.
Het Oude Testament van de Peshitta bevat alle boeken van het Oude Testament, maar het rangschikt die in een andere volgorde, nl. eerst de Pentateuch, dan Job, Jozua, Richteren, 1 & 2 Samuël, 1 & 2 Koningen, 1 & 2 Kronieken, dan Psalmen, Spreuken en Prediker, dan Ruth, Hooglied, Esther, en daarna Ezra en Nehemia, gevolgd door Jesaja, daarna de twaalf kleine profeten, gevolgd door Jeremia en Klaagliederen, dan Ezechiël en ten slotte Daniël.
De meeste apocriefe boeken van het Oude Testament bestaan ook in het Aramees. Enkele daarvan worden aangetroffen in de Peshitta codices van de canonieke boeken, maar ik (‹Murdoch›) beschik niet over de middelen om de aard van de vertalingen te beoordelen. Volgens de Horne werden er vier, namelijk Tobit, Judith, het derde boek van de Makkabeeën en het verhaal van Bel en de draak uit het Grieks vertaald. Vijf andere zouden in het Aramees beschikbaar zijn, namelijk Ecclesiastus, Susanna, Baruch en het tweede en vijfde boek van de Makkabeeën. Maar het is mij niet bekend uit welke taal ze vertaald zijn.
Belangrijke gedrukte uitgaven van het Oude Testament van de Peshitta zijn:
(‹a.›) De eerste uitgave was die van de Parijse Polyglot, gedrukt in 1645. Het manuscript waarvan deze gedrukt werd, was onvolledig, en Gabriel Sionita vulde de tekortkomingen aan met eigen vertalingen uit de Latijnse Vulgaat. Hij voegde ook de klinkers toe aan het Aramees van het manuscript.
(‹b.›) Waltons Polyglott van 1657, bevatte ook het Peshitta Oude Testament, afgeleid van vier manuscripten en van de tekst van de Parijse Polyglot. Deze editie is daarom ontdaan van de kunstmatige toevoegingen van Gabriel Sionita.
(‹c.›) In 1823 drukte de British and Foreign Bible Society in Londen alle canonieke boeken van het Oude Testament. In deze editie, die bedoeld was voor verspreiding onder oosterse christenen, ontbreken de klinkers, behalve van de eigennamen en hier en daar van een dubbelzinnig woord. Prof. Lee gebruikte drie manuscripten. Een daarvan werd door Dr. Buchanan uit India meegebracht, en dit werd zeer zorgvuldig vergeleken door Dr. Read. Een ander manuscript was van wijlen Dr. Adam Clarke. De derde was een Aramese Pentateuch, die professor Lee vond in een universiteitsbibliotheek in Oxford. Dit is de editie die ik (‹Murdoch›) gebruik.
Dit zijn, voor zover ik weet, alleen edities van het volledige Oude Testament.. Van het boek Psalmen alleen al zijn er zes edities geweest; de laatste en beste door Dathe, 1768,. Van de Pentateuch is er ook een aparte editie geweest, door Kirsch, 1787. Over de manuscripten van deze versie kan ik weinig meer zeggen dan wat al terloops is vermeld. Onder de manuscripten die onlangs uit Egypte zijn meegebracht, zo wordt gezegd, bevindt zich een Peshitta Syrische Pentateuch, gedateerd in het jaar 464 n.Chr., naast dertig andere delen van deze versie, die gedeelten van het Oude Testament bevatten, en gedateerd zijn rond de zesde eeuw.” Zover Murdoch.
ad. 2. De Syrische Hexapla (‹=zesvoudige›) zou tot stand zijn gekomen door een initiatief van bisschop Paul van Tella omstreeks 617 n. Chr. Gedurende de vervolging onder Domitianus werden verschillende bisschoppen verdreven. Paulus van Tella zocht zijn toevlucht in Egypte, in het Enaton-klooster, dichtbij Alexandrië. Hier begon hij met een aantal geleerden uit Syrië aan een grootschalig vertaalproject. Naast hem, werkte ook Thomas van Harkel mee, wiens naam verbonden was met de Harkleense versie van het Nieuwe Testament. Paulus van Tella was in het project verantwoordelijk voor wat waarschijnlijk de eerste volledige Aramese vertaling van de Septuaginta zou worden, genaamd de ‘Syro-Hexapla’. Volgens de onderschriften van deze Syro-Hexapla werd het werk uitgevoerd tussen 613 en 617 n. Chr.(‹voor deze data, zie W. Baars, New Syro-Hexaplaric Texts [1968].›). Het ging bij dit project om de weergave van de tekst van de Septuaginta in de Hexapla van Origenes van Alexandrië (‹185–254 n. Chr.›) uit de jaren 235–245 toen Origenes als christen-schrijver en geleerde in Caesarea werkzaam was. Deze Hexapla bestond uit een synopsis in 6 kolommen (‹vandaar de naam ‘Hexapla’›), die de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament woord voor woord weergaf in de 1e kolom met een Griekse transcriptie ernaast in de 2e kolom en vervolgens 4 Griekse vertalingen elk in een kolom: drie vertalingen van het Hebreeuws naar het Grieks resp. van Aquila van Sinope (‹een leerling van Rabbi Akiva›), Symmachus (‹volgens Eusebius was hij een Ebioniet, d.w.z. een wetsgetrouwe Joodse christen, maar anderen menen dat hij een Samaritaan was die zich tot het Jodendom bekeerde›) en Theodotion (‹proseliet, afkomstig uit Efeze›), drie mannen die ofwel Joods van geboorte of Joodse bekeerlingen waren, terwijl Origenes de Griekse tekst van Septuaginta in de 5e kolom plaatste met allerlei tekstkritische notaties om aan te geven waar materiaal was toegevoegd of weggelaten in vergelijking met de Hebreeuwse tekst die door de rabbijnen werd gebruikt, en waarvan Origenes aannam dat het dezelfde tekst was, waaruit de Septuaginta destijds in de 2e / 3e eeuw v. Chr. was vertaald. Zie hieronder de schematische indeling.
|
kolom 1 |
kolom 2 |
kolom 3 |
kolom 4 |
kolom 5 |
kolom 6 |
|
Hebreeuws |
Transliteratie |
Aquila van Sinope ± 150 n. Chr. |
Symmachus ± 200 n. Chr. |
Septuaginta (‹Origenes›) ± 240 n. Chr. |
Theodotion ± 150 n. Chr. |
|
בְּרֵאשִׁית |
ἑβρʹ(‹Grieks›) |
αʹ (‹Grieks›) |
σʹ (‹Grieks›) |
οἱ οʹ (‹Grieks›) |
θʹ (‹Grieks›) |
Het was a.h.w. een niet-digitale database van de tekst, met 6 teksten, elk in een veld, waar men doorheen kon ‘bladeren’. In de 5e kolom voegde Origenes nog allerlei tekstkritische informatie toe. Deze Hexapla van Origenes moet te omvangrijk geweest zijn om volledig te kopiëren, en het origineel, dat in Caesarea werd vervaardigd en bewaard, is verloren gegaan, mogelijk tijdens de Perzische of Arabische islamitische invasies in het midden van de 7e eeuw. Slechts enkele folio's met psalmen zijn bewaard gebleven, daterend uit de 9e en 10e eeuw.
Omdat de Syro-Hexapla zich richtte op de 5e kolom van de Hexapla van Origenes, d.w.z. de kolom met de Septuaginta, om die te vertalen, werd deze kolom door Paulus van Tella apart gekopieerd, samen met de tekstkritische tekens e.d.. Deze Hexaplarische Septuagint-kolom werd in 616-617 vervolgens letterlijk in het Aramees vertaald door Paulus van Tella en aangevuld met korte fragmenten uit de andere Griekse versies, zodat deze uitgave bekend is geworden als de Syro-Hexapla, die van bijzondere waarde is voor veel wetenschappers, omdat deze uitgave de tekstkritische tekens en fragmenten van de latere Joods-Griekse versies uit de Hexapla heeft bewaard. Om theologische en geografische redenen was de Syro-Hexapla veel invloedrijker in de westerse flank dan in de oosterse flank van de Oosterse kerk, hoewel hij ‘herontdekt’ lijkt te zijn door Timotheos I, invloedrijk christen die thuis was in het Aramees en Arabisch (‹± 727-823 Irak›), en hij werd ook gebruikt door de 9e-eeuwse Oost-Syrische geleerde Ishoʿdad van Merv in zijn bijbelcommentaren (‹zie Van Eynde, XXII-XXV›). Deze Syro-Hexapla, of Aramese Hexapla was ook van betekenis voor de herziening van het Oude Testament door Yaʿqub van Edessa, en enkele passages ervan zijn sommige latere Peshitta-manuscripten binnengeslopen. (‹Gorgias Encyclopedic Dictionary of the Syriac Heritage - Electronic version›)
We laten ten slotte nog James Murdoch aan het woord over de Syro-Hexapla:
“Van de Aramese of Syrische Hexapla heb ik (‹Murdoch›) slechts van twee manuscripten gehoord, en één daarvan uit bevat slechts één boek (‹namelijk die uit Parijs›). Deze manuscripten lagen verborgen in Milaan en Parijs, of beter gezegd, zij werden over het hoofd gezien en werden niet eerder zorgvuldig onderzocht dan tot na het midden van de 18e eeuw. Ze bevatten een Aramese vertaling van de gecorrigeerde Griekse tekst van de Septuagint-versie in Origenes’ Hexapla, met alle kanttekeningen en verschillende lezingen ervan, vandaar de naam, de Syrische Hexapla. Uit de aantekeningen op de manuscripten van de Syrische Hexapla leiden we af dat de Griekse Hexapla van Origenes door hem werd achtergelaten in Caesarea in Palestina en in handen kwam van Eusebius, een man met kennis van de geschiedenis van de christenheid en christelijke kerk. Hij was bisschop van Caesarea. Geholpen door zijn vriend Pamphylus, lukte het Eusebius begin vierde eeuw om op grond van deze Hexapla een gecorrigeerde Griekse tekst van de Septuagint op te stellen, met alle kanttekeningen en glossen die erbij zaten. Van deze Eusebiaanse tekst werd begin zevende eeuw in Alexandria een kopie gevonden, voorzien van een aantekening van Eusebius zelf. En Athanasius, destijds de Jakobitische patriarch van Alexandrië, liet een zekere Mar Paulus, een monnik en bisschop, deze Griekse kopie in het Aramees vertalen, waarbij alle kanttekeningen en glossen behouden bleven. Deze taak volbracht Mar Paulus in Alexandrië in het jaar 616 na Christus .... In het manuscript staat dat de Aramese vertaling is gemaakt uit een codex die was samengesteld door Eusebius en Pamphylus, uit de Bibliotheca van Origen, met verschillende lezingen en kanttekeningen. Beide manuscripten van de Syrische Hexapla zijn geschreven in het Estrangelo schrift, en ze zijn kennelijk oud. Dat van Parijs bevat alleen het 4e [=2e] boek van Koningen. Het kreeg pas in 1770 bekendheid door Paul Jakob Bruns.
Het manuscript in de Ambrosiaanse bibliotheek in Milaan bevat bijna of vrijwel het hele Oude Testament. Op dit waardevolle manuscript vestigde John Baptist Branca, een doctor aan het Ambrosiaanse college, de aandacht van Dr. Kennicott en J.P. Bruns tijdens een bezoek aan Milaan rond 1767. Enkele jaren later bezocht J.J. Bjornthal uit Zweden Milaan, onderzocht het manuscript, stuurde enkele exemplaren naar Engeland en Zweden en publiceerde er ook een beschrijving van. De Rossi raakte er vervolgens in geïnteresseerd en publiceerde in 1778 de eerste psalm als voorbeeld, vergezeld van een volledige beschrijving van het manuscript. In hetzelfde jaar bezocht Matthew Norberg uit Zweden Milaan en maakte een kopie van een groot deel ervan. In 1787 publiceerde hij in Lund, in quattro, de boeken Jeremia en Ezechiël, gebaseerd op zijn kopie. Het jaar daarop publiceerde Cajetan Bugatus uit Milaan het boek Daniël, in het Aramees en Latijn in quattro. Hij begon ook met de publicatie van het boek Psalmen, ongeveer in diezelfde tijd, maar het werd pas in 1820 gedrukt. Intussen had Bruns een kopie van het Parijse manuscript bemachtigd. Maar noch hij, noch Norberg kregen voldoende aanmoediging om door te gaan met de publicatie van hun kopieën. Ze lieten hun manuscripten achter bij Eichhorn, die ze uiteindelijk overdroeg aan Henry Middledorpf, een professor aan de universiteit van Breslau in Silezië. Hij publiceerde zoveel van deze transcripties, als nog niet eerder was gebeurd, namelijk het 4e [2e] boek Koningen, Jesaja, de twaalf kleine profeten, Spreuken, Job, Hooglied, Klaagliederen en Prediker, in één groot quattro-boek, in Berlijn, 1835, met een informatief voorwoord waarin de bovenstaande feiten stonden vermeld. De volgende boeken zijn, naar wij aannemen, nooit eerder gepubliceerd, namelijk: de hele Pentateuch, Jozua, Richteren, Ruth, 1 en 2 Samuël, 1 Koningen, de twee boeken Kronieken, Ezra, Nehemia en Ester. Deze Syrische/Aramese versie sluit zeer nauw aan bij het Grieks en zal ons daarom helpen voor zover het reikt, bij het vaststellen welke tekst van de Septuagint werd goedgekeurd door Origenes, Eusebius en Pamfylus. Het kan ons ook helpen om enkele van de afwijkingen van de Septuagint te achterhalen in de verschillende Griekse versies die door Origenes zijn vergeleken. Natuurlijk is het van grote waarde voor de kritiek op de Griekse tekst van de Septuagint. Maar voor de uitleg van de Schrift kan het niet veel nut hebben, vanwege zijn ondergeschiktheid aan en afhankelijkheid van de Septuagint. Als vertaling lijkt het erg op het Philoxeense Nieuwe Testament dat Thomas Harkel in Alexandrië aan het herzien was, precies in de tijd dat Mar Paulus deze versie produceerde. Zoals het Nieuwe Testament van Peshitta, vanuit exegetisch oogpunt, veel waardevoller is dan de Philoxeense versie, zo moet het Oude Testament van de Peshitta, dat een getrouwe vertaling uit het Hebreeuws is, ook veel waardevoller voor een exegeet zijn dan de Syrische Hexapla, die niet meer is dan een vertaling uit het Grieks van de Septuagint.”
Nog enkele aanvullingen op het voorstaande. In 1964 ontdekte Arthur Vööbus de Midyat Codex (‹12e eeuw›), met alle boeken van de Pentateuch, in het bijzonder ook het fragment Dt. 32:9-32:25. Met deze vondst werd de Syro-Hexapla tekst van de Pentateuch zo goed als compleet, met uitzondering van enkele missende fragmenten. Er zijn nog enkele andere vindingen gedaan van Syro-Hexapla versies van het boek 2 Koningen voorafgegaan door een commentaar van John Chrysostomus en het boek Daniël naar een revisie door Jakob van Edessa.
III. DE PESHITTA VAN HET NIEUWE TESTAMENT
We geven in het volgende de beschouwingen van Murdoch die onderdeel uitmaakten van de uitgave van het Nieuwe Testament van de Peshitta vertaling van James Murdoch.
Er zijn drie Aramese ‘vertalingen’ (‹redactie EBV: de aanhalingstekens zijn van ons›) van het Nieuwe Testament, die resp. de Peshitta- (‹of: Peshitto›), de Philoxeense en de Hiërosolymitische (‹wij nemen aan dat Murdoch met deze term doelt op de Harkleense versie›) worden genoemd, en er zijn ook twee Aramese vertalingen van het Oude Testament, die bekend staan onder de benamingen Peshitta en de Syrische Hexapla. Van de eerste van deze vijf versies, het Peshitta Nieuwe Testament, zullen wij hier een vrij uitgebreide beschrijving geven, waarna de andere versies in volgorde meer beknopt zullen worden behandeld.
A. Karakter en inhoud van de Aramese tekst
Deze is niet alleen veel ouder dan de Philoxeense of de latere ‘Old Syriac’, maar wordt algemeen beschouwd als de oudste versie van het Nieuwe Testament die ons is overgeleverd, in welke taal dan ook. De Arameessprekende christenen noemen deze versie de ‘Peshitta’, vanwege de stijl of het karakter ervan. Het Aramese werkwoord ܦܩܬ betekent ‘uitvouwen’ of ‘uitspreiden’ of ‘ontvouwen’, zodat iets in zijn ware gedaante, afmetingen en karakter kan worden gezien. Het deelwoord ܦܫܝܼܛܬܵܐ, pšîṭtâ, dat fungeert als de naam van de Aramese Bijbel, betekent dus ‘uitgespreid’, ‘niet ingewikkeld’ of ‘ongevouwen’, ‘eenvoudig’ en ‘niet dubbelzinnig’, en toegepast op een vertaling kan men spreken van een ‘duidelijke’ of ‘heldere’ vertaling, ‘vrij van dubbelzinnigheden’, ‘direct’, ‘eenvoudig’ en ‘makkelijk te begrijpen’. En dat is juist zo kenmerkend voor het karakter van deze heilige tekst. De Peshitta bevat alle canonieke boeken van het Nieuwe Testament, behalve de tweede brief van Petrus, de tweede en derde brief van Johannes, de brief van Judas en het boek Openbaring, dat wil zeggen, alle door Eusebius (‹± 260/265 – 30 mei 339 n. Chr.›) erkende geschriften samen met slechts één van de geschriften waarvan de canoniciteit nog niet was vastgesteld in de dagen van Eusebius - namelijk de brief van Jakob (‹Jakobus›) - maar wel ten tijde van het concilie van Efeze in 431, toen oost en west uit elkaar gingen. Zo omvat de canon van de Peshitta alle boeken die algemeen als oorspronkelijk werden erkend in de vroege eeuwen van de gemeente van Jezus Christus. Deze canon is vrijwel precies dezelfde als de canon die is afgeleid uit de geschriften van Irenaeüs, Tertullianus en anderen in de eerste eeuwen van de christenheid. En dit kan worden beschouwd als bewijs van de hoge ouderdom van de Peshitta. De Peshitta kwam tot stand voordat de canon van het Nieuwe Testament volledig was vastgesteld (‹opmerking redactie EBV: de splitsing tussen het westelijke en het oostelijke deel van de oosterse kerk, die beide gekenmerkt werden door een zeer vroeg intredende institutionalisering, werd een feit op het concilie van Efeze in 431 n. Chr., op het moment dat de 5 genoemde boeken nog niet formeel, maar wel informeel, erkend waren en de westelijke en oostelijke kerkelijke organisaties uiteengingen›).
B. Tijd, plaats en auteurs
Onder de Aramese christenen is de Schrifttraditie overal universeel en uniform vanaf het begin van haar ontstaan, toen de prediking van het Evangelie begon, de eerste gemeenten ontstonden en de organisatie van de kerk in Syrië en Mesopotamië op gang kwam. Het was daarom een grote vergissing van Bertholdt (‹‘Einleitung in das Alt. u. Neue Testament, § 18, deel i. ii. p. 593›) om aan te nemen dat deze versie de Peshitta werd genoemd, omdat deze versie algemeen in gebruik was (‹Engels: ‘in common use’›), onder de diverse groeperingen van de Arameessprekende christenheid, waardoor hij het woord ‘Peshitta’ gelijkwaardig stelde aan het Griekse ‘i koine’ en het Latijnse ‘vulgata’. Het woord ‘Peshitta’ duidt niet op ‘uitbreiding of verspreiding naar buiten’, ook niet in ruimtelijke of geografische zin, maar op een innerlijke ontwikkeling, een ontvouwing die de zaak waar het om gaat, in de juiste en volle proporties laat zien. Overal wordt met stelligheid gezegd dat deze versie tot stand is gekomen in de tijd dat het christendom voor het eerst werd gepredikt en de eerste christelijke kerken werden gesticht in Syrië en Mesopotamië. En natuurlijk neemt men aan dat deze is gemaakt door een of meer van de oorspronkelijke apostelen en evangelisten, of door hun metgezellen en medewerkers. Sommigen noemen Markus de evangelist, anderen Taddeüs, de vermeende apostel van Mesopotamië, weer anderen Achaeüs of Aghaeüs, een leerling en directe opvolger van Taddeüs.
Vóór de huidige 19e eeuw onderschreven de meeste Europeanen die thuis waren in de wetenschap van de Arameessprekende christenheid, deze traditie en men was de stellige mening toegedaan dat de Peshitta inderdaad gemaakt moest zijn door een apostel of door een metgezel en medewerker van de apostelen.
Enkele begaafde en geleerde mannen, die echter niet thuis waren in de wetenschap van de Arameessprekende christenheid, zoals bijvoorbeeld bisschop Fuller, Grotius, en J. J. Wetstein, meenden dat de Philoxeense versie de enige Aramese versie van het Nieuwe Testament was en, aangezien de Peshitta naar hun mening pas in de 6e eeuw tot stand kwam, was dat volgens hen ook de datering ervan. Een dergelijke redenering hoeft tegenwoordig niet meer te worden weerlegd, want alle geleerden in Europa lijken het er sinds het midden van de 18e eeuw over eens te zijn dat de Peshitta waarschijnlijk in de 2e helft van de tweede eeuw al bestond, en zeker in het begin van de derde. Dat is de opvatting van mannen als Michaëlis, Storr, Adler, Eichhorn, Hug, Bertholdt, Hoffman, Uhlmann, Horne, Guerike, Roediger, enz.
Recentere Duitse schrijvers volstaan met het terugvoeren van het bestaan van de Peshitta tot in de tweede helft van de tweede eeuw. Maar de Engelsen en ook de Duitsers vóór het jaar 1800 geloofden en meenden in het algemeen dat deze ofwel tegen het einde van de eerste eeuw, ofwel in het begin van de tweede eeuw gemaakt moest zijn. T. H. Horne zegt in zijn Inleiding (‹deel i, p. 270, uitgave New York, 1844›) het volgende: ‘Bisschop Walton, Carpzov, Leusden, bisschop Lowth en Dr. Kennicott dateren de Peshitta in de eerste eeuw, Bauer en enkele andere Duitse schrijvers dateren hem in de tweede of derde eeuw, Jahn dateert deze in ieder geval in de tweede eeuw. De Rossi verklaart hem zeer oud, maar geeft geen precieze datum. De meest waarschijnlijke mening (‹zo voegt hij eraan toe›) is die van Michaëlis (‹‘Inleiding tot het Nieuwe Testament’, deel ii, blz. 1, blz. 29-38›), die de Aramese versie van beide Testamenten plaatst in het einde van de eerste of aan het begin van de tweede eeuw. In die tijd bloeide de Arameessprekende christenheid het meest, en de christenen in Edessa lieten een gebedshuis voor de eredienst aan God bouwen naar het model van de tempel in Jeruzalem. Het is onvoorstelbaar dat zij geen versie van het Nieuwe Testament gehad zouden hebben waarvan de lezing door de apostelen was geïntroduceerd.
Degenen die het bestaan van deze versie proberen te achterhalen door middel van historische bewijzen, vertellen ons dat de Peshitta zeker al bestond en algemeen gebruikt werd in het midden van de vierde eeuw. In die periode schreef Efraïm, de Arameeër, immers zijn omvangrijke geschriften, die rijk zijn aan citaten en uitleg van de heilige boeken zoals die in de Peshitta voorkomen. Als wij teruggaan naar die periode komen wij op het spoor van een aanzienlijke hoeveelheid christelijke literatuur en van een reeks goed geïnformeerde theologen die reikt tot aan de tijd van Bardesanes in het laatste deel van de tweede eeuw. Zulke bekwame theologen en zo’n christelijke literatuur hadden niet kunnen bestaan zonder grondige kennis van de Schriften, en daarom is het opmerkelijk dat wij gedurende heel deze periode geen enkele aanwijzing kunnen vinden dat de Arameessprekende christenheid de Heilige Schriften in hun volkstaal misten. Daarom concluderen wij dat de Peshitta bestond en dat deze al minstens vanaf de vroegste tijd algemeen in gebruik was, d.w.z. tenminste al in het laatste deel van de tweede eeuw. En deze conclusie lijkt te worden ondersteund door directe getuigenissen. Want Eusebius zegt (‹H. E. iv. 22›) dat Hegesippus (‹die leefde en schreef rond 188 n.Chr.›) ‘enkele citaten aanhaalde uit het Evangelie volgens de Hebreeën en uit het Syrische (‹=Aramese›) Evangelie. (‹redactie EBV: het Aramees werd in de 1e eeuw nog in Hebreeuwse letters geschreven. Het lijkt erop dat Eusebius zich niet realiseert dat de term ‘Hebreeuws’ hoogstwaarschijnlijk voor ‘Aramees’ staat. Zo lezen wij ook in de Peshitta aan het slot van de het Evangelie van Mattai de volgende woorden: ‘Einde van het Heilige Evangelie verkondigd door Mattai, opgesteld in het Hebreeuws in het land van de Palestijnen. Dit Hebreeuws zal hoogstwaarschijnlijk ‘Aramees’ zijn geweest›).
En in het lijden van de heilige Procopius, de martelaar, (‹een toevoeging door Valesius aan de Hist. Ecclesiastes van Eusebius, lib. viii, c. 1, ed. Amsterdam, 1695. Geannoteerd, p. 154›) wordt gezegd dat deze martelaar in Jeruzalem geboren is en zijn leven heeft doorgebracht in Scythopolis (‹een plaats ten zuiden van het meer van Galilea op de westelijke Jordaanoever ter hoogte van de oostelijke uitloper van de vlakte van Jizreeël›), waar hij drie functies in de kerk vervulde: ‘één in het voorlezen, één in de vertaling van het Aramees en de derde in het opleggen van handen tegen demonen, functies die hij vervulde tot hij als martelaar werd onthoofd onder keizer Diocletianus op 7 juli 303 n. Chr. Deze biografische gegevens van Eusebius maken duidelijk dat Procopius van Scythopolis in het openbaar vertaler was (‹ongetwijfeld van de Schrift en de prediking›) van het Aramees naar een andere taal, hoogstwaarschijnlijk het Grieks, want we mogen aannemen dat er Grieken waren in de Arameessprekende kerk van Scythopolis, ten behoeve van wie de Schriftlezingen werden vertaald zoals ze werden voorgelezen.
De argumenten om de oorsprong van de Peshitta terug te voeren naar het einde van de eerste eeuw en het begin van de tweede eeuw zijn de volgende:
1. Dit komt overeen met de stabiele en uniforme traditie van alle Arameessprekende christenen: de Nestoriaanse, Monofysitische, Melchitische en Maronitische. In al deze gemeenschappen was de Peshitta van oudsher in gebruik en gerespecteerd, en werd die als net zo oud beschouwd als de christelijke gemeenten en kerken die er al eeuwenlang gebruik van maken. Bovendien wordt die opvatting ook nergens werkelijk tegengesproken, en ook biedt de geschiedenis van de christenheid en de kerken ons geen enkel overtuigend bewijs van het tegendeel. Al het bewijs in deze zaak is daarom eensluidend en kan niet weerlegd of tegengesproken worden. Volgens welke wet of wetten van geschiedkundige argumentatie kan of mag de zojuist genoemde traditie dan terzijde geschoven worden?
2. De onzekerheid die in de traditie wordt aangetroffen met betrekking tot de precieze tijd, plaats en auteur van deze versie, is een goed bewijs voor de waarheid van de traditie, omdat het aantoont dat deze versie in zo’n vroege periode tot stand is gekomen, dat de bijzondere omstandigheden rond de totstandkoming ervan in nevelen gehuld zijn gebleven. Dit argument kan als volgt worden geformuleerd: Wij weten dat er een ononderbroken reeks geleerde schrijvers was in de Aramese gemeenten van Jezus Christus vanaf de tijd van Bardesanes, die tijdgenoot was van Irenaeüs en Clemens van Alexandrië, in het laatste deel van de tweede eeuw, tot aan Bar-Hebraeüs in de dertiende eeuw. Toch kon geen van hen de algemeen aanvaarde traditie bewijzen of herleiden tot de bron ervan, of de details ervan bijstellen. Ze konden alleen het algemeen aanvaarde feit herhalen dat de Peshitta werd samengesteld toen hun eerste gemeenten door de apostelen en hun medewerkers werden gesticht, en vervolgens geven ze hun gedachten en veronderstellingen over de precieze tijd, plaats en auteur van de vertaling.
En de vroege Griekse kerkvaders, van wie velen in Syrië en Palestina woonden, tasten op dezelfde wijze in het duister over deze punten. De redelijke conclusie is daarom dat de vertaling in de allervroegste tijden van de christenheid moet zijn gemaakt, en wel zodanig lang vóór de tijd van de geleerde kerkelijke schrijvers, (‹d.w.z., vóór de tijd van Justinus de Martelaar, Irenaeüs, Bardesanes, Clemens van Alexandrië, enz.›), dat de omstandigheden van de tijd, plaats en auteur van de vertaling niet meer vastgesteld konden worden, waardoor de deur openstond voor verschillende opvattingen.
Om dit goed te kunnen begrijpen, moet men bedenken dat vanaf het einde van de nieuwtestamentische verslaglegging tot ongeveer het midden van de tweede eeuw (‹dat wil zeggen, gedurende ongeveer 60 à 80 jaar›) de enige christelijke schrijvers de zogenaamde ‘apostolische vaders’ waren, van wie de geschriften zeer schaars zijn en bovendien nauwelijks licht werpen op de heilige Schriften en het voorkomen ervan in de christelijke gemeenten en kerken. Daarom is die vroege periode in zeker opzicht een mistige periode die de inspanningen van geleerden en onderzoekers vanaf de tijd van Eusebius tot nu toe, bemoeilijkt. Na die periode kwamen er steeds meer geleerde christelijke schrijvers, zodat vanaf die tijd, en vooral na het begin van de derde eeuw, alle belangrijkere gebeurtenissen in de christenheid en kerk redelijk bekend werden, doordat ze door de schrijvers uit die tijd werden vermeld, terwijl alles wat in het laatste deel van de eerste eeuw en in de eerste helft van de tweede eeuw gebeurde, bijna net zo onbekend is als de gebeurtenissen vóór de zondvloed.
Dit argument wordt bevestigd door het feit dat de zeer vroege vertaling van de Bijbel in het Latijn, genaamd de Vulgata (‹die niemand in twijfel trekt›) een vrijwel soortgelijke ‘vage’, maar ‘onwankelbare’ traditie over haar ontstaan en oorsprong kent als de Aramese versie. Beide versies zouden in de tijd van de apostelen, of kort daarna, zijn gemaakt door een auteur of door auteurs die in latere tijden onbekend zouden zijn. Het voornaamste verschil tussen beide is dat er verschillende vroege Latijnse versies zouden zijn geweest, waarvan er één, die superieur was aan de andere, de grootste verspreiding kreeg en de ‘Itala’ werd genoemd, terwijl we slechts lezen over één vroege Aramese versie, de ‘Peshitta’. Augustinus’ uitspraak over die vroege Latijnse versies is bekend. Hij zegt (‹over de Leer van Christus, 1. ii. c. 11›): ‘Men kan gemakkelijk degenen opnoemen die de Heilige Schrift van het Hebreeuws naar het Grieks vertaalden (EBV-redactie: wat bedoelt Eusebius?), maar dat geldt niet voor de Latijnse vertalers. Want in die vroege tijden van het christendom begon iedereen die een Grieks manuscript in handen kreeg en dacht dat hij enige kennis van beide talen bezat, het meteen te vertalen.’
Hiëronymus van Stridon kreeg in 382 opdracht van paus Damasus I om de Evangeliën te vertalen van de zgn. ‘Vetus Latina’ (‹handgeschreven kopieën van de allereerste Latijnse vertalingen van de Bijbel›). Later ging Hiëronymus op eigen initiatief verder om vrijwel alle boeken van de Bijbel in het Latijns te herzien. Toen de Vulgata op het concilie van Trente (‹1545–1563›) en later (‹in 1590›), de officiële Bijbel van de katholieke kerk werd, bevatte die alle door Hiëronymus vertaalde Bijbelboeken, aangevuld met enkele Vetus Latina vertalingen die niet van zijn hand kwamen.
Wat betreft deze zeer vroege versies, zowel de Latijnse als de Aramese, komt de volledige onwetendheid van alle geleerde kerkvaders in latere eeuwen over de auteurs ervan en over de precieze tijd en plaats van de samenstelling ervan voort uit dezelfde oorzaken: de zeer vroege periode waarin deze versies werden gemaakt en de schaarste aan bronnen uit die tijd. En daarom is de vaagheid, of het gebrek aan uniformiteit en consistentie in de details, het allerbeste interne bewijs voor de algemene waarheid en oorspronkelijkheid van beide tradities.
3. Het karakter en de omstandigheden van de eerste Arameessprekende christenen, en van hun leraren, zouden niet alleen een vroege vertaling van het Nieuwe Testament in de gangbare taal van het land vereisen, maar ook makkelijk maken. De eerste bekeerlingen van dat land waren ongetwijfeld grotendeels Joden. En we weten dat de eerste christenen over het algemeen afkomstig waren uit de lagere sociale klassen, of uit het gewone volk, uit die groep mensen die in Syrië en Mesopotamië geen andere taal spraken en verstonden dan alleen Aramees. Een vroege vertaling van de Schriften in deze taal was daarom heel erg nodig. Zo’n vertaling was in feite onmisbaar voor het juiste onderwijs van de nieuwe bekeerlingen en voor het opleiden van hun voormannen tot leraren en leiders in de nieuw gevormde gemeenten van Jezus Christus, de Heer. Welke verkondiger van het Evangelie probeert het Evangelie en het christelijk geloof uit te dragen, te verspreiden en christelijke kerken te stichten in een land waar het Evangelie niet bekend is, zonder de mensen meteen de Bijbel in de handen te geven in een taal die ze kunnen begrijpen?
De eerste predikers van het Evangelie in Syrië en Mesopotamië, en de stichters van de eerste Aramese christengemeentes waren naar we mogen aannemen voor het grootste deel Joodse Palestijnen (‹redactie EBV:het land werd in de tijd van Jezus Christus leven op aarde door de Romeinen ‘Palestina’ genoemd›). Want alle apostelen, de zeventig discipelen, de zeven diakenen of dienaren, en onder de evangelisten Markus, Barnabas, Silas, en misschien ook anderen waren Joodse Palestijnen. Maar voor alle Joden in Palestina was een Aramees dialect, dat sterk leek op het Aramese dialect in Syrië, de volkstaal en de standaardtaal voor alle openbare toespraken in de synagogen van hun land. Daarom mogen wij aannemen dat het Evangelie eerst onder de bewoners van Syrië in de Aramese taal, d.w.z. in ‘zuiver’ Aramees, ofwel in het dialect van de Joden werd gepredikt. En als dat allemaal juist is, dan waren de eerste stichters van de Arameessprekende christengemeenten geheel en al bekwaam om hun de Aramese vertalingen van de verschillende boeken van het Nieuwe Testament te geven, zodra ieder van hen in het land aankwam (redactie EBV: het is onduidelijk waarom Murdoch hier nog van een vertaling spreekt, als we er rekening mee willen houden dat de Evangeliën door de apostelen rechtstreeks in het Aramees werden opgeschreven). En we kunnen ons nauwelijks voorstellen dat zij een taak zouden laten liggen, die zo gemakkelijk te volbrengen was, zo noodzakelijk om hun eigen werk te verlichten en zo onmisbaar voor de volledige oprichting en voor blijvende bloei van de christelijke gemeenten.
4. Het karakter van de Peshitta zelf getuigt ervan dat deze in de vroegste tijden van de christenheid is ontstaan. De stijl ervan wordt gekenmerkt door de eenvoud en oprechtheid die kenmerkend waren voor die betrouwbare mannen die het christelijk geloof als eersten predikten en verspreidden. Het is precies wat de naam Peshitta suggereert: een volledig duidelijke en heldere tekst, waarvan elk woord de spontane uiting lijkt te zijn van een warm hart en van een geest die de eigen gedachten volledig bestuurt. Er is geen schittering van woorden, er zijn geen gekunstelde constructies of zinnen in te vinden, niets dat riekt naar ijdelheid of naar aandacht trekken, er is niets gemaakts, langdradig of geleerds. Het toont geen overmatige eerbied voor de ‘vak’-termen van het nieuwe geloof, of voor de christelijke gemeentes, de kerk en haar organisatie. Sterker nog, de Peshitta lijkt er geen weet van te hebben dat er ‘vak’-termen en -uitdrukkingen bestaan die bij het nieuwe geloof in Jezus Christus horen. En hoewel de Peshitta een heilig boek is, lijkt de tekst ervan geen bijgelovig ontzag te hebben voor de zuivere woorden, zinnen of grammaticale constructies van de oorspronkelijke tekst (EBV: ook hier is het de vraag hoe Murdoch denkt over die oorspronkelijke tekst). Het lijkt erop dat het enige doel is om de inhoud van wat geschreven staat weer te geven, en wel op de duidelijkste, helderste en meest eenvoudige manier die men zich kan voorstellen. In deze opzichten staat de Peshitta op zichzelf onder alle oude Bijbelvertalingen en verschilt deze vooral totaal van de andere Aramese versie, genaamd de Philoxeense ... Deze fascinerende ongekunsteldheid van de Peshitta, die een sterk bewijs vormt voor haar zeer vroege ontstaan en haar hoge mate van oorspronkelijkheid, verklaart ook haar blijvende en bijzonder sterke greep op de harten van alle Aramese christenen in alle tijden van de oosterse christenheid.
5. Als de Peshitta pas tegen het einde van de tweede eeuw zou zijn samengesteld, is het volstrekt onverklaarbaar dat er geen enkele vermelding van de tijd, plaats en omstandigheden van haar ontstaan, noch enige aanwijzing voor het in dat geval recente ontstaan ervan gevonden kan worden bij een of andere eigentijdse of latere christelijke of kerkelijke schrijver, niet in het Aramees, niet in het Grieks en niet in het Latijn. Want als de Aramese christenen honderdvijftig jaar lang verstoken zouden zijn geweest van de Heilige Schriften in een taal die ze konden begrijpen, en toen pas voor het eerst het volle licht van het Evangelie door deze vertaling zouden hebben ontvangen, dan zou de publicatie ervan ongetwijfeld een verbazingwekkende verandering teweeg hebben gebracht in het karakter en de toestand van de Aramese christenheid. Het zou dan vast een bijzonder tijdperk in hun geschiedenis hebben ingeluid, en oplettende schrijvers in die tijd, die dan getuigen zouden zijn geweest van allerlei wonderlijke veranderingen in de levens, zouden er niet aan voorbij hebben kunnen gaan, maar er met verwondering en blijdschap melding van gemaakt hebben.
Toch wordt er door geen enkele schrijver uit die tijd, geen Aramese en geen Griekse, melding gemaakt van dergelijke gebeurtenissen. Dit is toch wel heel vreemd, en de voorstanders van een datering in het eind van de 2e eeuw, zouden uitgedaagd moeten worden om van zoiets een ander soortgelijk voorbeeld uit heel de kerkgeschiedenis te geven. Want welke andere even respectabele Bijbelvertaling kan men nu noemen waarvan de totstandkoming rond 200 n. Chr., en dat nog wel ten behoeve van zoveel christenen die voordien van een Bijbel in hun eigen taal verstoken waren, geheel onopgemerkt bleef, zelfs niet genoemd werd door zo’n groot aantal schrijvers, die allen sterk geïnteresseerd waren in een dergelijke indrukwekkende gebeurtenis?
Als deze argumenten tezamenvoldoende doorslag geven voor ons betoog voor een zeer vroege totstandkoming van de Peshitta, dan moeten wij aannemen dat de meeste boeken die als ‘aanvaarde boeken’ (‹‘homologoumenai’›) worden beschouwd, of het merendeel van de boeken die de eigenlijke Peshitta-canon vormen, al vertaald waren in het laatste deel van de eerste eeuw. Zo vroeg zouden ze in Syrië immers al goed bekend geweest moeten zijn, aangezien ze geschreven waren vóór de verwoesting van Jeruzalem in 70 n. Chr. De enige boeken die hierop een uitzondering vormen, zijn het Evangelie van Johannes en de brieven van Johannes .
(‹redactie EBV: Murdoch gaat hier kennelijk uit van een late datum van het Evangelie van Johannes en van zijn brieven, maar de meningen daarover verschillen, en o.i. dienen wij er rekening mee te houden dat alle Evangeliën en het boek Openbaring voor 70 n. Chr. gereed en beschikbaar waren. Volgens het opschrift van het boek Openbaring in de huidige Peshitta, werd de Openbaring door de apostel Johannes geschreven op het eiland Patmos in de dagen van Nero, dus vóór 70 n. Chr., en mogelijk de 4 kleine ontbrekende brieven niet veel later. De vondst van het boek Openbaring was in de dagen van Murdoch nog niet bekend en werd op wonderlijke wijze 50 jaar na het overlijden van Murdoch door John Gwynn in een collectie manuscripten gevonden en gepubliceerd met een reconstructie van de 4 kleine brieven›).
De boeken van de Peshitta die nog ter discussie stonden (‹‘antilegomena’›), namelijk de tweede brief van Petrus, de tweede en derde brief van Johannes, de brief van Judas en de Openbaring werden ongetwijfeld veel later vertaald (EBV redactie: het boek Openbaring uit het Crawford Manuscript van het Nieuwe Testament van de Peshitta zou pas na het overlijden van Murdoch door John Gwynn ontdekt worden. Zie verderop in dit artikel). De stijl van deze boeken verschilt enigszins van de rest van de Peshitta en lijkt meer op die van de Philoxeense Bijbel, wat wij kunnen zien als een bevestiging van de veronderstelling dat zij pas later zijn vertaald. Hug (‹Inleiding, i. p. 356›) veronderstelt dat deze boeken oorspronkelijk deel uitmaakten van de Peshitta-canon en er later uit zijn weggelaten, terwijl anderen beweren dat ze uitsluitend tot de Philoxeense versie behoren. Geen van beide opvattingen lijkt te kloppen, want als ze, volgens Hug, oorspronkelijk tot de Peshitta behoorden, is het vreemd dat ze zo sterk afwijken van de gebruikelijke stijl van de Peshitta, en ook is het dan vreemd dat ze bijna steeds ontbreken in de manuscripten van deze versie. Hugs opvatting dat ze tot de Philoxeense versie behoren, is eveneens bezwaarlijk, want de stijl van deze boeken komt meer overeen met die van de Peshitta dan met die van de Philoxeense, hoewel ze van beide verschillen. Bovendien is het niet erg aannemelijk dat deze belangrijke boeken onbekend bleven bij de Arameessprekenden christenen en tot in de 6e eeuw niet door hen vertaald zouden zijn. Daar komt nog bij dat er ondanks alles in het midden van de vierde eeuw door Ephraïm, de Arameeër, teksten uit deze ‘antilegomena’ werden aangehaald, d.w.z. meer dan 200 jaar voordat de Philoxeense versie tot stand kwam. (‹Zie Hug, Inleiding, deel i, p. 356, en Michaëlis, Inleiding, deel i, p. 55.›) Het is daarom waarschijnlijk dat ze vertaald werden na de dood van de voorlopers die de canonieke boeken van de Peshitta vertaalden, en dat ze om deze en andere redenen minder gewaardeerd werden door de Arameessprekende christenen en slechts zelden werden opgenomen in hun canonieke boeken.
C. Waar is de Peshitta tot stand gekomen?
De meesten die de oorsprong van de Peshitta terugvoeren tot aan het einde van de eerste en het begin van de tweede eeuw, beschouwen Antiochië als de plaats waar de Peshitta naar alle waarschijnlijkheid is ontstaan, omdat daar de eerste Arameessprekende gemeente werd bijeengebracht, en vervolgens ook vanwege het werk van Barnabas en Paulus, en later Silas in en vanuit die plaats. Daar onderwezen ook de apostel Kefa en Johannes, bijgenaamd Marcus en Silas, een metgezel van Paulus, en daar werden de discipelen voor het eerst ‘CHRISTENEN’ genoemd. Die stad was de hoofdstad van heel Syrië. Paulus, Kefa en ook andere apostelen, kwamen er vaak naar toe. Daar bloeide lange tijd de moederkerk van heel het toenmalige Syrië, en van daaruit werd het Evangelie verspreid, niet alleen in heel Syrië, maar ook in Mesopotamië en in alle landen waar Aramees gesproken werd (‹redactie EBV: en uiteraard ook naar Klein-Azië, Griekenland, Rome en heel Europa›). Geen enkele plaats was zo gunstig gelegen en bood zulke mogelijkheden en zulke kansen voor het samenstellen van de Aramese versie van het Evangelie van Jezus Christus.
Michaëlis (‹Inleiding, ii. i. 39›) is het hier echter niet mee eens, en hij werd in zijn opvattingen door de meeste latere Duitse schrijvers gevolgd. Hij zegt: “De gangbare opvatting in Europa, dat de Peshitta in Antiochië werd samengesteld, werd nooit in Azië (‹het Nabije Oosten›) aangehangen”, en “het is op zich ook zeer onwaarschijnlijk, want Grieks was de gangbare taal in alle steden ten westen van de Eufraat, en vooral in Antiochië. Er kan dus geen enkele reden zijn geweest om in die stad een vertaling van het Griekse Testament (‹naar het Aramees›) te maken. Hoewel er geen traditie bestaat dat het Aramese Nieuwe Testament in Edessa zou zijn geschreven, zou dat vanzelfsprekend de meest voor de hand liggende plaats zijn geweest. Het is immers een stad waar het christendom in de eerste eeuw werd gevestigd, een stad die door de wereldleiders werd omarmd, die er kerken bouwden met alle pracht en praal van heidense tempels, en van waaruit het christelijke geloof al in een vroeg stadium verspreidde naar de oostelijke delen van Azië. Bovendien was het niet alleen Aramees de taal van de stad, maar was het gedurende vele eeuwen de oostelijke metropool van de christelijke wereld.” Verder zegt Michaëlis (‹p. 74›): “Syrië had een staatskerk in een vroeger stadium dan welk ander land in Europa dan ook, want de koningen van Edessa bekeerden zich tot het christendom vóór het midden van de eerste eeuw, en de kerkdiensten werden (‹door hen›) met plechtigheid, pracht en praal bijgewoond. Wanneer een nieuwe religie op deze manier in het openbaar wordt ingewijd, is het van het grootste belang om ervoor te zorgen dat er een oorspronkelijke uitgave van de heilige Schriften beschikbaar komt voor de openbare eredienst.” Zover Michaëlis.
Het is echter nog al wat om te beweren dat Grieks zozeer de gangbare taal was in heel Syrië ten westen van de Eufraat, en zo algemeen door het gewone volk werd begrepen, dat er geen vertaling van de Bijbel in het Aramees nodig was. (‹Zie Dr. E. Robinsons Biblical Repository, deel i, blz. 309-363, Andover, 1831›) En hoewel wij erkennen dat het christendom al vroeg voet aan de grond kreeg in Osrhoena, en met name in Edessa, bestaat er zoveel onzekerheid over de bekering van Abgarus en zijn besluit om het christendom in de eerste eeuw tot staatsgodsdienst te verheffen, en zo weinig bewijs voor het regelmatig bezoek van de apostelen en mannen van apostolisch kaliber aan die stad, dat het de vraag is of dat Edessa werkelijk ‘de oostelijke metropool van de christelijke wereld’ tot ver in de tweede eeuw zou zijn geweest, zodat we beslist redenen hebben voor onze aarzelingen over dit onderwerp. Naar onze mening heeft Antiochië evenveel recht op de titel van geboorteplaats van de Peshitta als Edessa, als wij ervan uitgaan dat deze afkomstig is van de apostelen of van mannen van apostolisch kaliber, en al in de eerste eeuw geschreven is.
D. De waarde van de Peshitta
De grote waarde van deze vertaling ligt in haar hoge ouderdom, in de bekwaamheid en getrouwheid van de vertalers, en in de grote verwantschap van de taal met die van onze Heer en zijn apostelen. In al deze opzichten is zij de uitnemendste en voortreffelijkste onder de talrijke vertalingen van het Nieuwe Testament. Hieronder zullen wij de uitspraken van verschillende geleerden en onderzoekers weergeven die bijzondere aandacht aan deze ongeëvenaarde Aramese tekst van het Nieuwe Testament van de Peshitta hebben besteed.
James Martini, hoogleraar in Wittenberg, zegt in zijn uitgebreide voorwoord bij het Aramese Nieuwe Testament, geredigeerd door Trostius in 1610: “Laat degenen die lichtzinnig over deze versie spreken, weten dat het Aramees, zo niet de taal waarin Christus zelf met zijn apostelen sprak, dan toch zeer dicht in de buurt komt van de volkstaal van onze Heiland en zijn volgelingen, en dat de meest recente boeken van het Nieuwe Testament als eerste daarin vertaald (redactie EBV: waarom niet ‘opgeschreven’?) werden, en dat bovendien in dezelfde tijd toen de apostelen (‹die goddelijke leraren die Christus Zelf had opgeleid en die door de Heilige Geest waren verlicht en onderricht›) de eerste fundamenten van de christelijke kerk onder de volken legden. Ik geef toe dat het een versie is, maar het is de eerste en oudste van alle versies. Het is een versie, jawel, maar het is een versie die de voorkeur verdient boven alle andere, omdat ze oorspronkelijker en juister is. Het is een versie, zeg ik nogmaals, maar gemaakt door een van de evangelisten, of anders door een van degenen die de apostelen bij zich hadden in Antiochië, die ze konden raadplegen en beluisteren als ze spraken over veel van de moeilijke passages. En daarom kunnen we alleen op deze versie terugvallen wanneer er onduidelijkheden of moeilijkheden voorkomen in het oorspronkelijke Grieks (‹redactie EBV: we zien hier de verwarring bij Martini, want de Peshitta is volgens hem de beste versie, terwijl het Grieks de oorspronkelijke versie is. Martini is niet de enige geleerde die tot zo’n eigenaardige spagaat-overtuiging zijn toevlucht neemt. Waarom zouden beide b.v. niet oorspronkelijk kunnen zijn, of de Peshitta oorspronkelijke en het Grieks een vertaling?›) Alleen deze versie kan veilig geraadpleegd en gebruikt worden, wanneer er twijfel bestaat over de betekenis of de vertaling van een passage. Alleen hierdoor wordt de Griekse tekst verlicht en correct uitgelegd. Want de autoriteit van deze versie komt dicht in de buurt van het Griekse origineel.” Tot zover Martini.
Wolfgang Francis, een collega van Martini, zegt in zijn ‘Treatise on Hermeneutics’ (‹p. 46›): “Alle geleerden verkondigen en verklaren dat de Peshitta de zuiverste van alle versies (‹van het Nieuwe Testament›) is, en ongetwijfeld is ze zo nauwkeurig door heilige mannen overgeleverd, omdat Christus in het Aramees sprak en predikte, zodat we er geen twijfel over hoeven te hebben dat de apostelen en de andere apostolische voormannen de woorden van Christus hebben onderzocht en bewaard, en zich met heilig ontzag hebben ingespannen om deze Aramese tekst vast te leggen.” En (‹p. 38›), zo zegt hij: “Van alle versies van het Nieuwe Testament is het ongetwijfeld de Aramese tekst die het hoogst in aanzien staat en die de nauwkeurigste, voortreffelijkste en goddelijkste is - die uiterst getrouw overgeleverd is door de apostelen, die zich de recent gesproken woorden van Christus en zijn apostelen goed herinnerden en de betekenis ervan begrepen. Want Christus zelf gebruikte deze taal.”
Immanuel Tremellius (‹1510-1580›) - een joods-christen uit Italië - zegt in het voorwoord van zijn Latijnse vertaling van een fragmentarische versie van Nieuwe Testament van de Peshitta, in het jaar 1568: “Het is volkomen in overeenstemming met de waarheid dat de Peshitta tot stand is gekomen in het begin van (‹de gemeente van Jezus Christus›) en van de christelijke kerk, hetzij door de apostelen zelf, hetzij door hun discipelen, tenzij we zouden veronderstellen dat zij bij het schrijven alleen rekening hielden met vreemdelingen en weinig of niets gaven om hun eigen landgenoten.” Tremellius is bekend geworden om zijn bijdrage aan de Polyglot Bible van Elias Hutter van 1569, waarin het de kolom van het Aramese NT verzorgde. (‹redactie EBV: Volgens James Morrison (‹1902›) zou Immanuel Tremellius op zijn sterfbed hebben uitgeroepen: ‘Niet Barabbas, maar Jezus!’, in het Latijn: ‘Vivat Christus, et pereat Barabbas’.›)
Brian Walton (‹1600-1661›) zegt in de inleidende opmerkingen bij zijn ‘Biblia Polyglotta’ (‹p. 92›): “De Aramese tekst van het Nieuwe Testament toont het oorspronkelijke karakter van de tekst en bevestigt de integriteit ervan. Want de tekst volgt grotendeels strikt de Griekse tekst ...” Omdat het Nieuwe Testament in het Grieks is geschreven door mannen van wie de moedertaal Aramees was, is het overal doorspekt met Aramese uitdrukkingen. Daarom bevestigt Louis de Dieu (‹in zijn ‘Harmonium trium Linguaraum’, Harmonie van de drie Talen›) dat de juiste betekenis van (‹sommige›) formuleringen in het Nieuwe Testament nauwelijks begrepen kan worden, dan alleen vanuit het Aramees. Niemand zal immers durven beweren dat de zinsbouw en de formuleringen van de evangelisten en apostelen puur Grieks zijn. Voor Europeanen zou het makkelijker zijn om de elegantie van de taal van Plato en Aristoteles na te bootsen, dan het voor Plato en Aristoteles zou zijn om het Nieuwe Testament uit te leggen, omdat de heilige mannen, (de apostelen) in het Aramees bedachten wat ze in het Grieks opschreven, waarbij zij belangrijke woorden uit hun eigen taal als vreemde woorden in de tekst invoegden.”
Nadat Walton enige variatie in de spelling van bepaalde Aramese woorden, zoals Golgota, Akeldama, Mammon, enz., in het Griekse en Aramese Nieuwe Testament heeft toegelicht door te stellen dat de Peshitta van beide Testamenten, het Oude en het Nieuwe, in het dialect van Antiochië geschreven is, en niet in het dialect van Jeruzalem, concludeert hij als volgt: “Uit deze oudste versies leiden we af dat de Aramese taal van het grootste belang was, omdat de schrijvers van het Nieuwe Testament, voor wie deze taal hun moedertaal was, eerst Gods Woord predikten aan de Joden en aan de volken om hen heen, en die woorden pas later in het Grieks opschreven, maar de tekst bleef overal ‘smaken’ naar het Aramees. Sterker nog, het Aramees was de volkstaal van onze Heer en Verlosser Zelf, Hij zoog die taal in met de moedermelk en in die taal openbaarde de eniggeboren Zoon van God aan de wereld de wil van God en de uitdrukkelijke beloften van het eeuwige Leven. Deze taal heiligde Hij met zijn heilige lippen, in deze taal onderwees Hij de leer van het Evangelie, in deze taal richte Hij zijn gebeden tot de Vader, onthulde Hij de geheimenissen die voor de wereld verborgen waren en hoorde Hij de stem van de Vader uit de hemel komen, zodat wij kunnen zeggen: ‘De taal van de mensen is de verheven taal van God’. En, zoals een dichter over een samensteller van een Aramees woordenboek zei: “Hij leert ons spreken met de mond van God.” Bovendien is dit de taal van christelijke geleerden in vrijwel het hele Nabije Oosten, zoals blijkt uit de liturgieën en de uitoefening van de geestelijke taken in de kerk die bijna overal in deze taal worden uitgevoerd.”
Ezra Stiles (‹1727-1795›), voormalig president van Yale College, zei in zijn aanstellingsrede: “Verwant aan, het Hebreeuws, of liever een ‘bat-kol’, een ‘dochtertaal’ ervan, is het Aramees, waarin het grootste deel van het Nieuwe Testament (‹naar ik meen›) oorspronkelijk geschreven werd, en niet slechts vertaald, in het apostolische tijdperk. .... Het Aramese Nieuw Testament heeft daarom groot gezag, sterker nog, wat mij betreft, heeft het dezelfde autoriteit als het Griekse.”
De opvatting van Ezra Stiles, dat het grootste deel van de boeken van het Nieuwe Testament oorspronkelijk in het Aramees geschreven werd, niet slechts vertaald, is beslist niet zo uitzonderlijk dat er geen andere voorstanders van die opvatting zouden zijn. Velen hebben geloofd dat het Evangelie van Mattai en de Brief aan de Hebreeën, zo niet ook enkele andere boeken, oorspronkelijk in het Hebreeuws of Joods Aramees geschreven werden. En J. A. Bolten (‹in de Duitse vertaling van de brieven, met aantekeningen, Altona, 1800, 2 delen, 8 vol.›) beweert dat bijna alle brieven eerst door de apostelen in het Aramees, hun moedertaal, geschreven moeten zijn en vervolgens door hen zijn toevertrouwd aan enkele van hun Griekssprekende metgezellen (‹b.v. Titus, Timoteüs - redactie EBV: deze twee worden in de Peshitta overigens als Arameeërs aangeduid - Tertius, Sosthenes, enz.›), die ze vóór publicatie in het Grieks vertaalden. En Bertholdt (‹Inleiding, § 46, deel i, blz. 148-154›) benadert en verdedigt ook deze opvatting, en hij denkt dat de geleerden, na voldoende tijd van bezinning, het over het algemeen wel zullen accepteren. Een dergelijke veronderstelling doet geen enkele afbreuk aan het gezag van het oorspronkelijke Grieks, omdat zij veronderstelt dat de Griekse vertaling onder speciale leiding van de apostelen is gemaakt en door hen is gecontroleerd en volledig goedgekeurd. Maar het laat ons wel zien dat de Aramese Peshitta mogelijk meer is dan een simpele vertaling en mogelijk evenveel gezag zou kunnen hebben als de Griekse.
John D. Michaelis zegt in zijn ‘Introduction to the New Testament (‹vertaling van Marsh, ed. Londen, 1802, deel ii, blz. 1, blz. 40, enz.›): “De Peshitta is de allerbeste vertaling van het Griekse Testament die ik ooit heb gelezen, en die van Luther komt op de tweede plaats ...” Van alle Aramese schrijvers die ik ken, met uitzondering van Efraïm, de Arameeër en Bar-Hebraeus, is de taal ervan het meest elegant en zuiver, niet volgepropt met vreemde woorden, zoals de Philoxeense versie en andere latere geschriften, en de tekst verraadt de hand van een meester in de weergave van die passages waar de manier van uitdrukken in de twee talen duidelijk van elkaar afwijken. Het vertoont geen sporen van de stijfheid van een vertaling, maar is geschreven met het gemak en de vloeiendheid van een origineel. De uitnemende stijl moet worden toegeschreven aan de ouderdom ervan en aan het feit dat deze is geschreven in een stad die de residentie was van Arameessprekende koningen (‹redactie EBV: hij bedoelt Edessa, zie hiervoor›) ... Het is waar dat de Aramese versie, zoals alle menselijke producten, niet vrij van fouten is, en (‹wat niet als een gebrek moet worden beschouwd›) geregeld afwijkt van de moderne uitleg. Maar ik ken geen enkele die zo vrij is van fouten, en geen enkele versie van het Nieuwe Testament, die ik met zoveel vertrouwen raadpleeg in geval van moeilijkheden in de tekst en twijfel. Ik ben nog nooit een geval tegengekomen waarin het Grieks zo (‹in het Aramees›) wordt weergegeven, dat het enige zwakte of onwetendheid van de vertaler verraadt (‹redactie EBV: Michaëlis lijkt het Griekse NT als de maatstaf voor de juiste tekst te beschouwen, terwijl hij tezelfder tijd lijkt aan te nemen, dat de Aramese tekst er eerder was. Deze voor ons eigenaardige gedachte komen wij bij meer onderzoekers tegen›), en hoewel in veel andere vertalingen het origineel op zo’n ongewone manier wordt weergegeven dat men zich niet aan een glimlach kan onttrekken, moet de Aramese Peshitta altijd met diep respect gelezen worden.”
Na een paar zinnen voegt Michaelis eraan toe: “De verwantschap van het Aramees ervan met het Aramese dialect van Palestina is zo groot, dat het in sommige opzichten de stelling rechtvaardigt dat de Aramese vertaler de handelingen en woorden van Christus heeft vastgelegd in de taal die Hij sprak. Het verschil tussen het dialect dat Christus sprak en dat van de Aramese vertaler was wezenlijk vrijwel niet anders dan een verschil in uitspraak, en als men dit voordeel op de juiste wijze zou hebben benut, zou de Aramese versie het meest waardevolle commentaar (‹redactie EBV: zie voorgaande redactionele noot›) op het Nieuwe Testament zijn.” Veel onduidelijke passages zouden duidelijk worden als de woorden die Jezus met zijn discipelen in het Aramees sprak, nog steeds waren opgetekend. Maar de vertaler lijkt niet het in de omstandigheid te hebben verkeerd om passages van deze aard te hebben mogen weergeven. Alleen al deze omstandigheid is voldoende bewijs dat de Aramese versie niet door één van Christus’ directe discipelen is geschreven.” (‹Ibid. p. 44›) “De Aramese Peshitta brengt ons soms tot juiste en voortreffelijke verklaringen, waar andere hulp ontoereikend is, bijvoorbeeld Mattai 7, Johannes 16:2; Romeinen 9:22 en 13:3, en bevestigt enkele oude gewoonten waarin we zeer geïnteresseerd zijn, zoals de viering van het Avondmaal in de samenkomsten op zondag, 1 Korintiërs 11:20. En bij het ontdekken van de betekenis van een ongewoon woord, of van de ongebruikelijke betekenis van een gewoon woord, waar geen hulp van de Griekse schrijvers te verkrijgen is, kan de Aramese Peshitta bijzonder van dienst zijn, aangezien de vertaler waarschijnlijk bekend was met de taal van het dagelijks leven, evenals met de geschreven taal, en in die zin heeft de Peshitta, op zijn minst, net zoveel gezag als een Grieks woordenboek uit latere tijden.” - (‹p. 45.›)
“Het voornaamste voordeel van de Aramese versie lijkt te liggen in het gebruik ervan voor kritische doeleinden. De hoge ouderdom ervan, en de frequente afwijking van de gangbare lezing in passages van belangrijke aard, zullen het gebruik ervan aanbevelen aan elke criticus, die over het algemeen beloond zal worden voor zijn moeite ...” Het verschil tussen de Aramese Peshitta en het grootste deel van de Griekse manuscripten is geen reden om de eerste te veroordelen. Het is natuurlijk om aan te nemen, gezien de grote ouderdom ervan, dat deze in veel gevallen moet afwijken van de Griekse manuscripten, waarvan de oudste meer dan vierhonderd jaar later zijn geschreven en grotendeels afkomstig zijn uit landen ver van Syrië.”
E. Manuscripten van de Peshitta
In zijn ‘Novi Test. Versiones Syriaear’, Hafn. 1789, quattro, verdeelt J. G. C. Adler de manuscripten van het Nieuwe Testament van de Peshitta in twee klassen: de Jakobitische en de Nestoriaanse. De eerste werd geschreven in Mesopotamië, Syrië, Palestina en Egypte, de laatste in Perzië en Oost-Indië. Er is echter weinig verschil tussen de teksten van de twee. De meeste kopieën van beide laten de 2e brief van Petrus weg, de 2e en 3e brief van Johannes, de brief van Judas en de Openbaring. Ook het verhaal van de overspelige vrouw, Johannes 7:53 tot 8:11, wordt doorgaans weggelaten, en ook de omstreden tekst, in 1 Johannes 5:7 en zo ook in Lukas 22:17-18.
De Nestoriaanse manuscripten rangschikken de boeken van het Nieuwe Testament in een speciale, eigen volgorde. Na de vier evangeliën, die ze gewoonlijk in een apart boekdeel samenvoegen en het EVANGELIE noemen, rangschikken zij de andere boeken, die zij de APOSTELEN noemen als volgt:
(‹1›) Handelingen;
(‹2›) de drie algemene brieven (‹1e brief van Petrus, 1e brief van Johannes en de brief van Jakob›);
(‹3›) de veertien brieven van Paulus, in dezelfde volgorde als in onze Bijbels.
Zowel de Jakobieten als de Nestorianen verdelen al deze boeken in ‘Lectiones’. d.w.z. ‘Lezingen’ voor de openbare eredienst, en wel zodanig dat ze allemaal eenmaal per jaar worden voorgelezen. Het aantal lezingen uit de Evangeliën komt uit op 248, en uit Handelingen en de Brieven op 245. De lengte van de lezingen varieert, afhankelijk van het karakter van de dagen waarvoor ze zijn bedoeld, en de samenhang en betekenis van de passages. De gemiddelde lengte van de ‘Lezingen’ is ongeveer 15 en 1/4 van onze verzen, of de helft van de gemiddelde lengte van onze hoofdstukken.
Naast deze indeling in Lezingen voor de openbare eredienst is er ook een indeling in hoofdstukken of paragrafen, afhankelijk van de betekenis. Een Nestoriaans manuscript verdeelt deze boeken in 165 hoofdstukken. Elk is gemiddeld anderhalf keer zo groot als de hoofdstukken in een Engelse Bijbel. Een ander manuscript, een Jakobitische Codex van de Evangeliën, verdeelt de Vier Evangeliën in 1389 korte hoofdstukken of paragrafen, die gemiddeld minder dan drie verzen per stuk tellen. Tot voor kort bevond de grootste verzameling Aramese manuscripten zich in de Bibliotheek van het Vaticaan in Rome, waarvan Assemani een goede beschrijving heeft gegeven in zijn Bibliotheca Orientalis Clementina Vaticana. Maar er waren ook andere te vinden in Florence, Milaan, Parijs, Wenen, Oxford en elders. Adler geeft (‹in zijn hiervoor genoemde werk›) een overzicht van veertien Peshitta-manuscripten van het Nieuwe Testament, waarvan er acht van Jakobitische en zes Nestoriaanse oorsprong zijn. Van de acht Jakobitische manuscripten bevatten er zeven alleen de vier evangeliën, en de achtste alleen de Handelingen en de brieven. Van de zes Nestoriaanse manuscripten bevatten er drie alle boeken van de eigenlijke Peshitta-canon, één bevatte alleen de vier Evangeliën en twee bevatten alleen de brieven van Paulus. De datering van deze veertien manuscripten varieert van 548 n. Chr. tot aan de Reformatie. De manuscripten die vóór 800 n. Chr. zijn geschreven, zijn allemaal in het Estrangelo schrift. De latere manuscripten, indien Jakobitisch, gaan steeds meer over in het cursieve schrift, om uiteindelijk te eindigen in de moderne Aramese letters. De Nestoriaanse manuscripten van na 800 n. Chr. zijn geschreven in het schrift dat nog steeds in gebruik is onder de Nestoriaanse christenen, een aangepaste vorm van het Estrangelo schrift, dat aanzienlijk verschilt van ons gedrukte Aramees.
Dr. Buchanan, die in de jaren 1806 en 1807 veel reisde onder de Syrische christenen in India, ‘ontdekte en verkreeg’ (‹volgens Dr. Horne›) ‘talrijke oude manuscripten van de Heilige Schrift, die nu in de openbare bibliotheek van Cambridge worden bewaard. Eén manuscript daarvan, dat werd ontdekt in een afgelegen Syrische kerk in de buurt van de bergen, is bijzonder waardevol. Het bevat het Oude en het Nieuwe Testament, met geweldige precisie op sterk perkament in het Estrangelo schrift geschreven, op groot folioformaat, met drie kolommen per pagina.” “Volgens Yeates, die een tekstvergelijking van de Pentateuch heeft gepubliceerd, werd het rond de zevende eeuw geschreven.” Dit is de zgn. Buchanan Codex die we later nog zullen bespreken.
Mar Johanan, de bisschop van Gavalan in Urumia, die enkele jaren geleden dit land bezocht, bracht een Aramees Nieuw Testament mee, geschreven op perkament, in het Nestoriaanse schrift, in een zeer dik quattro-boek. De datering ervan is niet vastgesteld, maar gezien het schrifttype is het waarschijnlijk niet erg oud. Dit, en enkele andere Aramese manuscripten, worden bewaard in de Missionary Rooms van A. B. For. Ms. in Boston. De bibliotheek van de American Oriental Society in Boston bevat eveneens enkele Aramese manuscripten.
De “London Quarterly Review” van december 1845 bevat een artikel over waardevolle manuscripten die onlangs vanuit de kloosters van Egypte naar Engeland zijn gebracht. Deze kostbare schat werd voor het eerst ontdekt door Lord Prudhoe in 1828 en is sindsdien bijna volledig opgekocht en naar Engeland vervoerd. De manuscripten zijn in het Koptisch, Ethiopisch, Aramees en Arabisch. De ouderdom ervan varieert vanaf 411 n. Chr. en zo verder. Een manuscript uit 464 n. Chr. van de Pentateuch van de Aramese Peshitta is het oudste Bijbelse manuscript. Er zijn ongeveer dertig volumes van deze versie van delen van het Oude Testament, die alle gedateerd zijn rond de zesde eeuw. Van het Nieuwe Testament van de Peshitta zijn er veertig manuscripten van ongeveer dezelfde datum. De ouderdom van deze werken, en het gezag van deze versie, maken ze van grote waarde voor onderzoekers van de Bijbel. Onder de andere werken in deze verzameling bevindt zich naar verluidt “De Recensie van het Oude en Nieuwe Testament, door Mar Jakob, bisschop van Edessa” (‹uit de zevende eeuw‹›). Naast deze Bijbelse werken bevat deze rijke collectie een groot aantal theologische werken uit dezelfde oude tijd.
F. Gedrukte uitgaven van de Peshitta
1. De eerste gedrukte uitgave van de Peshitta werd in 1555 in Wenen, Oostenrijk, verzorgd en gefinancierd door keizer Ferdinand I, op aandringen van zijn kanselier, Albert Widmansted. Deze was bedoeld voor verspreiding onder de Jakobitische christenen in het Oosten. De Jakobitische ‘patriarch’ stuurde in 1552 Mozes van Marden als zijn gezant naar Europa, met het tweeledige doel (‹1›) om de eenheid met de zetel van de kerk in Rome te versterken en (‹2›) om de druk van het Aramese Nieuwe Testament voor zijn volk te in gang te zetten. Mozes van Marden bracht een manuscript mee, vervaardigd in het Oosten, en hield tevens toezicht op de druk. Een ander manuscript, met de vier Evangeliën, werd ook geraadpleegd. De uitgave werd netjes en zorgvuldig gedrukt in quattro, met de tekst van de Peshitta en alle boeken van het Nieuwe Testament, met uitzondering van de tweede brief van Petrus, de tweede en derde brief van Johannes, de brief van Judas en het boek Openbaring. Het verhaal van de overspelige vrouw werd weggelaten. Omdat deze uitgave vrijwel volledig naar het Oosten werd gestuurd, zijn exemplaren ervan zeldzaam in Europa.
2. In 1568 herdrukte Emmanuel Tremellius in Heidelberg de editie van Wenen in folioformaat, in Hebreeuwse letters, en voegde er een Latijnse vertaling aan toe, die hij zelf had gemaakt. Hij bezat ook een Aramees manuscript, maar maakte er weinig gebruik van.
3. In 1571 herdrukte Guy le Fèvre de la Boderie (‹Boderianus›) dezelfde tekst, zowel in Aramese als Hebreeuwse letters, vergezeld van een Latijnse vertaling, in het derde deel van de Antwerpse Polyglotbijbel. Boderie bezat ook een Syrisch manuscript, meegebracht uit het Oosten door Willem Postell, waaruit hij verschillende lezingen putte.
4 & 5. De vierde en vijfde editie waren in Hebreeuwse letters, zonder punten, gedrukt in Antwerpen door Plantin in 1573 en 1575; de eerste in 8vo. de andere 18 maanden
6. In 1584 herdrukte La Boderie in Parijs, quattro, de Aramees tekst in Aramese letters, met een interlineaire Latijnse vertaling.
7. In 1579 voegde Elias Hutter Tremellius Hebreeuws-Aramese tekst toe aan zijn Polyglot Nieuwe Testament en vulde de ontbrekende boeken aan met Syrische vertalingen van zijn eigen hand.
8. In 1621 herdrukte Martin Trost in Kothen, in Anhalt, de Aramese tekst van de Weense uitgave, in fraaie Aramese lettertypen, met een Latijnse vertaling; 1 deel, quattro. Tot dan toe waren de 2e brief van Petrus, de 2e en 3e brief van Johannes, de brief van Judas en de Openbaring niet van manuscripten gedrukt. Maar in 1627 publiceerde Lewis de Dieu in Leiden de Openbaring, uit een manuscript dat uit India was meegebracht en eigendom was geweest van Scaliger; en in 1630 publiceerde Edward Pocock, ook in Leiden, de vier ontbrekende brieven, uit een manuscript in de Bodleian Library in Oxford. Sindsdien bevatten de Peshitta-uitgaven van het Nieuwe Testament alle boeken die de canon van het Nieuwe Testament vormen.
9. In 1645 werd het Peshitta Nieuwe Testament opgenomen in de Parijse Polyglot, gekopieerd van de Antwerpse Polyglot, en uitgebreid met de ontbrekende brieven en de Openbaring; het geheel werd herzien en gecorrigeerd door Gabriel Sionita.
10. In 1653 heruitgaf de Londense Polyglot het volledige Syrische Nieuwe Testament uit de Parijse Polyglot en voegde daar voor het eerst de geschiedenis van de overspelige vrouw aan toe uit een manuscript dat toebehoorde aan aartsbisschop Usher.
11. In 1664 publiceerde Giles Gutbir zijn Syrische Nieuwe Testament in Hamburg, in een middelgroot 12mo-volume, voor algemeen gebruik. Zijn tekst is die van Trost, met enkele aanpassingen, en wordt gevolgd door een lijst met verschillende lezingen, voornamelijk afgeleid van de gedrukte edities. Dit is een goedkope en zeer gangbare editie, en het zou een goede editie zijn als de typografie naar behoren zou zijn geweest. Het wordt doorgaans vergezeld van een goed, beknopt lexicon van het Syrische Nieuwe Testament.
12. In 1684 herdrukte Christian Knorre in Salzbach de editie van Plantin uit 1573 in Hebreeuwse letters, in 12mo-formaat.
13. In 1713 drukte de Congregatie voor de Propaganda van het Geloof in Rome het Nieuwe Testament, in het Aramees en Arabisch, in 2 delen, folio, voor gebruik door de Maronieten.
14. In 1708 publiceerden John Leusden en Charles Schaaf in Leiden hun uitstekende editie, in het Syrisch en Latijn, in groot quattro-formaat, met een uitgebreide lijst van de verschillende lezingen in verschillende edities. Deze editie werd in 1717 herdrukt door Schaaf. Hij publiceerde samen met beide edities ook zijn hoog gewaardeerde Lexicon Syriacum Concordantiale in Novum Test. Syr., in groot quattro.
15. In 1713 werd de tekst van Schaaf opgenomen in de Biblia Quadralinguia van Christian Reineccius, Leyden, folio.
16. In 1805 gaf Richard Jones in Oxford, in quattro, opnieuw de tekst van Schaaf uit, gecorrigeerd door twee Syrische manuscripten in de Bodleian Library en door het Commentaar van Bar-Hebraeus, dat zich in dezelfde bibliotheek bevond.
17. In 1816 publiceerde de British and Foreign Bible Society in Londen (‹Richard Watts, drukker›) een zeer fraaie editie van de Aramese tekst, gecorrigeerd door manuscripten, in 552 pagina's, quattro, bedoeld voor distributie in India. “Deze editie” (‹zegt een zekere Horne›), “werd voor de druk gecorrigeerd, wat betreft de Handelingen van de Apostelen, door wijlen dr. Buchanan, en hij werd voltooid door Samuel Lee, professor Arabisch aan de Universiteit van Cambridge.”
18. In 1826 was er een tweede druk door de British and Foreign Bible Society van hun editie van 1816, in een redelijk, maar kleiner lettertype, in 360 pagina’s, quattro. Deze editie werd waarschijnlijk onder supervisie van professor Lee uitgevoerd.
19. Ten slotte: In 1846, nadat de missionarissen van de A.B.C.F.M. in Oroomiah, Perzië, hun vertaling van het Nieuwe Testament in het dialect van de moderne Nestorianen hadden voltooid, drukten ze het, samen met de Aramese tekst, in parallelle kolommen af, beide kolommen in het moderne Nestoriaanse schrift, met in de kantlijn alle afwijkingen van de Aramese tekst ten opzichte van de Griekse tekst. Het werd gedrukt in Urumia, in één deel, groot quattro. De Aramese tekst van deze editie lijkt overeen te komen met die van de British and Foreign Bible Society.
Het wordt vaak betreurd dat de redacteurs van het Nieuwe Testament van de Peshitta ervoor gekozen hebben om zo min mogelijk tijd te geven en moeite te doen voor het vergelijken van de manuscripten om een correcte tekst samen te stellen. Ze hebben grotendeels de oorspronkelijke editie gevolgd, met enkele wijzigingen in de klinkertekens, en zij hebben slechts weinig wijzigingen toegestaan op basis van de gezaghebbende manuscripten. De gangbare tekst, zo wordt gezegd, lijkt voornamelijk afgeleid te zijn van de Nestoriaanse manuscriptenfamilie en die behoeft eigenlijk een grondige vergelijking, vooral met manuscripten van de Jakobitische familie.”
Tot zover onze weergave van de woorden van James Murdoch over de Peshitta.
G. Drie bekende Peshitta vertalers
Een tijdgenoot van James Murdoch was John Wesley Etheridge (‹24 februari 1804 – 24 mei 1866›) die al eerder dan Murdoch met de vertaling van het Nieuwe Testament van de Peshitta (‹Peshitto›) naar het Engels was begonnen. in 1846, toen Murdoch met zijn vertaling begon, waren alleen nog de 4 Evangeliën klaar, maar in 1849 was de vertaling van het Nieuwe Testament compleet en waren de namen ‘gearamiseerd’ met als eerste voorbeeld daarvan de Naam van Jezus Christus: ‘Jeshu Masjiga’, maar zo ook alle namen.
Voor het boek Handelingen en voor de Brieven maakte Etheridge gebruik van de Leusden & Schaaf Editie van het Nieuwe Testament (‹1717›). Voor de op dat moment nog steeds ontbrekende teksten van 2 Pt., 2 & 3 Jh. en de brief van Juda maakte Etheridge gebruik van de teksten van Dr. Pococke van de Philoxeens/Harkleense vertalingen die op het Grieks NT teruggaan. Voor het boek Openbaring maakte Etheridge gebruik van en Louis de Dieu. Etheridge is veel letterlijker dan Lamsa maar ook moeilijker leesbaar, maar wij waarderen zijn precisie en toewijding aan het werk. Voor ‘God’ gebruikt hij de transliteratie van het Aramees: ‘Aloha’. De druk ervan 1846 werd voorafgegaan door ruim 250 pagina’s met kostbare informatie over oosterse christenheid. De druk ervan in 1849 bevat een schat aan informatie over de oude Bijbelvertalingen in het Midden-Oosten. Hieronder kort overzicht van zijn leven en werk
|
John Wesley Etheridge (‹1804 - 1866›) John Wesley Etheridge (‹24 februari 1804 – 24 mei 1866›) was een Engelse non-conformistische predikant en geleerde. Hij was de eerste die de vier evangeliën vanuit de Aramese Peshitta in het Engels vertaalde (‹1846›), kort voordat het volledige Nieuwe Testament door James Murdock werd vertaald (‹1856›). Leven Etheridge werd geboren bij Newport, op het eiland Wight. Hij ontving het grootste deel van zijn vroege opleiding van zijn vader. Hoewel hij nooit naar de universiteit ging, verwierf Etheridge uiteindelijk een grondige kennis van het Grieks, Latijn, Hebreeuws, Aramees, Frans en Duits. In 1824 werd hij door de Wesleyan Methodist Church aangesteld als plaatselijk predikant. In 1826 werd zijn aanbod om voorganger te worden aanvaard, en na de gebruikelijke proeftijd kreeg hij tijdens de conferentie van 1831 een volledige aanstelling. De twee jaar daarop bleef hij in Brighton, maar in 1833 verhuisde hij naar Cornwall, waar hij achtereenvolgens in de kerkelijke kring van resp. Truro en Falmouth werd aangesteld. Van Falmouth verhuisde hij naar Darlaston, waar zijn gezondheid in 1838 sterk achteruitging. Hij was vele jaren invallend voorganger en woonde een tijdlang in Caen (‹Normandië›) en Parijs, waar hij in de openbare bibliotheken ruime mogelijkheden vond om zijn geliefde Oosterse studies voort te zetten. Nadat zijn gezondheid aanzienlijk was verbeterd, werd hij in 1843 predikant van de Methodistenkerk in Boulogne-sur-Mer. Hij keerde in 1847 terug naar Engeland en werd achtereenvolgens benoemd in de kerkelijke kring van Islington, Bristol, Leeds, Penzance, Penryn, Truro en St Austell in Oost-Cornwall. Kort na zijn terugkeer naar Engeland behaalde hij zijn doctoraat aan de Universiteit van Heidelberg. Hij was een geduldige, bescheiden, hardwerkende en nauwkeurige wetenschapper. Hij overleed op 24 mei 1866 in Camborne. Werken Zijn belangrijkste werken zijn: • A Literal Translation Of The Four Gospels from the Peschito (1846) • Horae Aramaicae (‹1843›) • History, Liturgies and Literature of the Syrian Churches (‹1847›) • The Apostolical Acts and Epistles, from the Peshito or Ancient Syriac to which are added the remaining Epistles and the book of Revelation after a later Syrian text (‹1849›) • Jerusalem and Tiberias, a Survey of the Religious and Scholastic Learning of the Jews (‹1856›) • The Life of the Rev. Adam Clarke, LL.D. (‹1858, 2nd Ed›) • The Targums of Onkelos and Jonathan ben Uzziel (‹1st vol. in 1862, 2nd in 1865›) Hoewel de bekende Ierse zendelinge Amy Carmichael (‹1867-1951›) pas een jaar nadat Etheridge overleden was, geboren werd en pas 16 jaar later met haar ouders naar Belfast verhuisde, heeft zij mogelijk al vroeg van de Peshitta van het NT gebruik gemaakt, want in haar dagboek ‘Edges of His Ways’ haalt zij teksten eruit aan. Zij was vanaf 1895 55 jaar zonder verlof werkzaam in India o.a. onder de Syrische christenen en bijzonder betrokken bij de zorg voor kinderen geboren uit tempelprostitutie. |
|
James Murdoch (‹1776-1856›) James Murdock, de vertaler van het Syrische Nieuwe Testament, werd geboren in Noord-Amerika in Westbrook, Connecticut, op 16 februari 1776. Hij was de zoon van Abraham Murdock en Hannah Lay. Abraham, die in 1777 in Westbrook op 26-jarige leeftijd stierf, was de zesde van de zeven zonen en het elfde van de dertien kinderen die Frances Conklin baarde aan John Murdock, die geboren was in East Hampton, Long Island, in 1706, en die vroeg naar Westbrook verhuisde. Deze John Murdock was majoor van de provinciale troepen, diaken in de Congregational Church en rechter bij het Hof van Algemene Zaken. John was op zijn beurt weer het enige kind van Peter Murdock, die in 1679 in Limerick, Ierland, werd geboren, rond 1700 naar Amerika kwam en trouwde met Mary Fithin uit East Hampton, Long Island, waar hij het grootste deel van zijn leven doorbracht. Hij was de zoon van weer een andere John Murdock, een wolbewerker in Limerick, tijdens de regeringen van Karel II en Jakobus II, die trouwde met Mary Munson en van haar een zoon en drie dochters kreeg. Hij verloor al zijn bezittingen tijdens het beleg van Limerick in 1690 en stierf rond 1695. Uit dit godvrezende, Bijbelgetrouwe Schotse geslacht, kwam James Murdock voort, die met veertien maanden wees werd, en zijn jeugd doorbracht in Westbrook tot hij 15 jaar oud was. Hij had een onverzadigbaar verlangen naar kennis en wist met veel moeite een Latijnse grammatica en bijbehorend woordenboek te bemachtigen, die hij in het geheim bestudeerde, tussen de zware handarbeid door, totdat hij op vijftienjarige leeftijd begon met de voorbereiding op zijn studie aan de universiteit bij zijn oom, voorganger Jonathan Murdock uit Bozrah, Connecticut. Op 8 oktober 1790 trouwde James Murdock met Lydia R., dochter van Jeremiah Atwater uit New Haven. Zij bleek voor hem een trouwe en vrome echtgenote en een toegewijde moeder voor hun tien kinderen, van wie sommigen op jonge leeftijd overleden. Na een intensief leven waarin hij overwegend een goede gezondheid genoot, een leven dat hij vrijwel geheel besteedde aan universitaire arbeid, dienstbaarheid in christelijke gemeentes en deelname aan de prediking van het Evangelie, zien wij hem op zeventigjarige leeftijd bezig om zijn beperkte kennis van de Aramese taal op te frissen, de taal van de apostelen zelf. Bij gebrek aan een goede Aramese grammatica, ging hij ertoe over om er zelf een samenstellen. Hij ontrafelde stap voor stap de vormen en vervoegingen van de Aramese werkwoorden en vertaalde het Nieuwe Testament van de Peshitta in het Engels, zodat anderen ook van de kennis die hij daaruit had opgedaan, konden profiteren. Hij maakte voor die vertaling gebruik van de druk ervan door de British Foreign Bible Society (‹BFBS›) in Londen, van 1816, en van de 2e editie daarvan uit 1826, waarbij hij ook de tekst raadpleegde van de Leusden en Schaaf editie (‹Leiden 1777›), een druk die door Claudius Buchanan en Samuel Lee, professor in de Arabische Studiën was voorbereid. Op tachtigjarige leeftijd stortte hij zich volledig op de studie van de Arabische taal en stelde hij voor eigen gebruik een Arabische grammatica samen, met een precisie en elegantie die een twintigjarige student zou sieren. In de herfst van 1855 ging Dr. Murdock naar Columbus, Mississippi, waar hij een heerlijke winter doorbracht bij het gezin van zijn zoon. Hij bezocht verschillende delen van het zuiden van het land en keek ernaar uit om het volgende voorjaar terug te keren naar New Haven. Ziekte trof hem echter, en zijn lichamelijke krachten begaven het. Hoewel alles wat liefde kon ingeven of vaardigheid kon bedenken werd gedaan, vloeide de levensstroom uit Murdoch weg totdat hij, rond 4 uur ‘s ochtends op 10 augustus 1856, in de vaste en zekere hoop op het eeuwige leven door Jezus Christus onze Heer, ‘insliep’. |
|
George M. Lamsa (‹1892-1975›) - ܓܝܘܪܓܝܣ ܠܡܣܐ Leven Lamsa werd geboren op 5 augustus 1892 in Mar Bishu in het uiterste oosten van het huidige Turkije of beter gezegd in de streek Urumia, waar wij al over lazen in West-Azerbadjan in Iran. Aramees was zijn moedertaal. Het gebied waar Lamsa opgroeide, was tot aan de 1e wereldoorlog bijzonder afgezonderd van de buitenwereld. Pas na die oorlog werd het gebied meer ontsloten en kwam er meer informatie over heel de bewoonde wereld het gebied binnen. Als jongen bestond Lamsa's voornaamste taak uit het hoeden van de schapen. Zijn moeder was betrokken bij de oosterse kerk met al haar riten en bijgeloof, zoals ook de westerse kerk daarvan doortrokken is. Lamsa’s formele opleiding begon bij de priesters en diakens van de oude kerk van het Oosten. Lamsa is nooit getrouwd, maar wijdde zijn leven aan Gods roeping. Aan het begin van de eerste wereldoorlog, toen Turkije invasies begon, werd Lamsa gedwongen te weg te vluchten van de keizerlijke Universiteit van Constantinopel – waar hij studeerde. Hij vertrok naar Zuid-Amerika. Het leven was in die jaren zwaar. Hij kende slechts drie woorden Spaans: water, werk en brood. Hij wist zich zo goed en zo kwaad als het ging in leven te houden: een tijdlang bij de Britse koopvaardij, daarna werkend aan het spoor en in de mijnen, en later in drukkerijen – een vak dat hij tijdens zijn opleiding had geleerd. Na zijn aankomst in de Verenigde Staten, toen hij begin twintig was, werkte Lamsa overdag als drukker en volgde hij 's avonds onderwijs. Later studeerde hij aan het Episcopal Theological Seminary in Alexandria (‹Virginia›) en aan Dropsie College in Philadelphia. Lamsa stierf op 22 september 1975. Werk Door zijn worsteling met het Engelse taal in die jaren begon Lamsa geleidelijk aan zijn levenswerk: het vertalen van de Schrift vanuit het Aramees naar het Engels. Er zouden echter nog vele jaren verstrijken voordat de wereld kennis kon maken met zijn vertalingen. Hij behoorde tot de Assyrische kerk van het Oosten. Hij vertaalde heel de Peshitta, zowel het Oude als het Nieuwe Testament, in het Engels. Hij was ervan overtuigd dat de Peshitta de oorspronkelijke tekst van het Nieuwe Testament was en dat het Griekse Nieuwe Testament uit het Aramees vertaald was, de enig juiste visie was. Dat Jezus Zelf Aramees sprak, en ook zijn discipelen, was voor Lamsa een belangrijk bewijs hiervan. Lamsa wist zich door de Heilige Geest geleid bij al zijn vertaalwerk en de ermee gepaard gaande diepe studie van Gods Woord. Lamsa overleed op 22 september 1975 in Turlock, Californië, waar hij ook begraven ligt. Lamsa meende weliswaar dat het merendeel van het Oude Testament in het Hebreeuws geschreven was, maar dat het origineel verloren geraakt was. De tegenwoordige Hebreeuwse versie zou een vertaling zijn vanuit het Oude Testament van de Peshitta, maar die gedachte kunnen wij gerust van ons afschudden, want de Jesajarol van Qumran, werd geschreven voor het Oude Testament van de Peshitta, dat pas in de 2e eeuw n. Chr. tot stand zou zijn gekomen, en de tekst van deze Jesajarol is zeer hoge mate gelijk aan de tekst van de Tenach. Het werk van Lamsa werd vooral bekritiseerd om zijn opvattingen m.b.t. de tekst van Mt. 27:46 en Mk. 15:35 die volgens hem niet betekende: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?, maar ’Mijn God, mijn God, hiertoe ben Ik bewaard’ of ‘gespaard’. Een voetnoot van Lamsa zegt, dat daarmee bedoeld zou zijn: ‘Dit is mijn bestemming’. De bekende Aramese deskundig Payne Smith e.a. bestrijden deze vertaling, omdat het werkwoord in de 2e pers. enkelvoud staat en als eerste betekenis ‘verlaten’ heeft. |
IV. DE PESHITTA - DE EERSTE VOLLEDIGE DRUK
De Peshitta is de volledige Aramese Bijbel: Oude en Nieuwe Testament. Het Oude Testament is een vertaling van de Hebreeuwse en deels Aramese Tenach, zoals het Oude Testament van elke Nederlandse Bijbel dat ook is. Het Nieuwe Testament van de Peshitta wordt door de meeste Syrische christelijke gemeenschappen beschouwd als het origineel en als de woorden van Jezus Christus en dit wordt tot nu toe in de samenkomsten gebruikt, ook al spreken en begrijpen steeds minder gelovigen deze taal door de overheersing van het Arabisch in het Midden-Oosten.
DE EERSTE DRUK VAN HET VOLLEDIGE
ARAMESE NIEUWE TESTAMENT VAN DE PESHITTA in 1555
De oude manuscripten zijn van vitaal belang voor de overdracht van Gods Woord door de eeuwen heen, het zijn de getuigen die wij hebben van de grondtekst of de oorspronkelijke tekst. Dat geldt voor het Oude Testament en voor het Nieuwe Testament.
Wat betreft het Hebreeuwse/Aramese Oude Testament is de Codex Leningrad (‹Latijn: Codex Leningradensis = Leningrad Boek, in het Hebreeuws: כתב יד לנינגרד›) het oudste volledige manuscript van de Hebreeuwse Bijbel. Het maakt gebruik van de Masoretische tekst en van de Tiberiaanse vocalisatie. Volgens het colofon ervan is deze in 1008/1009 n. Chr. in Caïro gemaakt. De Aleppo Codex is enkele tientallen jaren ouder, maar hoewel deze aanvankelijk ook heel de Tenach, d.w.z. heel het Oude Testament, bevatte, zijn er gedurende de anti-Joodse rellen in Aleppo in 1947 delen van kwijtgeraakt, waardoor de Leningrad Codex de oudste volledige codex is die is overgebleven van de zgn. Tiberiaanse ‘masora’.
In 1935 werd de Leningrad Codex voor een periode van twee jaar uitgeleend aan het Seminarie van het Oude Testament van de Universiteit van Leipzig. In die periode gaf Paul E. Kahle leiding aan het overschrijven van de Hebreeuwse tekst ervan ten behoeve van de 3e editie van de ‘Biblia Hebraica’ (‹BHK›), gepubliceerd in Stuttgart, 1937. De codex werd ook gebruikt voor de ‘Biblia Hebraica Stuttgartensia’ (‹BHS›) in 1977, en wordt ook gebruikt voor de ‘Biblia Hebraica Quinta’ (‹BHQ›). Als een oorspronkelijk werk van de Tiberiaanse Masoreten was de Leningrad Codex enkele eeuwen ouder dan andere Hebreeuwse manuscripten die gebruikt waren voor alle voorgaande edities van de gedrukte Bijbel tot aan de Biblia Hebraica.
De Westminster Leningrad Codex is een digitale versie van de Leningrad Codex die wordt verzorgd door J. Alan Groves van het ‘Center for Advanced Biblical Research’. Dit is een versie van de Michigan-Claremont tekst, die is overgeheveld van de BHS aan de Universiteit van Michigan in 1981–1982 onder leiding van H. Van Dyke Parunak (‹van de Universiteit van Michigan›) en Richard E. Whitaker (‹van het Institute for Antiquity and Christianity, Claremont Graduate University›) met fondsen van de Packard Foundation en van de Universiteit van Michigan, met aanvullende proeflezingen en correcties. Deze versie is voorzien van tal van gereedschappen o.a. om de syntax te analyseren.
Wat betreft het Aramese Oude Testament hebben wij hiervoor na afsluiting van paragraaf II. E. een kort overzicht gegeven van de bronnen van het Oude Testament van de Peshitta. Er is een online versie van.
Wat betreft het Griekse Nieuwe Testament verwijzen wij naar de Nestle-Aland editie, afgekort NA28, genaamd ‘Novum Testamentum Graece’, een uitgave van de ‘Deutsche Bibelgesellschaft’,
Wat betreft het Nieuwe Testament van de Peshitta hebben wij al besproken dat vanaf het begin, d.w.z. vanaf de dagen van het concilie van Efeze in 431 n. Chr. het Nieuwe Testament van de Peshitta was samengesteld uit 22 boeken. Lange tijd ontbraken de 4 kleine brieven, waarover wij het onder B. zullen hebben, en ook ontbrak het boek Openbaring, waar het ons in dit deel van ons artikel over gaat.
Zoektochten naar manuscripten en vondsten van manuscripten hebben de gemoederen van de onderzoekers voortdurend beziggehouden en we geven de lezer graag een wat levendiger beeld daarvan uit een artikel van H.L. Hastings in zijn ‘Historical Introduction to the Peshitto Syriac (‹=Aramaic›) New Testament’, een inleiding die onderdeel is van de publicatie van James Murdoch met zijn Engelse vertaling van het Nieuwe Testament. Hastings schrijft:
“De gemeente van Jezus Christus is al lange tijd vertrouwd met de Heilige Schrift in het Hebreeuws en het Grieks. De Latijnse ‘vulgaat’, of gangbare versie, die al vroeg werd gemaakt voor gebruik door mensen die de oorspronkelijke talen niet verstonden, is zowel in het origineel als in een Engelse vertaling bekend. Maar de Syrische of Aramese versie was eeuwenlang vrijwel onbekend bij Europese geleerden. Toch was ze, hoewel onbekend, welbekend: ze bestond, werd gelezen, bestudeerd, uitgelegd, geciteerd, geliefd en gekoesterd, en nu ze (‹midden 19e eeuw›) prominenter onder de aandacht van het publiek komt, lijkt het gepast om aandacht te besteden aan de geschiedenis van het behoud ervan, de kanalen waarlangs ze naar Europa is gekomen en de bijzondere omstandigheden waardoor ze in de openbaarheid is gebracht.”
Het Aramees was weinig bekend in Europa en in kerkelijke kringen. Een zekere Teseo in Rome, die goed was in Latijn, kwam in contact met Arameessprekende Maronieten uit Libanon waaronder een zekere Elias, en die beiden raakten bevriend, terwijl een Jood die Arabisch verstond hielp en wel als volgt: ‘Elias vertaalde het Aramees naar het Arabisch en de Jood vertaalde vervolgens dit Arabisch naar het Latijn, zodat het kringetje rond kwam. Het speelde allemaal om en nabij 1500. Zo leerde de begaafde Teseo Aramees en wilde al snel na zijn eerste vorderingen een druk van het boek Psalmen in het Aramees verzorgen. We moeten beseffen dat het de eerste dagen van de opkomst van de boekdrukkunst in Europa waren, en het beproefde, maar tijdrovende, overschrijven van manuscripten zou al vlug overschaduwd worden door de opmars van de drukpers waarbij honderden kopieën in steeds hoger tempo van de pers gingen rollen.
Door oorlogsgeweld raakte Teseo echter al zijn splinternieuwe koperen lettermatrijzen, gietvormen en alle manuscripten voor de druk kwijt. In 1529 ontmoet hij een Duitse jongeman genaamd John Albert Widmanstadt, die net als Teseo advocatuur had gestudeerd, maar erg geïnteresseerd bleek in Oosterse talen, en zich het Grieks en Hebreeuws eigen had gemaakt. Johann Albrecht Widmannstetter of Widmestadius (‹1506 – 28 March 1557›), zoals hij ook wel genoemd wordt, was een Duitse humanist, oriëntalist, filoloog en theoloog en hij zou later ook diverse politieke functies bekleden zoals die van kanselier onder keizer Ferdinand I.
Teseo weet de interesse van Widmanstadt te wekken voor een nog in zijn bezit zijnd manuscript van de vier Evangeliën in het Aramees van de Peshitta en vervolgens geeft hij dat aan Widmanstadt. Deze begint Aramees te leren met hulp van Ambrogio, die hem aan het eind van zijn onderwijs het manuscript van de vier Evangeliën meegeeft. Vervolgens zoekt Widmanstadt, waarschijnlijk in de loop van 1533, de hulp van de paus voor de druk ervan, maar de paus overlijdt in 1534 en de hoop van Widmanstadt is vervlogen, ook al gaat hij door met het leren van Aramees en Arabisch.
Teseo werpt zich op de druk, die uiteindelijk in 1537 plaatsvindt, van zijn “Introduction to the Chaldaic, Syriac, Armenian and ten other languages’, aangevuld met het ‘Onze Vader’, de gelijkenis van de bruiloftsfeest in Mt. 27 en enkele passage uit de Peshitto.
Ambrogio stuit in 1534 in een winkel van een sausmaker als door een wonder op het in de oorlog kwijtgeraakte Aramese manuscript dat Teseo had willen drukken.
Widmanstadt op zijn beurt, ontdekt na de ontvangst van de uiterst kostbare Aramese Evangeliën van Teseo (‹redactie EBV: naar wij aannemen van Ambrogio›), een tweede manuscript van de Aramese Evangeliën in de bibliotheek van Tolmei in Sienna, ten zuiden van Florence in Italië. Hij schrijft het over en bewaart het samen met het manuscript dat hij van Teseo had ontvangen, en blijft zinnen op het in de openbaarheid brengen van het Nieuwe Testament van de Peshitta..
In de herfst, waarschijnlijk van 1533, als hij op terugreis is vanuit Heilbronn in Duitsland naar Wenen in Oostenrijk, waar hij door politieke omstandigheden was komen te wonen, ontmoet hij onverwachts een Arameessprekende priester, genaamd Mozes uit Mardin, een strategisch bolwerk van de Arameessprekenden christenen ongeveer 70 km ten zuidoosten van Diyarbakir in het zuidoosten van het huidige Turkije, dichtbij de grens met Syrië. De man was op bezoek in Italië om Widmanstadt op te zoeken. Hij had Ambrogio leren kennen, die aan Widmanstadt Aramese les had gegeven, en Ambrogio had hem geadviseerd om Widmanstadt op te zoeken. Deze Mozes van Mardin was al zo’n 3 à 4 jaar voor deze ontmoeting als een soort bemiddelaar tussen Antiochië en Rome op reis gegaan naar Europe, maar tegelijkertijd was hij ook op zoek naar middelen om het Nieuwe Testament van de Peshitta te drukken. Hij was daarvoor naar Venetië gegaan, want daar waren de beroemde drukkers Aldus Manucius en Daniël Bomberg, maar het had allemaal niets opgeleverd, totdat hij op een bepaald moment in contact kwam met Guillaume Postel, een briljante, excentrieke Fransman (‹die vastliep in het kabbalisme en syncretisme›), die onlangs was teruggekomen uit het Midden-Oosten en een manuscript van het Nieuwe Testament had meegenomen voor Bomberg. Deze Fransman kende ook Ambrogio, die ook aan hem Aramees had onderwezen, en ook hij, net als eerder Ambrogio, raadt Mozes van Mardin aan om Widmanstadt op te zoeken. Op wonderlijke wijze lukt het Mozes van Mardin om met hulp van de kerkelijke autoriteiten naar Augsburg te reizen en vandaar naar Dillingen, waar waarschijnlijk in 1533 de al genoemde ontmoeting in de herfst plaatsvond tussen Mozes van Mardin en Widmanstedt, die op terugreis naar Wenen was. Twee mannen met dezelfde visie - een visie die Widmanstedt al jaren koesterde en die Mozes van Mardin van Azië naar Europe had doen reizen en over de Alpen heen van Italië naar Duitsland - kwamen eindelijk bijeen.
Widmanstedt nam Mozes mee naar Wenen en stelde hem voor aan keizer Ferdinand I. Zij ontvingen politieke en financiële ondersteuning voor hun drukplannen van keizer Ferdinand en beide mannen zouden de komende jaren samenwerken om de druk van de Aramese uitgaven voor te bereiden en te verzorgen. De kunstenaar Caspar Grapht graveerde de drukstempels in staal voor het slaan van de lettermatrijzen, een prachtig lettertype werd in tin gegoten, en Michael Cymbermann, of Zimmerman, was de drukker. De Aramese Evangeliën werden gedrukt op 18 mei 1555, de brieven van Paulus op 18 Juli en het boek Handelingen op 14 augustus, en heel het boekwerk werd voltooid op 27 september. Het was de eerste gedrukte editie van heel het Nieuwe Testament van de Peshitta, met uitzondering van de vijf boeken: Openbaring, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Juda(‹s›) (‹zie deel III. van dit artikel, en wel de paragraaf over de gedrukte uitgaven van de Peshitta ad. 1 ›).
|
Zo kwamen uit twee verschillende gemeenschappen, in Libanon en Mardin, de manuscripten op gezag waarvan de eerste gedrukte uitgave van het Aramese Nieuwe Testament ter wereld kwam. Geloofsgemeenschappen, gescheiden in plaats, kerkelijke traditie en zonder onderling contact, hielden elk toch vast aan dit betrouwbare Woord van God als het anker van hun hoop, de lamp voor hun voeten en het licht op hun pad. |
V. DE PESHITTA in MALABAR en URUMIA
A. Claudius Buchananop reis in India - Malabar
Hoewel we op dit punt van ons artikel nog steeds ‘op zoek zijn’ naar het boek Openbaring, willen wij, voordat wij de wonderlijke vondst daarvan gaan belichten, toch nog enkele boeiende fragmenten van Hastings historische inleiding op het Aramese Nieuwe Testament van de Peshitta in de Engelse vertaling van Murdoch aan de lezer meegeven. Hastings schrijft:
“Het belang van de Aramese versie van de Schrift werd snel erkend en er ontstonden felle discussies over de ouderdom en oorsprong ervan. Het boek zelf bleef echter verborgen in de vertrekken van de geleerden, weinigen konden het bestuderen, en het grote deel van de christenheid werd de mogelijkheid onthouden om het te gebruiken. Maar hoewel er een eeuw voorbijging waarin er geen grote vooruitgang werd geboekt in Aramese studies en onderzoeken, werd het Aramese Testament niet vergeten, en deden zich omstandigheden voor die het duidelijker onder de aandacht brachten van het christelijke publiek. Onder deze omstandigheden kunnen de onderzoeken van Claudius Buchanan worden genoemd, die deel uitmaakte van een andere groep ‘schatbewaarders’ van de Peshitta ... Deze Buchanan reisde naar Malabar in India, waar een aanzienlijke gemeenschap van christenen was die hun samenkomsten in het Aramees hielden en die verbonden waren met de kerk van het Oosten.
Bij aankomst daar trof Buchanan talloze christelijke kerken aan, en toen hij ’s avonds een stad naderde, hoorde hij het geluid van klokken in de heuvels, wat hem naar eigen zeggen, “even deed vergeten dat ik in Hindoestan was, en me aan een ander land deed denken.” De eerste Arameessprekende kerk die ik zag, was in Mavelikar. De Syrische kerk hier had vaak bezoek gehad van rooms-katholieke afgevaardigden. Ze hadden wel van de Engelsen gehoord, maar dachten dat die tot de kerk van de paus behoorden. Ze konden niet geloven dat ik met een vriendschappelijke bedoelingen was gekomen. Ik had een gesprek met een zeer intelligente priester over de oorspronkelijke taal van de evangeliën, waarvan hij volhield dat het Aramees was. ‘Hoe kunnen we weten,’ zei hij, ‘dat jullie standaardversie van de Bijbel de ware en oorspronkelijke tekst is? We kunnen niet afwijken van onze eigen Bijbel. Het is het ware boek van God, onvervalst, het boek dat voor het eerst werd gebruikt door de christenen van Antiochië. Welke vertalingen jullie in het Westen hebben, weten wij niet, maar de ware Bijbel van Antiochië hebben wij al veertienhonderd jaar, of langer, in de bergen van Malabar. Sommige van onze exemplaren zijn heel oud, zo oud dat zij in vervallen staat verkeren, zodat ze nauwelijks nog langer bewaard kunnen blijven. Jullie geven toe,’ zei hij, ‘dat onze Heiland onze taal sprak. Hoe weten jullie dat? Op grond van de Aramese uitdrukkingen in de Griekse evangeliën. Jezus sprak Aramees toen Hij over de weg wandelde (‹‘Effatha’›), en toen Hij in het huis zat (‹‘Talita qumi’›), en toen Hij aan het kruis hing (‹‘Eli, Eli, lama sabachthani?’›)’ De Syriër was blij toen hij hoorde dat wij hun taal in onze Engelse boeken hadden opgenomen. ‘Maar,’ voegde hij eraan toe, ‘als de gelijkenissen en toespraken van onze Heer in het Aramees waren, en de inwoners van Jeruzalem die taal algemeen gebruikten, is het dan niet wonderlijk dat zijn discipelen zijn woorden niet in het Aramees zouden hebben opgetekend en dat ze hun toevlucht tot het Grieks zouden hebben genomen?” Ik merkte op dat Grieks destijds de universele taal was, en dat de Voorzienigheid die daarom had uitgekozen. ‘Het is zeer aannemelijk’ zei hij, ‘dat de evangeliën direct daarna in het Grieks zijn vertaald, net als in andere talen, maar er moet toch zeker een Aramees origineel zijn geweest. De arme mensen in Jeruzalem konden geen Grieks lezen. Hadden ze dan geen aantekeningen in handen van Jezus Christus, van gelijkenissen die ze hadden gehoord en van zijn indrukwekkende toespraken die na zijn hemelvaart door Johannes waren opgetekend?” Ik erkende dat sommige geleerden geloofden dat het Evangelie van Mattai oorspronkelijk in het Aramees geschreven was. Dus u geeft toe dat Mattai in het Aramees is geschreven — u kunt dat net zo goed ook ten aanzien van Johannes erkennen. Of was één evangelie soms genoeg voor de inwoners van Jeruzalem?’ Ik betoogde dat er veel Griekse en Romeinse woorden in hun eigen Aramese evangeliën stonden. ‘Klopt,’ zei hij, ‘Romeinse woorden voor Romeinse dingen!’
In Chinganúr werd ik in de kerk ontvangen door drie priesters, en de mensen kwamen om me heen staan ... Ik zei tegen de oudste priester: ‘U lijkt me een volk dat betere tijden heeft gekend.’ ‘Dat klopt,’ zei hij, ‘de glorie van onze kerk is vergaan, maar we hopen dat uw volk die weer zal doen herleven.’ Ik merkte op dat de glorie van een kerk nooit kon afsterven, als zij de Bijbel bewaarde. ‘We hebben de Bijbel bewaard,’ zei hij, ‘maar de kennis ervan is gering. We hebben maar weinig exemplaren en het overschrijven van een complete kopie van de Heilige Schrift is een grote klus.’ Daarop haalde ik een gedrukt exemplaar van het Aramese Nieuwe Testament tevoorschijn. Geen van hen had ooit eerder een gedrukt exemplaar van de Peshitta gezien. Ze bewonderden het heel erg en elke priester begon, zodra hij het in handen kreeg, een gedeelte ervan in vloeiend Aramees voor te lezen, terwijl de vrouwen eromheen kwamen staan om te luisteren. Ik vroeg de oude priester of ik hen enkele exemplaren uit Europa zou mogen sturen. ‘Die zouden hun gewicht in goud waard zijn,’ zei hij. Hij vroeg me of het Oude Testament ook in het Aramees gedrukt was, net als het Nieuwe. Ik vertelde hem dat dat inderdaad het geval was, maar dat ik geen exemplaar bij me had. Ze gaven aan dat ze graag enkele exemplaren van de complete Aramese Bijbel wilden hebben, en vroegen of het mogelijk zou zijn om één exemplaar voor elke kerk te verkrijgen. De priester zei: ‘Het Aramees is nu alleen nog de taal van de geleerden, en die van de kerk, maar wij leggen de Schriften over het algemeen aan het volk uit in de volkstaal, het Malayalam.’
In Kandenad, de residentie van metropoliet Mar Dionysius, een bijzonder vrome man, sprak Claudius Buchanan over het voorbereiden van een vertaling en het drukken van de Bijbel in het Malayalam. Ook ontving hij Aramese manuscripten, waaronder een groot folio, met drie kolommen per pagina, met daarin het Oude en Nieuwe Testament, prachtig geschreven op stevig perkament. Buchanan zei: ‘Ik had nauwelijks verwacht dat de Arameessprekende kerk dit manuscript zou hebben afgestaan, maar de bisschop was zo vriendelijk het aan mij te overhandigen, en daarbij zei hij: ‘Het is veiliger in uw handen dan in de onze. En toch,’ zo zei hij, ‘hebben wij het, zoals sommigen menen, al bijna duizend jaar bewaard.’ ‘Ik wens,’ antwoordde Buchanan, ‘dat Engeland het nog eens duizend jaar zal bewaren.’
Dit exemplaar bevindt zich nu in Cambridge in Engeland. Het geschrift wordt de Buchanan Codex genoemd die beide Testamenten bevat en in het Nieuwe Testament ook de vier kleine brieven: 2 Petrus, 2 & 3 Johannes en Juda(‹s›), maar het boek Openbaring ontbrak nog steeds. De Codex kan online geraadpleegd worden.
Toen Buchanan in slechte gezondheid naar Engeland terugkeerde, deed hij een dringend beroep op het Bijbelgenootschap om een uitgave van de Bijbel in het Aramees uit te brengen, want hoewel hij een exemplaar naar de Syrische bisschoppen wilde sturen als voorbode van meer, kon hij in het hele Britse koninkrijk geen enkel los exemplaar van de Aramese Bijbel te koop vinden.
In 1807 bezocht Dr. Buchanan voor de tweede keer Travancore en bracht het manuscript van de vertaling van het Nieuwe Testament in het Malayalam afkomstig van aartsbisschop Dionysius naar Bombay om het daar te laten drukken. Vijfduizend exemplaren van de Evangeliën werden gedrukt op kosten van de British & Foreign Bible Society (‹BFBS›) en in de afgelopen zeventig of tachtig jaar zijn er tussen de drie- à vierhonderdduizend Bijbels of delen daarvan door het Bijbelgenootschap in het Malayalam gedrukt voor gebruik door deze Syrische kerken – die volgens de volkstelling van 1836 precies 118.382 zielen telden, terwijl de Romo-Syrische christenen - die naar men meent ontstaan is op de prediking van de apostel Toma(‹s›) al in 52 n. Chr. in de eerste eeuw - 56.184 zielen telden. Ze worden ook genoemd de Paḻayakūṟ, d.w.z ‘oude getrouwen’.
Sindsdien zijn er verschillende edities van de Aramese Bijbel en het Nieuwe Testament gepubliceerd in Engeland en Amerika, en de Aramese versie heeft enige aandacht gekregen die het belang en de verdiensten ervan verdienden. Maar er waren weinig toegankelijke manuscripten, en de mogelijkheden voor een zorgvuldige, kritische studie van de tekst ontbraken nog.
Maar Hij die zo wonderbaarlijk over deze versie van de Heilige Schriften had gewaakt, had andere getuigen van de zuiverheid en integriteit ervan, die te zijner tijd onder de aandacht gebracht zouden worden.”
B. De Syrische christenen bij het meer van Urumia
Hastings geeft het volgende verslag van de Syrische christenen van Urumia of Urmia:
“Op betrekkelijk korte afstand van de plaats waar vroeger Ninevé lag, op de oostelijke oever van de Tigris, tegenover de huidige stad Mosul, strekt zich over honderdvijftig mijl een bergachtig gebied naar het noordoosten uit in de richting van meer van Urmia (‹redactie EBV: momenteel ligt dit meer en het omliggende gebied op het grondgebied van Iran aan de westzijde van het meer, terwijl de bekende Iraanse stad Tabriz aan de oostzijde van het meer ligt›). Het is een zout meer van ongeveer tachtig mijl lang en dertig mijl breed (‹redactie EBV: het waterniveau van dit meer is momenteel dalend met alle gevolgen van dien›). Aan de westelijke oever ervan is een prachtige, vruchtbare vlakte in de provincie Urumia, aan de oostelijke voet van het Koerdische gebergte. De vlakte is ongeveer veertig mijl lang en ligt ter hoogte van het midden van het meer gerekend van noord naar zuid. Deze vlakte is ongeveer twintig mijl breed.
Twaalf mijl van het meer af en twee mijl vanaf de bergen, ligt de stad Urumia, het oude Thebarma, dat volgens de overlevering de geboorteplaats is van Zoroaster, de stichter van de religie van de vuuraanbidders (‹redactie EBV: waartoe ook de Yezidi’s behoren›). De juistheid van deze overlevering wordt bevestigd door het feit dat er op verschillende delen van de vlakte diverse kunstmatige heuvels zijn te vinden, die elk een oppervlak van ± 60 bij 60 mtr innemen of ook wel het dubbele ervan, en die oprijzen tot een hoogte van 20-30 meter en eruit zien als enorme ashopen die zich in de loop van vele eeuwen hebben gevormd door de ‘eeuwige’ vuren die te maken hebben met de occulte manier van hun aanbidding.
In deze stad Urmia, te midden van een bevolking van dertig- tot veertigduizend mensen, bevindt zich een gemeenschap die bekend staat als de Nestorianen, bestaande uit vijf- of zeshonderd zielen. In de grote vlakte, met de eraan grenzende hellingen van de bergen, die een gebied van ongeveer zeshonderd vierkante mijl beslaan, liggen zo’n driehonderdveertig dorpen, en onder deze dorpen bevinden zich ook een aantal Nestoriaanse dorpen. Daarnaast zijn er in andere provincies en in de ruigste delen van het Koerdische gebergte, in gebieden zo ruig dat alleen de meest behendige muilezel erdoor kan trekken, ook verspreide Nestoriaanse geloofsgemeenschappen van dezelfde afkomst en van hetzelfde geloof.
Het totale aantal mensen dat tot dit bijzondere volk behoort, wordt geschat op ongeveer 140.000. Ze zijn goed gebouwd, met regelmatige, mannelijke gezichtstrekken en zij hebben een donkere huidskleur. Zij zijn dapper, edelmoedig, vriendelijk en zo onafhankelijk als maar mogelijk is onder de islamitische overheersing. Hun volkstaal, hoewel aangetast en beïnvloed door het Perzisch, Aramees, Koerdisch en het Turks, wordt door moderne geleerden beschouwd als een tak van het oude Oost-Aramees, dat niet rechtstreeks is ontstaan uit de oudere taal die we gewoonlijk Aramees of Syrisch noemen, maar uit een verloren zustertaal. Maar het Oud-Syrisch of Aramees is al eeuwenlang hun literaire en kerkelijke taal. Hun correspondentie wordt vaak in die taal gevoerd, en hun Heilige Schrift en kerkrituelen, evenals bijna alle andere boeken die ze bezitten, zijn geschreven in het Oud-Aramees, en de geestelijken onder hen die de nodige opleiding hebben gehad, kunnen die taal spreken.
Deze gemeenschap staat bekend als de Nestorianen, maar zelf noemen zij zich Suroyee of Syriërs. Het is het overblijfsel van een eens groot en invloedrijk volk, dat in zijn bloeiperiode talrijk was in alle gebieden die zich uitstrekten van Palestina tot China, en dat het Evangelie zelfs tot in het hart van Noord-China verspreidde. Hun kerkvaders woonden in Ctesiphon en Seleucië, maar zij verhuisden rond het jaar 732 naar Bagdad, de hoofdstad van het Saraceense rijk, en vestigden zich uiteindelijk in 1559 in Mosul. Soms, zoals onder Dzenghis Khan, de Mongoolse heerser, bekleedden ze hoge posities in het leger en aan het hof. Onder het bewind van de bloeddorstige Timurlane werden ze echter afgeslacht tot er alleen nog een verstrooide kudde van overbleef. Alleen in de uitgestrekte, ontoegankelijke berggebieden bleven zij grotendeels ongedeerd. Maar gedurende bijna vijftienhonderd jaar - of het nu in vredestijd of in vervolging was, in voorspoed of tegenspoed - hebben zij hun geloof vastgehouden, en dat doen zij tot op de dag van vandaag.
Hun oorsprong is bekend. Nestorius, geboren en opgeleid in Syrië, een oudste in de kerk in Antiochië, werd in 428 na Christus bisschop van Constantinopel. Drie jaar later in 431 werd hij aangeklaagd en geëxcommuniceerd door het derde algemene concilie in Efeze, omdat hij de maagd Maria niet ‘de moeder van God’ wilde noemen, en ook, zoals zij beweerden, omdat hij Christus ‘twee personen’ en ‘twee naturen’ toedichtte - een beschuldiging die hij hardnekkig ontkende. Zonder gehoord te worden, werd hij veroordeeld, uit de kerk gezet en uit zijn ambt ontheven, en vervolgens verbannen naar Arabia Petra. Vier jaar later werd hij naar een van de oases van Libië gedeporteerd, uiteindelijk stierf hij in Boven-Egypte. Natuurlijk leidde zijn ex-communicatie tot veel medeleven. Zijn landgenoten in het Oosten namen het voor zijn zaak op, met name de Syriërs in Edessa en Mesopotamië, de zetel van een grote theologische school. De groep die met hem sympathiseerde, werd sterk, machtig en invloedrijk, totdat ze onder de langdurige onderdrukking van de islamitische heersers als schapen voor de slachtbank werden beschouwd en zo sterk werden uitgedund, dat er alleen maar een restje van hen overbleef.
De beroemde Engelsman Joseph Wolff, een Jood die tot geloof in Jezus, de Messias, gekomen was, verkondigde het Evangelie in verschillende landen, o.a. ook in Israël, dat destijds nog Palestina werd genoemd. Hij bezocht rond 1825 ook Urumia. Hij schrijft: ‘De Syrische geestelijken waren bedroefd door de schaarste aan heilige boeken, met name door weinige Bijbels die er waren. Zij zeiden: ‘We hebben gehoord dat de Engelsen duizend exemplaren per dag kunnen ‘schrijven’, zouden ze er niet een paar duizend kunnen ‘schrijven’ en naar ons kunnen opsturen?’
Mar Yohanan, één van hun bisschoppen, gaf een exemplaar van hun Evangeliën aan Wolff, en hiervan drukte de British & Foreign Bible Society in 1827 een aanzienlijke oplage met speciaal daarvoor gemaakte lettertypes. Dit was ongetwijfeld de eerste druk in het vierkante Nestoriaanse lettertype.
In 1830 werden Eli Smith en H.G.O. Dwight door de Amerikaanse Raad van Bestuur voor Buitenlandse Zending op een zendingsreis door Armenië en Perzië uitgezonden. Ze hadden een boeiende week onder de Nestorianen van Urumia en omgeving, en leerden veel belangrijke feiten kennen over deze bijzondere gemeenschap. Zij melden dat deze christenen door de onderdrukking en vervolging arm zijn geworden en weinig kansen hebben om vooruit te komen. Ze bezitten weinig boeken: de bibliotheek van de kerkelijke patriarch, die als uitzonderlijk groot gold, bevatte maar zestig boekwerken, waaronder ook nog eens dubbele exemplaren voorkwamen. Ze hadden geen gedrukte boeken en in hun alfabet was waarschijnlijk nooit iets gedrukt, maar er waren wel manuscripten van de Psalmen, de Evangeliën en de Brieven, in aparte delen, waarvan sommige honderden jaren oud waren. Twee kerken bezaten de Pentateuch, maar een compleet exemplaar van de Bijbel was bij hen onbekend.
In het dorp Koosy hoorden Smith en Dwight van een hoog in aanzien staand heilig boek, dat volgens de datum die de schrijver erin had gezet, driehonderd jaar vóór het islamitische tijdperk was geschreven, rond 322 n. Chr. Ze bezochten het huis van de priester waar het bewaard werd, en de omstanders ontblootten eerbiedig hun hoofd toen hij de kist, die het Heilige Boek bevatte, opende en er voorzichtig en één voor één tien zijden zakjes en zakdoeken die het boek bedekten, vanaf nam waardoor uiteindelijk een keurige en goed bewaarde kopie van het Aramese Nieuwe Testament van de Peshitta tevoorschijn kwam, geschreven op perkament, in kleine Estrangelo-letters. Een later onderzoek wees uit dat dit Nieuwe Testament-manuscript waarschijnlijk niet ouder was dan 700 jaar, hoewel het mogelijk gekopieerd was van een manuscript met een eerdere datum. Geen enkel aanbod om dit manuscript te kopen wilden ze, al was het maar voor één enkele seconde, overwegen, en ook van hun andere boeken kon er geen enkel exemplaar gekocht worden, aangezien ze maar enkele exemplaren voor eigen gebruik hadden. Pas later zijn er veel manuscripten van het Peshitta Nieuwe Testament vanuit deze gemeenschap naar Amerika gekomen door de Amerikaanse zending. Ze zijn te vinden in Boston, New York en in privébibliotheken, en dateren van ongeveer het einde van de twaalfde eeuw.
Onder deze geïsoleerde gelovigen, die zo lang gescheiden waren van andere christenen, vonden latere ontdekkingsreizigers de hele Peshitta, het Oude en Nieuwe Testament tezamen, met uitzondering van de brief van Judas, 2 en 3 Johannes, 2 Petrus, Openbaring, het verhaal van de vrouw die op overspel betrapt werd in Johannes 8:3-11, en de passage in 1 Johannes 5:7.
Er werd al snel een zendingswerk gestart onder die kerken; Er werden Aramese Bijbels geleverd. Het Nieuwe Testament in oud en modern Aramees in parallelle kolommen werd voor hen gedrukt, en er zijn edities van de Aramese Bijbel voor deze gemeenschap gekomen, die het levende Woord van God zo trouw heeft bewaard. Getroffen door vijanden, overwonnen, afgeslacht, verkracht en onrecht aangedaan, onderworpen aan de afschuwelijke vormen van oosterse tirannie, beroofd van onderwijs en gedemoraliseerd door het leven temidden van de omringende barbarij, toch hebben zij ondanks dit alles vastgehouden aan het trouwe woord van GOD en voor hen is in zekere mate die oude belofte vervuld: ‘Omdat jij het Woord van mijn volharding bewaard hebt, zal Ik ook jou bewaren voor de beproeving die over heel de bewoonde wereld komen zal, om hen die op de aarde wonen op de proef te stellen.’ ”
H.S. Hastings schrijft aan het einde van zijn boeiende verslag over de christenen in Malabar, over de zoektocht van Claudius Buchanan onder christenen in Malabar en over de Syrische christenen bij het meer van Urumia de volgende woorden: “Hoezeer de verschillende christelijke groeperingen zoals de Maronieten en Melkieten, Jakobieten en Nestorianen, Chaldeese christenen in Mesopotamië en monniken in de Nitrische woestijn, Syrische katholieken en de christenen van de heilige Thomas in Malabar ook verschillen, ze zijn één in het aanvaarden, bewaren en doorgeven van de Aramese Peshitta versie van de apostolische verslagen van het leven en de bediening van Hem die de ware Messias is, de Zoon van God, de Redder van de wereld. Of het nu in de vlakten van Syrië is, in de woeste bergen van Koerdistan, langs de oevers van de Tigris en de Eufraat, op de bergterrassen van Libanon, aan de kust van Malabar, te midden van de hoge vestingen van Travancore, tussen de kloosters en graven van de Nitrische woestijn, of in de kerken van de Melkieten in Egypte en Arabië, in al deze streken en onder al deze mensen met verschillende geloofsovertuigingen is deze ene versie van de heilige Schrift algemeen ontvangen en aanvaard, en doorgegeven van generatie op generatie.”
VI. JOHN GWYNN - CRAWFORD MANUSCRIPT
John Gwynn (‹1827-1917›)
|
John Gwynn (‹geboren Larne, Co Antrim, 28 augustus 1827 - 3 april 1917 in Dublin overleden›) was de oudste zoon van Stephen Gwynne (‹1792-1873›), een voorganger in een christelijke gemeente in Ulster, in Noord-Ierland waar de familie Gwynne sinds de 17e eeuw woonde. De spelling van de familienaam was soms met en soms zonder ‘e’ aan het eind. Zijn grootvader en vader hadden de leiding over diverse onderwijsinstellingen nadat zij hun opleiding aan het Trinity College in Dublin hadden ontvangen. John’s moeder Mary Stevenson verdronk bij het zwemmen toen hij 10 jaar was aan de kust van Londonderry. De 2 dochters en 4 zonen werden later verzorgd door een stiefmoeder. In het spoor van zijn vader en grootvader volgde John, na eerst onderwezen te zijn aan de Enniskillen Royal School in Ulster, ook de opleiding aan het Trinity College in Dublin, waar hij m.n. wiskunde studeerde. Zijn vader tekende de volgende woorden op in de winter van 1845: “November 12 ... Na veel vertraging ontvingen wij de mededeling dat John als de beste van alle kandidaten van alle scholen uit de bus kwam. Zijn cijfers waren 25 punten hoger dan die van de tweede man na hem’.” John was er getuige van dat Ierse onafhankelijkheidsstrijders vanuit Dublin naar de haven Kingstown (‹Dún Laoghaire›) afgevoerd werden om vervolgens per schip naar Tasmania bij Australië verbannen te worden. Daaronder was William Smith O'Brien. Zes jaar later - John had toen diverse onderwijsposten vervuld waarbij hij o.a. enkele van O’Briens zonen in de klas had gehad - mocht O’Brien terugkeren en zich weer bij zijn gezin voegen. John maakte met hem kennis en zes jaar later trouwde hij Lucy Josephine, de oudste dochter van O’Brien en zij kregen 10 kinderen, 8 jongens en 2 meisjes. Tijdens zijn leven bleef hij leren en onderwijzen, maar na de voltooiing van zijn Masters in de wiskunde legde hij zich toe op theologie en werd hij ook geestelijk medewerker in de kerk. In 1883 gaf hij zelfs les in theologie aan het Trinity College en ondertussen leerde hij Latijns, Grieks en Hebreeuws. Later leerde hij zichzelf ‘Syriac’ ofwel Aramees aan, o.a. tijdens de treinreizen van Ulster naar Dublin. Hij was een zeer belangrijke sleutelfiguur bij het totstandkomen van de eerste volledige uitgave van de Aramese Peshitta door de BFBS in 1905 (‹zie hierna›), die bestond uit het volledige Nieuwe en Oude Testament. Deze Peshitta wordt tot nu toe gebruikt in door de islam en door innerlijke uitholling bedreigde Oosterse kerken, hoewel de Arabische Bijbel het meest wijdverbreid gebruikt wordt. |
Het Crawford Manuscript dat door John Gwynn gevonden en onderzocht werd, en dat tegenwoordig onderdeel deel uitmaakt van de zgn. John Rylands Library in Manchester, kwam voort uit de verzameling manuscripten uit het Midden-Oosten van Alexander Lindsay, de 25-ste graaf van Crawford. Op de rug van het manuscript staat ‘Crawford Manuscript‘ en met die naam werd het ook gecatalogiseerd. Hoe het manuscript in Europa gekomen is, is onbekend, behalve dat we weten dat het manuscript rond 1860 werd opgenomen met de aanduiding ‘Crawford’s Haigh Hall, Wigan, no. 11. Dit Crawford Manuscript werd door de 26-ste graaf van Crawford in 1901 verkocht aan Enriqueta Ryland en opgenomen in de Ryland Library van Manchester in Engeland. Het is mogelijk een kopie van een veel ouder manuscript.
Rond 1901 werd de collectie van hertog Crawford verkocht en opgenomen in de Ryland Library van Manchester, in Engeland.
Het bijzondere van dit manuscript was, dat dit het tot dan toe in de Peshitta ontbrekende boek Openbaring bevatte, als ook de vier kleine brieven: 2 Petrus, 2 & 3 Johannes, Juda. Anders gezegd het Crawford Manuscript bevatte alle 27 boeken van het NT in het Aramees. John Gwynn meende dat het manuscript dateerde uit de 12-de eeuw. Gwynn meende verder het boek Openbaring en de vier ontbrekende brieven een oorspronkelijke Peshitta-teksten waren, maar dat zij voortbouwden op de Philoxeens/Harkleense uitgave van het Aramese Nieuwe Testament die teruggingen op het Grieks. De meningen daarover zijn overigens verdeeld, want anderen menen dat de taalkundige stijl van het boek Openbaring sterk overeenkomt met die van het Aramese NT van de Peshitta dat oorspronkelijke uit 22 boeken bestond.
Tot dan toe, schrijft John Gwynn, was er maar één ander Aramese versie van het boek Openbaring in de Peshitta bekend nl. de versie die gewoonlijk werd afgedrukt in edities van het Aramese-Syrische Nieuwe Testament, te beginnen met de Aramese-Syrische kolom van de Parijse Polyglot uit 1645, geredigeerd door Gabriel Sionita (‹Aramees: Jibrā'īl aṣ-Ṣahyūnī; geboren in 1577 in Ehden in Libanon – overleden in 1648 in Parijs›) was een geleerde Maronitische priester, die bekend werd door zijn rol bij het totstandkomen van deze Parijse Polyglot in 1645.
Deze werd voor het eerst gepubliceerd door De Dieu (Leiden, 1627) op basis van een manuscript dat Joseph Scaliger aan de Universiteitsbibliotheek van Leiden had nagelaten (Cod. Scalig. 18. Syr.). Sindsdien zijn er andere exemplaren bekend geworden: een (‹van Ussher›) in de bibliotheek van Trinity College, Dublin (‹B. 5. 16, nr. 1509 in Catal.›); een ander in de Mediceo-Laurentiaanse Bibliotheek, Florence (‹voorheen eigendom van het klooster van 8. Marco, nr. 724›); een ander exemplaar (‹afkomstig uit het Nitriaanse klooster van de Theotokos in Egypte›) bevindt zich nu in het British Museum in Londen (‹Add. 17127›); andere exemplaren bevinden zich in Rome. Van deze exemplaren is alleen het Nitriaanse exemplaar van oudere datum, namelijk van 1088 n. Chr.; geen van de andere exemplaren is ouder dan de zestiende eeuw. Helaas is het onvolledig. Deze tekst duid ik aan met de letter Σ (‹Σ (Σά, Σf, Σl, Σn, Σp die respectievelijk de exemplaren van Dublin, Florence, Leiden, Nitriaan en Parijs vertegenwoordigen – waarbij het laatste exemplaar wordt vertegenwoordigd door de Polyglot van Parijs›).
De tweede Aramese versie van het boek Openbaring is de door mij (‹John Gwynn›), gepubliceerde versie (‹Dublin, 1898›), afkomstig uit manuscript 12, is uniek omdat deze het hele Nieuwe Testament bevat – niet alleen de vier kortere algemene/katholieke brieven, geplaatst in de gebruikelijke Griekse volgorde, maar ook de Openbaring, direct na het Evangelie van Johannes en vóór de Handelingen van de Apostelen. Deze tekst van de Openbaring is eveneens uniek. Er is tot nu toe geen ander manuscript gevonden dat deze tekst bevat. Hij verschilt aanzienlijk van, hoewel er kennelijk verwantschap is met, de tekst van Σ, zowel wat betreft woordkeuze en methode als wat betreft de onderliggende Griekse tekst. Ik onderscheid het als S.
Hier volstaat het om te stellen dat de twee versies volgens John Gwynn op dezelfde manier en in dezelfde mate verwant zijn als de Philoxeense en Harkleense versies van de vier missende brieven, zelfs zo dat het vermoeden bestaat dat S deel uitmaakt van het Philoxenische Nieuwe Testament en Σ van het Harkleense.
De argumenten om Σ als behorend tot het Harkleense domein te beschouwen, zijn sinds de publicatie van mijn uitgave aanzienlijk versterkt door de herontdekking in 1897 van Σf (dat lange tijd als verloren werd beschouwd), dat eindigt met een colofon waarin expliciet wordt vermeld dat het deel uitmaakt van het werk van Thomas van Harkel.
John Gwynn verzorgde enkele bijzondere publicaties, m.n. een uitgave in 1893 van de vijf missende boeken in het Nieuwe Testament van de Aramese Peshitta: Openbaring, 2 Petrus, en 2 en 3 Johannes en Judas. Voor de samenstelling van de brieven stelde hij zich afhankelijk van 20 verschillende manuscripten en voor het boek Openbaring baseerde hij zijn tekst volledig op het Crawford Manuscript. Deze Aramese teksten van de vijf tot dan toe nog ontbrekende boeken van de Peshitta werden toegevoegd aan de door Philip E. Pusey and George Gwilliam samengestelde Aramese Peshitta van de British Foreign Bible Society die in 1905 het licht zag. De tekst van die Peshitta uitgave wordt ook gebruikt is UBS uitgave van de Syriac Bible in 1979.
We maken erop attent dat alleen al de lezingen van Openbaring 10:4 over de stem uit de zevende hemel en van Openbaring 20:12 over het boek van het oordeel zo uniek zijn - ze komen voor alleen in het boek Openbaring in het Crawford Manuscript, niet in de Parijse Polyglot uit 1645, zodat wij menen de vraag te moeten stellen, hoe deze teksten via de veronderstelde ‘Philoxeense’ versie terug te leiden zouden zijn op het Griekse NT, nog daargelaten de vraag hoe het kan dat alleen in de boeken Openbaring in de Parijse Polyglot en in het Crawford Manuscript de Naam ‘JaHWeH’ in 14 verzen als ‘Mar-Ja’ voorkomt, zoals overal elders in het Nieuwe Testament van de Peshitta.
VII. MANUSCRIPTEN van de PESHITTA
Van de Peshitta bestaan ongeveer 350 historische manuscripten, waarvan verschillende uit de 5e en 6e eeuw zijn. De collectie van geschriften door Assemani in het Vaticaan bestaat uit louter Aramese geschriften, maar dat zijn niet allemaal Bijbelmanuscripten. We noemen slechts enkele van de belangrijkste Bijbelmanuscripten die wij kennen, waarvan de meeste zich in Engeland bevinden.
Add MS 14470 in de British Library in Londen is het oudste manuscript van het volledige Nieuwe Testament van de Peshitta, zoals die in de oosterse kerk in gebruik is, d.w.z. zonder het boek Openbaring en de 4 brieven 2 Pt., 2 en 3 Jh. en Juda. Het is geschreven op 176 bladen (‹van 23 bij 14 cm.›) in 2 kolommen per pagina met 40-44 regels per pagina. De brief aan de Hebreeën staat na Filemon.
Bijzonderheden: het manuscript is opgemaakt in een klein, sierlijk handschrift in de stijl van Edesssa. De passage van ‘De overspelige vrouw’ (‹Jh. 7:53-8:11›) is uit de Harkleense versie van het Nieuwe Testament (‹zie hierna›), en wordt ingeleid met een bijschrift door een schrijver in de 9e eeuw. De passage staat helemaal vooraan, vóór Mattai op een apart blad. Onder de pericoop staat in een onregelmatig Arabisch handschrift te lezen: ‘Wij hebben dit boek van een Syrische priester, genaamd Ibn ... ontvangen, in het bijzijn van de abt die het onder zijn beheer zou nemen en zou overbrengen naar het klooster in de woestijn van Bu Makar (‹‘vader Makarius’›). Op het 2e blad volgt onmiddellijk een notitie uit de 10e eeuw waarin wordt verklaard dat de codex het eigendom was van het klooster van van de Heilige Maria Deipara, in de woestijn van Natroen. In 1842 werd het samen met 500 andere manuscripten naar Engeland gebracht.
Datering: het manuscript wordt gedateerd in de 5e/6e eeuw n. Chr.
Add MS. 14479 in de British Library, in Londen bevat de tekst van de 14 brieven van Paulus, gedateerd op 534 n. Chr., op 101 bladen van 8 ⅞ bij 5 ½ inches, met slechts drie ontbrekende bladen (‹folio 1, 29, and 38›). Het is geschreven in één kolom per pagina met ong. 25-33 regels per pagina. De brief aan de Hebreeën staat na de brief aan Filemon. Tal van klinkertekens en leestekens zijn later toegevoegd door door een ‘Nestoriaanse hand (‹?›)’, evenals enkele Griekse klinkers door nog weer een andere lezer. het werd geschreven in een klooster in Edessa, in een elegant Estrangelo schrift in het jaar 533/534. Het eerste blad is later toegevoegd door een ander schrijver en blad 28 en 39 werden pas in de 13e eeuw aan het manuscript toegevoegd.
Add MS. 14459 in de British Library, in Londen bevat de tekst van twee Evangeliën in een Aramees handschrift van het Nieuwe Testament op perkament. Op basis van een colofon wordt het gedateerd op het jaar 528-529 of 537-538 (het colofon is gedeeltelijk onleesbaar). Het is een van de oudste handschriften van de Peshitta en het vroegst gedateerde handschrift dat twee van de evangeliën in het Aramees bevat (‹folio’s 67-169›). Het handschrift is samengebonden met een ander handschrift (‹folio's 1-66›) dat uit de 5e eeuw dateert.
Folio's 1-66: dit deel bevat de tekst van het Evangelie volgens Mattai (beginnend bij 6:20) en het Evangelie volgens Marcus op de folio's 1-66. Het is geschreven in een fraai Estrangelo-schrift van het type Edessa. Het handschrift is beschreven door Wright en Gwilliam. Het wordt gedateerd op de 5e eeuw. Het handschrift bevindt zich in de British Library (Add MS 14459, folio's 1-66) in Londen.
Folio's 67-169: dit deel bevat de tekst van het Evangelie volgens Lucas en het Evangelie volgens Johannes op de folio's 67-169 (20,3 bij 12,7 cm). Geschreven in één kolom per pagina, met 25-27 regels per pagina. Het is geschreven in een klein, elegant Estrangelo-schrift. Folio 74 is een palimpsestblad uit de 9e of 10e eeuw. Waarschijnlijk is dit toegevoegd door dezelfde hand die de folio's 162 en 163 heeft bijgewerkt. De oudere tekst op dit folio bevat passages uit Mattai 3:6-9, 11-13; 3:16-4:1; 4:4-6, volgens de Peshitta-versie. In de marge zijn door een latere hand veel lezingen aangetekend, soms in gebrekkig Grieks. Het handschrift is beschreven door Wright. Het manuscript wordt bewaard in de British Library (Add MS 14459, fol. 67-169) in Londen.
Het Aramese/Syrische Nieuwe Testament, British Library, Add MS 14453 – op de lijst van Wright aangeduid met nummer 66 – is een Aramees handschrift van het Nieuwe Testament op perkament, volgens de Peshitta-versie. Op grond van paleografisch onderzoek wordt het gedateerd in de 5e of 6e eeuw. Het handschrift vertoont lacunes. Gregory duidde het aan als 15e. De oorspronkelijke codex bevatte de tekst van de 22 boeken van de Peshitta-vertaling van het Nieuwe Testament, verdeeld over 182 perkamenten bladen (‹ca. 25 bij 20 cm›), met slechts één lacune aan het begin en één aan het einde. Het Evangelie volgens Mattai begint bij 6:25 en het Evangelie volgens Johannes eindigt bij 20:25. De tekst is geschreven in één kolom per pagina, met 22 tot 27 regels per pagina. Het schrift is een groot, regelmatig Estrangelo-schrift. Folio 173 werd rond de 12e eeuw met papier hersteld. folio 28 en 39 werden in de dertiende eeuw aangevuld. De tekst is ingedeeld in hoofdstukken die vergelijkbaar zijn met de ‘kephalaia’ van Griekse handschriften; deze indeling werd door twee latere handen aangebracht. Ook zijn er lectionarium-markeringen door een latere hand toegevoegd.
Vroeger was het eigendom van het klooster van St. Maria Deipara in Wadi Natroen. In 1842 werd het, samen met 500 andere handschriften, naar Engeland gebracht. Het handschrift werd onderzocht en beschreven door Wright. Het werd in de jaren 533-534 geschreven voor het klooster in Edessa, in een klein, elegant Estrangelo-schrift. Het handschrift wordt bewaard in de British Library (Additional Manuscripts 14479) in Londen.
British Library, Add MS 14448 – op de lijst van Wright aangeduid als nummer 64 – is een Aramees/Syrisch handschrift van het Nieuwe Testament op perkament, volgens de Peshitta-versie. Volgens het colofon dateert het uit het jaar 699 of 700. Het handschrift vertoont lacunes. Gregory duidde het aan als 14e (voor de evangeliën), 9a (voor Handelingen en de algemene brieven) en 8p (voor de brieven van Paulus).
De oorspronkelijke codex bevatte de tekst van de 22 boeken van de Peshitta-vertaling van het Nieuwe Testament, verdeeld over 209 perkamenten bladen (230 bij 150 mm), met enkele lacunes (Mattheüs 1:1-2:13, 3:14-5:24, 8:26-9:19; Filippenzen, Kolossenzen, 1 en 2 Tessalonicenzen, 1 Timoteüs; Hebreeën 7:4-9:21). De tekst is geschreven in één kolom per pagina, met 26 tot 32 regels per pagina. Het schrift is een klein, elegant Nestoriaans Estrangelo, voorzien van talrijke klinkertekens en andere markeringen, al zijn veel daarvan (evenals enkele Griekse klinkers) in een latere periode toegevoegd. Folio 64 is een op papier geschreven vervanging die in de 13e eeuw is toegevoegd.
Het Evangelie volgens Mattheüs is onderverdeeld in 22 secties, dat van Marcus in 13 secties, dat van Lucas in 23 secties en dat van Johannes in 20 secties.[1] Het boek Handelingen, de brief van Jakobus, de eerste brief van Petrus en de eerste brief van Johannes zijn onderverdeeld in 32 secties.[1] Het aantal secties in de brieven van Paulus bedraagt 55.[1] Het totale aantal secties in het gehele Nieuwe Testament is 165.[2][3] In de marges van sommige pagina's staan aantekeningen, in een later handschrift, die voornamelijk betrekking hebben op uitspraak en klemtoon; ze lijken op de aantekeningen in manuscript Add MS 12138.[3]
De “Pericope Adulterae” (Johannes 7:53–8:11) ontbreekt.
In het colofon op folio 209 verso staat geschreven: "Dit Nieuwe Testament werd begonnen op de eerste Ilul en voltooid toen er tien dagen van Shebat waren verstreken; in het jaar 1012 volgens de bekende Griekse jaartelling – wat overeenkomt met het jaar 80 volgens de Arabische jaartelling – onder het bewind van het huis van Marwan, in de dagen van ... [de Ismaë]lieten". Er bestaat echter weinig twijfel over dat het boek werd geschreven tijdens de regering van Abd al-Malik ibn Marwan, aangezien A.H. 80 gelijkstaat aan 699–700 n.Chr. en aan A. Gr. 1011–1012.
Voorheen behoorde het toe aan het klooster van St. Maria Deipara in Wadi Natroen in de Nitrische Woestijn. In 1842 werd het, samen met 500 andere manuscripten, naar Engeland gebracht. Het manuscript is onderzocht en beschreven door Wright.
Het manuscript wordt bewaard in de British Library (Add MS 14448) in Londen.
Add MS 14448 in de British Library, op de lijst van Wright aangeduid met nummer 64 – is een Aramees/Syrisch manuscript van het Nieuwe Testament op perkament, volgens de Peshitta-versie. Volgens het colofon dateert het uit het jaar 699 of 700. Het manuscript vertoont lacunes. Gregory duidde het aan als 14e (voor de evangeliën), 9a (voor Handelingen en de algemene zendbrieven) en 8p (voor de brieven van Paulus).
De oorspronkelijke codex bevatte de tekst van de 22 boeken van de Peshitta-vertaling van het Nieuwe Testament, verdeeld over 209 perkamenten bladen (230 bij 150 mm), met enkele lacunes (Mattheüs 1:1-2:13, 3:14-5:24, 8:26-9:19; Filippenzen, Kolossenzen, 1 en 2 Tessalonicenzen, 1 Timoteüs; Hebreeën 7:4-9:21). De tekst is geschreven in één kolom per pagina, met 26 tot 32 regels per pagina. Het schrift is een klein, elegant Nestoriaans Estrangelo, voorzien van talrijke klinkertekens en andere markeringen, al zijn veel daarvan (evenals enkele Griekse klinkers) in een latere periode toegevoegd. Folio 64 is een op papier geschreven vervanging die in de 13e eeuw is toegevoegd.
Het Evangelie volgens Mattheüs is onderverdeeld in 22 secties, het Evangelie volgens Marcus in 13 secties, het Evangelie volgens Lucas in 23 secties en het Evangelie volgens Johannes in 20 secties. Handelingen, de brief van Jakobus, de eerste brief van Petrus en de eerste brief van Johannes zijn onderverdeeld in 32 secties. Het aantal secties in de brieven van Paulus bedraagt 55. Totaal aantal secties in het gehele Nieuwe Testament: 165.
In de marges van sommige pagina's staan aantekeningen van latere hand die voornamelijk betrekking hebben op uitspraak en accentuering; deze vertonen gelijkenis met de aantekeningen in manuscript Add MS 12138.
Het manuscript bevat niet de “Pericope Adulterae” (Johannes 7:53-8:11).
In het colofon op folio 209 verso staat geschreven: “Met dit Nieuwe Testament werd begonnen op de eerste dag van Ilul, en het werd voltooid toen er tien dagen van Shebat waren verstreken; in het jaar 1012 volgens de bekende Griekse jaartelling – wat overeenkomt met het jaar 80 volgens de Arabische jaartelling – onder het bewind van het huis van Marwan, in de dagen van ... [de Ismaë]lieten”. Er bestaat echter weinig twijfel over dat het boek werd geschreven tijdens de regering van Abd al-Malik ibn Marwan, aangezien 80 n.H. (Hegira) gelijkstaat aan 699-700 n. Chr. en 1011-1012 volgens de Griekse jaartelling.
Vroeger was het eigendom van het klooster van St. Maria Deipara in de Nitrische Woestijn. In 1842 werd het, samen met 500 andere manuscripten, naar Engeland overgebracht. Het manuscript is onderzocht en beschreven door Wright.
De onderstaande link leidt naar een catalogus met Oud- en Nieuwtestamentische manuscripten die vanaf 1838 bewaard worden in het Britse Museum.
https://archive.org/details/catalogueofsyria01brituoft/page/40/mode/2up
Codex Phillipps 1388, een Aramees manuscript van het Nieuwe Testament op perkament. Het bevat de tekst van de vier Evangeliën. Het werd door Sachau gedateerd in aan het eind van de 5e dan wel het begin van de 6e eeuw. Het is één van de oudste manuscripten van de Peshitta met enkele lezingen uit het Oud-Syrisch, wat een zeldzaamheid is, want gewoonlijk zijn de teksttypen niet gemengd en is de Peshitta een vertaling die op zich staat en zijn de Oud-Syrische Evangeliën ook een aparte categorie. Het manuscript werd in 1865 door de Koninklijke Bibliotheek in Berlijn gekocht. De tekst ervan werd in 1901 door G.H. Gwilliam gepubliceerd. A. Allgeier onderzocht de verzameling van deze codex opnieuw in 1932. Volgens Gwilliam ontwikkelde de Peshitta zich vanuit het Curetoniaanse teksttype, maar dat is een hypothese die niet getoetst kan worden zo lang er niet een duidelijke lijn van manuscripten is die dat zou bewijzen. Zo’n lijn ontbreekt en er zijn ook geen substantieel aanwijzingen voor.
Rabbula Evangeliën bespraken wij al bij II. A waar het ging over de Diatessaron. We melden al dat de hele tekst van de Rabbula-Evangeliën die van de Peshitta is, niet die van de Diatessaron, de gemengde Evangeliën. De Rabbula evangeliën werden aangetroffen in een Aramees manuscript, dat in 586 met de hand geschreven werd door een onbekende Rabbula, en dat nu in Florence is (‹Bibl. Mediceo-Laurenziana, Pluteus I,56›). Het manuscript wordt voorafgegaan door een belangrijke set illustraties (‹f. 1r–14v›), met een colofon (‹f. 292r–v›) dat de naam geeft van de schrijver, nl. Rabbula, een man die verder onbekend blijft, en van degenen die aan de totstandkoming van het manuscript hebben meegewerkt, maar de namen van de personen die de ‘miniaturen’ of illustraties hebben verzorgd worden weggelaten. De datum van het manuscript is februari 586 n. Chr. en de plaats waar het manuscript vandaan komt, is het klooster van Beth Mar Yuḥanon uit Beth Zagba. Dit klooster bestaat niet meer, maar het was waarschijnlijk gelegen in het gebergte van Riḥa, ± 50 km ten noorden van Apamea in Syrië (‹zie Mundell Mango 1983›), een plaatsje dat zo’n 100 km landinwaarts ter hoogte van de havenstad Latakia ligt, niet ver van Antiochië in het huidige zuidoosten van Turkije.
De Buchanan Codex - MSS Oo. 1.1-2 in de Cambridge University Library, gedateerd in de 12e eeuw, is één van de meest bijzondere en rijkste manuscripten. Het heeft de uitgebreidste en meest verrassende lezingen van de slotregels van de 27 NT-ische boeken, en bovendien zijn in Mt. 28:20 de woorden ‘voltooide’ en ‘opschreef’ uniek, want die komen niet in de vijf andere geraadpleegde bronnen voor. We komen hierna nog op deze codex terug in het volgende hoofdstuk en in het hoofdstuk over slotteksten van de 27 NT-ische boeken.
Het manuscript kan online geraadpleegd worden:
https://cudl.lib.cam.ac.uk/view/MS-OO-00001-00001/1
VIII. DE MASORA van de PESHITTA
THE MASORA AMONG THE SYRIANS,
Freely translated and adapted from the French of the Abbe J. P. P. MARTIN
BY PROFESSOR BENJAMIN B. WARFIELD, D. D. (‹1851-1921›),
Western Presbyterian Theological Seminary, Allegheny City, Pa.
Uit de hierboven genoemde studie ‘La Massore chez les Syriens’ ofwel ‘The Masora among the Syrians’ van J.P.P. Martin, vertaald door B.B. Warfield, geven wij enkele passages en bevindingen weer over de zgn. ‘masora’ in de Peshitta. De term ‘masora’ zal de meeste lezers doen denken aan de kanttekeningen die de ‘masoreten’, de ‘overschrijvers’ (‹|בַּעֲלֵי הַמָּסוֹרָה| - baʿalēy ha-ṁāsorāẖ, d.w.z. ‘de meesters van de traditie’›) maakten in kantlijn van de manuscripten van het Hebreeuwse Oude Testament, kanttekeningen die m.n. door Christian D. Ginsburg, een Joodse christen geboren in Polen (‹1831–1914›), uit de verschillende boekrollen en manuscripten van de Tenach werden verzameld in “The Massorah, compiled from Manuscripts”, Band I, IIa, IIb, III, London/Wenen. Deze Masoretische kanttekeningen zijn heel nuttig voor een betrouwbare overdracht van de tekst en ze zijn ook een typisch kenmerk van de Joodse overdracht van de Schriften, opdat er ‘niet één jota of tittel van de Wet zal vervallen’ of ‘wegvallen.’ (‹Mt. 5:18›)
De masoreten breiden de standaardtekst in medeklinkers uit met klinkers en accenten die van belang waren voor de wijze waarop de tekst moest worden voorgedragen in de samenkomst, in de synagoge: waar moet de voorlezer even pauzeren, waar moet hij de klemtoon leggen e.d. Klinkers en accenten tezamen worden ook wel aangeduid als de ‘diacritische tekens’ en zijn in zekere zin onderdeel van de tekst zelf.
Daarnaast maakten de masoreten gebruik van de zgn. ‘masora parva’ in de kantlijn tussen de kolommen op een pagina, de ‘masora magna’, in de kantlijn boven en onder de tekst met meer informatie over de aard en details van de ‘masora parva’ (‹de ‘parva’ van Gen. 1:1 zegt dat de uitdrukking ‘in het begin’, d.w.z. ‘b-reshit’, 5 keer voorkomt, en de ‘magna’ voegt daar de exacte verwijzingen aan toe nl. Genesis 1:1, Jeremia 26:1, 27:1, 28:1, 49:34›) en de ‘masora finalis’ geeft aan het einde van een Bijbelboek informatie over het aantal verzen en woorden in een boek. Deze gedetailleerde informatie in de drie vormen van de ‘masora’ was van belang voor de betrouwbare overlevering van de Bijbeltekst. Zover een korte kennismaking met de Masora in de Tenach, het Oude Testament.
Wat betreft het bestaan van een ‘masora’ voor de betrouwbare overlevering van de tekst van de Peshitta belicht, wijst het artikel ‘The Masora among the Syrians’ erop dat het bestaan van geschriften over de ‘masora’ in de Peshitta eeuwenlang onbekend bleef. Zelfs Giuseppe Assemani ontging het, hoewel hij er één binnen handbereik had. J.P.P. Martin schrijft hoe zeer hem dat heeft verbaasd, dat deze overzichtswerken van de ‘masora’ niet werkelijk bekend werden. We komen hier in het vervolg nog op terug.
Dat er ‘masora’ in de Peshitta manuscripten zelf stonden dat was en is niet onbekend.. De manuscripten staan er vol mee, en wie de Buchanan Codex (‹zie Hfdst. V. deel A.›) online bekijkt, zal verbaasd staan dat dit Peshitta manuscript net als de Leningrad Codex (‹Latijn: ‘Codex Leningradensis’›) de ‘masora parva’, de ‘masora magna’ en de ‘masora finalis’ blijkt te hebben. De informatie van de Cambridge University over de Codex Buchanan liegt er niet om. Allereerst wordt de hoge kwaliteit van de Codex Buchanan geprezen met deze woorden: “Afgezien van de zeldzaamheid en de omvang van de Codex, bevat het werk tientallen gedetailleerde bijbelse afbeeldingen en portretten die verwantschap vertonen met de kerkelijk kunst en cultuur van Jeruzalem, alsook met enige invloeden vanuit de Latijnse wereld. Ook de kanttekeningen getuigen van een indrukwekkende talenrijkdom – met onder meer Grieks, Armeens en Arabisch – wat ongetwijfeld wijst op een kosmopolitische context en de meertalige achtergrond van de lezerskring. Er zijn slechts drie andere vergelijkbare werken uit de Syrische traditie bekend: (‹1›) de Codex Ambrosianus in de Biblioteca Ambrosiana in Milaan, ms B. 21 uit de 6e of 7e eeuw, en vervolgens (‹2›) ms 341 in de Bibliothèque nationale in Parijs (8e eeuw) en ten slotte (‹3›) ms Or. 58 in de Biblioteca Laurenziana in Florence (‹9e eeuw›). Een verzamelwerk van deze omvang en kwaliteit was in de oudheid, en met name vóór de 17e eeuw, uiterst zeldzaam.”
En dan, als ‘klap op de vuurpijl’ in het kader van ons onderwerp, lezen wij: “Net als bij de Masoreten in de Hebreeuwse schrifttraditie werd elk woord geteld en aan het einde van een boek of van een groep boeken vermeld om de nauwkeurige overdracht van de tekst te waarborgen.”
Laten we wel zijn, een dergelijk iets ontbreekt geheel in de manuscripten van het Griekse Nieuwe Testament, of moeten we zeggen dat de Nestle-Aland uitgave van het Nieuwe Testament daarvoor de ‘masora’ is? Die is echter pas in 1898 ontstaan. Dat doet vermoeden dat het Grieks niet de oorspronkelijke tekst is, maar een vertaling net als alle andere Bijbelvertalingen wereldwijd (‹er zijn nu anno 2026 wereldwijd 800 volledige Bijbelvertalingen, bijna 1900 NT-vertalingen en ook nog eens Bijbelgedeelten in ruim 1800 talen›), die het allemaal zonder ‘masora’ doen. Maar voor de oorspronkelijke tekst, de door God geïnspireerde tekst, is een dergelijke traditie wezenlijk. Het woord |מָסֹרֶת|, ‘māsoreṯ’ vinden wij in de Bijbel alleen in Ezechiël 20:37, waar het vertaald is als ‘tucht’ (‹in overeenstemming met de voorkeur van Keil & Delitsch›): “Ik zal jullie onder de herdersstaf door laten gaan en jullie brengen onder de tucht van het Verbond.”
Het wakend oog van de ‘masora’ is als een ‘tuchtmeester’ voor de masoretische tekstoverdracht en houdt heel de tekst in het gareel. Niets lijkt aan het oog van de ‘masora’ te ontsnappen, elke regelmatigheid en onregelmatigheid wordt door de ‘masora’ gesignaleerd’. Voor een Bijbelvertaling is dat niet nodig, maar voor de oorspronkelijke tekst wel!
De manuscripten betreffende de ‘masora’ van de Nieuwtestamentische Peshitta-manuscripten bevatten dus de kanttekeningen, maar ze zijn in het algemeen anders van karakter dan de Hebreeuwse ‘masora’, want ze hebben betrekking op grammaticale of lexicografische punten en tekens. Geen van deze aantekeningen verwijst bijvoorbeeld naar toevoegingen of naar andere meer inhoudelijke bijzonderheden in de tekst, zeggen de deskundigen, waaronder J.P.P. Martin. De vraag blijft (‹redactie EBV›) of dit ook gezegd kan worden van de ‘masora’ in de Buchanan Codex waarvan naar men zegt, de Bijbeltekst Nestoriaans is, d.w.z. conform de tekst van de oosterse Peshitta, maar waarvan naar men zegt, de kanttekeningen, de Aramese/Syriche ‘masora’, Jakobitisch zijn d.w.z. conform de stijl en aard daarvan in de westerse Peshitta manuscripten. Wat betreft die kanttekeningen in de Buchanan tekst merkten wij hiervoor al op dat de ‘masora finalis’ ervan qua karakter overeenstemmen met de Hebreeuwse ‘masora finalis’. De studie van dit onderwerp is een vak apart. Voor ons betoog voldoen de hoofdlijnen van het onderwerp.
Er zijn nu ongeveer twaalf manuscripten van de Aramese/Syrische Masora bekend. Hiervan bevinden zich er twee in Rome: één in het Vaticaan, nr. 152 (van ongeveer het jaar 950), en één in de Barberini-bibliotheek, VI. 62, voorheen 101 (1093). De Nationale bibliotheek in Parijs heeft er één, nr. 64, voorheen 142 (tiende tot elfde eeuw). Monseigneur Yussef-ben-David, een Syrische aartsbisschop van Damascus, bezat er één, gedateerd rond 1015 en hij heeft dit manuscript waarschijnlijk nog steeds in zijn bezit (‹dit manuscript bevindt zich nu in de bibliotheek van de kathedraal van de Syriërs te Mosul›). Alle andere manuscripten bevinden zich in Londen, namelijk: als vertegenwoordigers van de Jakobitische Masora, de aanvullende manuscripten 7183 (elfde eeuw); 12,178 (negende tot tiende eeuw); 14,482 (elfde tot twaalfde eeuw). De Gorgias Encyclopedic Dictionary of the Syriac Heritage noemt er vijftien (redactie EBV):
There are 15 mss. of the ‘Syriac Masora’, 14 in the Western Syr, tradition and 1 in the Eastern Syr. tradition:
|
1. |
Brit. Libr. Add. 12,178 (9th/10th cent., from the ‘Nitrian collection’ of the British Library); |
|
2. |
Brit. Libr. Add. 14,667, ff. 1–12 (10th, OT only); |
|
3. |
Brit. Libr. Add. 17,162, ff. 1–14 + Dayr al-Suryān Syr. 14 (10th/11th, OT only); |
|
4. |
Brit. Libr. Add. 14,482 (11th/12th, OT only); |
|
5. |
Brit. Libr. Add. 14,684 (12th/13th, OT, NT, and Greek Fathers); |
|
6. |
Vat. Syr. 152 (979/80); Barberini orient. 118 (ca. 1000); |
|
7. |
Syr. Orth. Patr. Damascus. 7/16 (Aug. 1004), and 12/22 |
|
|
(colophon lost; the date 666 AD given in ParOr 19 [1994], 606, is not the date of the ms.); |
|
8. |
Borg. 117 (1868, a copy of Damascus. 7/16); |
|
9. |
Harvard 176 (according to M. H. Goshen-Gottstein 1303 Sel. = 991/92 AD; Gospel of John); |
|
10. |
Brit. Libr. Add. 7183 (ca. 1031–1034); |
|
11. |
Lund 58 (1204/05); |
|
12. |
Paris, Bibl. Nat. Syr. 64 (1134/35); |
|
13. |
Jerusalem, St. Mark Monastery (Anton Baumstark -“Die literarischen Handschriften des jakobitischen Markusklosters in Jerusalem.” OrChr NS 3 (1913): 311–27)/42 (F.Y. Dolabany; 16th/17th, Catalogue of Syriac manuscripts in St. Mark’s Monastery, Dairo dMor Marqos, ed. G. Y. Ibrahim , 1994›). |
|
14. |
Brit. Libr. Add. 12,138 (April 899). The only ms. of the ‘Masora’ in Eastern Syr. tradition. |
|
15. |
One ms. formerly in Chicago was a xerox-copy of Syr. Orth. Patr. Damascus. 7/16. |
Wie gaf de aanzet tot de Aramese/Syrische Masora?
Een eenduidig antwoord is moeilijk te geven, zegt Martin. Ongetwijfeld gaan de oorsprongen van de ‘masora’ studies, waarvan de resultaten zijn verzameld in de delen uit de negende, tiende, elfde, twaalfde en dertiende eeuw, terug tot in de vierde of vijfde eeuw, maar er zijn weinig eigennamen in deze manuscripten te vinden, die met zekerheid uit de vijfde eeuw stammen. Wellicht kan de zogenoemde ‘dienaar Thomas’ die het traktaat over interpunctie en accentuatie schreef dat in deze verzamelingen is opgenomen, geïdentificeerd worden met Thomas van Edessa, die verbonden was met de Nestoriaanse patriarch, kerkvader, Mar Abdas I, bijgenaamd ‘de Grote’ (538-552).
De ‘masora’ lijkt in Babylonië te zijn ontstaan en daar al vroeg te zijn ontwikkeld. Van daaruit verspreidde deze zich naar het Westen, waar hij veel vooruitgang boekte, maar in een enigszins andere richting. Het is volgens Martin duidelijk dat de bekende Jakobus van Edessa (‹Syriac: ܝܰܥܩܽܘܒ ܐܽܘܪܗܰܝܳܐ, getranscribeerd: Yaʿqub Urhāyā; 640 – 708 n. Chr.›), een Syrisch-Orthodoxe kerkleider, afkomstig van een dorpje zo’n 20 km. ten westen van Aleppo, een belangrijke aanzet gaf tot meer onderzoek naar de ‘masora’ van zowel Peshitta manuscripten als van Griekse manuscripten van de Syro-Hexapla, een Aramese vertaling van de Griekse Septuaginta (‹zie hfdst. II, E, ad. 2›). Hij was van Aramese/Syrische komaf en gebruikte verschillende aanduidingen voor zijn moedertaal zoals ‘Sūryāyā’ (‘Syriac’) en ‘Aramāyā’ (‘Aramees’). Hij benadrukte de speciale kenmerken van het dialect van Edessa, dat de basis vormde voor het klassieke ‘Syriac’ ofwel Aramees. Hij sprak daar wel van met de naam ‘Nahrāyā’ (‘d.w.z ‘Mesopotamisch’, d.w.z. de taal van tussen de beide rivieren), en nog specifieker noemde hij het dialect van Edessa ook ‘Urhāyā’, want ‘Edessa’ is in het Aramees ‘Urhoy’.
Hoewel hij van Aramese/Syrische komaf was, was hij toch voorstander van ‘hellenisering’, van vergrieksing van de cultuur en samenleving. Hij was zelfs voorstander van een synthese van de Griekse en Syrische ‘masora’. Veel Masoreten gingen daarin mee en manuscripten van de 9e tot de 12e eeuw zouden hieronder ernstig hebben geleden, zegt J.P.P. Martin, en Jakob van Edessa was er met zijn werk de oorzaak van dat de Syriërs/Arameeërs opgezadeld werden met de eigenaardige terminologie en vreemde orthografie waardoor de manuscripten van 9e tot de 12e eeuw zo zouden worden ontsierd. De volgelingen van Jakob van Edessa maakten dit alles zo mogelijk nog erger. Er was werkelijk sprake van een geweldige Griekse ‘invasie’. Het was een zegen, schrijft Martin, dat de Aramese/Syrische woorden voor al deze vernieuwingen werden gespaard. Was dat niet gebeurd, dan zou dat werkelijk op een ramp voor de Aramese taal zijn uitgelopen. Wel leidde heel deze beweging tot de introductie van enkele heel vreemde woorden in het Aramees, maar gelukkig konden die, net als alle andere vergrieksende tendenzen, de tekst van de Peshitta zelf niet schaden, want die tekst lag al vast sinds de 5e/6e eeuw. Bovendien bleef de Nestoriaanse ‘masora’, de ‘masora’ van de oostelijke flank van de kerk van het Midden-Oosten, op wonderlijke wijze zo goed als gespaard voor al deze hellenisering. Dat kwam door bepaalde omstandigheden in die tijden en door de ligging van de plaatsen waar de Nestoriaanse christenen leefden.
Omdat Jakob van Edessa dus bekend staat als groot promotor van het onderzoek van de ‘masora’, zien wij in de hiervoor genoemde verzamelingen van de ‘masora’ soms de aanduiding ‘Werken van Mar Jakobus van Edessa’, ook al zijn die werken in werkelijkheid niet van hem zelf, maar zo eerde men hem om het feit dat hij het werk aan zulke werken zo geweldig bevorderde. Van hem is de uitspraak gericht tot de ‘masoreten’: ‘Laat niemand een letter weglaten en laat niemand een letter toevoegen aan deze Griekse en Hebreeuwse woorden’.
Maar de vraag hoe het kwam dat de verzamelingen van de ‘masora’ niet bekend waren, is door ons nog steeds niet goed beantwoord. Deels was dat door onbekendheid met de Aramese aanduiding voor dergelijke manuscripten, want die werden aangeduid met de Aramese term מַשׁלמָנוּתָא of ܡܰܫܠܡܳܢܽܘܬ݂ܳܐ (‹mašlmanuta›) (‹zie de woordnummers 21448 en 21449 van het ‘Aramaic Dictionary’›). Dit woord vinden wij in het Nieuwe Testament van de Peshitta in Mt. 15:2, 3; Mk. 7:3, 5, 8, 9, 13 en het is steeds vertaald als ‘tradities’.
Mar Gregorius Bar-Hebraeus, ܡܪܝ ܓܪܝܓܪܘܝܘܣ ܒܪ ܥܒܪܝܐ, aartsbisschop van de Syrisch-Orthodoxe kerk van Antiochië, leefde van 1126 tot 1286. Zijn naam betekent ‘zoon van de Hebreeër’. Zijn echte naam was: Abul-Faraj bin Hārūn al-Malatī. Hij werd geboren in Malatya, Turkije, en overleed in Maragha, in Perzië en werd begraven in het klooster van St. Matay bij Mosul. Hij was werkzaam in Antiochië en Tripoli. Omwille van zijn gestudeerdheid en kennis werd hij gerespecteerd door zowel de Nestorianen, als Armeniërs en Kopten.
In zijn bekende werk ‘Treasury of Mysteries’ verwijst Bar-Hebraeus naar een geschrift dat hij aanduidt als ‘de Karkaphensische versie’, de ‘mašlmanuta qarqafeyta’, en vervolgens ook aanduidt als de ‘bergversie’, d.w.z. gebruikt door de bergbewoners, licht hij toe. Met het woord ‘bergbewoners’ doelt Bar-Hebreaus op de Jakobieten die wonen in ‘Tur-Abdin’, dat is ‘de berg van de dienaren (van God)’. Het klooster daar heet ‘Karᵉkaphᵉtho’, het ligt in Amid tot op de dag van vandaag, niet ver van het Syrische klooster ‘Karthamin’ in Boven-Mesopotamië op het Turks grondgebied ten zuidoosten van Diyarbakir, tegen de grens met het noorden van Syrië aan.
Maar waarom werd de uitdrukking ‘mašlmanuta qarqafeyta’ in het Latijn vertaald werd met ‘versionem Karkaphensem’. Dat was verwarrend. Velen dachten dat het om een Peshitta manuscript ging. Hoe het ook zij, uiteindelijk bleek dat Bar-Hebraeus doelde op ‘de Karkaphensische traditie’, nl. de traditie van de Schriftoverdracht genaamd de ‘masora’, het onderwerp van dit hoofdstuk.
Verder onderzoek, zegt Martin, toonde aan dat de term ‘mašlmonuta qarqafeyta’ alleen in twee ‘masora’-manuscripten van het Westsyrische, Jakobitische, type voorkomt nl. in MS. 7183 (‹nr. 10 in de tabel hiervoor›) en MS. 152 (‹nr. 6 in de tabel hiervoor›), maar alle in de tabel genoemde manuscripten, of de term ‘mašlmanuta qarqafeyta’ er nu wel of niet in voorkomt, vertonen dezelfde opbouw en zijn zozeer gelijk dat men in één oogopslag kan vaststellen dat zij alle tot één familie van manuscripten behoren.
We hebben hiervoor al vastgesteld dat de ‘masora’ van de Peshitta zich vooral op fonologie, grammatica en lexicografie van de tekst richt en niet zozeer op de inhoudelijke aard en structuur ervan zoals dat in de Hebreeuws ‘masora’ het geval is. De precieze aard van het onderscheid tussen beide type ‘masora’ is ons overigens niet geheel duidelijk, temeer omdat we geen studie kunnen vinden van de ‘masora’ van de Buchanan Codex, die zeker in de ‘masora finalis’ gelijk in karakter lijken te zijn aan de Hebreeuwse ‘zusjes’ ervan.
Wie mocht denken dat de ‘masora’ van de Peshitta vanwege haar gerichtheid op de Aramese fonologie, grammatica en lexicografie niet erg nuttig is voor de bewaring van de betrouwbare tekst van de Peshitta, zit er volgens Martin helemaal naast. Net zoals de Hebreeuwse Masora grote diensten heeft bewezen en zal blijven bewijzen aan hen die het Oude Testament bestuderen, zo kan de Syrische Masora ook grote diensten bewijzen aan hen die de Peshitta (en/of) de Philoxeens-Harkleense Bijbelversies willen bestuderen:
a. Wanneer we bijvoorbeeld proberen de canon van het Oude en Nieuwe Testament vast te stellen, behoren de verzamelingen van de ‘masora’ zonder meer tot de beste informatiebronnen die we kunnen raadplegen. In deze verzamelwerken hebben we weliswaar niet het definitieve, ultieme en volledige getuigenis, maar toch op zijn minst het getuigenis van een van de meest ontwikkelde groepen binnen twee richtingen van de Syrische christenheid, nl. de Jakobitische en de Nestoriaanse richting. Het is het getuigenis van geleerden die de heilige tekst vaak zeer nauwgezet en zorgvuldig hadden bestudeerd, die de lezing ervan bepaalden, de interpunctie vastlegden, de indelingen markeerden en alle lexicografische en grammaticale bijzonderheden verzamelden, en die dit alles niet willekeurig deden, maar vanuit gedrevenheid voor hun taal, hun geloofsgemeenschap en hun volk. Iedereen zal begrijpen dat een dergelijke getuigenis van grote waarde is.
b. Evenzo kunnen de schriftelijke verzamelingen van de ‘masora’ van groot nut zijn wanneer het erom gaat de lezing op een bepaalde Schriftplaats vast te stellen, mits die de betreffende passage bevatten. Hun getuigenis helpt om de tekst van de Peshitta of van de Philoxeense versie te toetsen, teksten die zij hebben geanalyseerd en van interpunctie hebben voorzien. Bovendien kunnen we, door de afzonderlijke manuscripten van deze familie te combineren, de volledige tekst reconstrueren, aangezien fragmenten die in het ene manuscript ontbreken, in een ander aanwezig kunnen zijn.
Zover het artikel van J.P.P. Martin.
We wijzen ten slotte nog op het onderzoek van Philip Edward Pusey naar de mate van afwijking dan wel overeenkomst van een groot aantal Peshitta-manuscripten van de vier Evangeliën met de Peshitta-uitgave van Widmanstedt, de Editio Princeps uit 1555, een onderzoek dat na zijn dood werd voorgezet door G.H. Gwilliam. Zij concludeerden dat er een bijzondere hoge mate van overeenkomst was tussen de tekst in de Peshitta-uitgave van Widmanstedt en de reeks Peshitta manuscripten waarmee Pusey en Gwilliam die vergeleken. Hieruit concludeerden zij dat de Peshitta tekst niet aangetast en niet ‘corrupt’ was. Slechts in een heel enkel geval was een correctie nodig, een correctie die zichzelf aanbood omdat er op die zeer zeldzame plaatsen door Widmanstedt een manuscript geraadpleegd bleek te zijn dat een klein defect had.
Het onderzoek van Pusey en Gwilliam betrof 42 Peshitta-manuscripten uit zeer verschillende locaties en daterend vanaf de 5e eeuw tot in de 12e eeuw
De tekst van de Peshitta is door hen in paragrafen ingedeeld in overeenstemming met de indeling zoals die in de oudste manuscripten werd aangetroffen. Deze indeling is vaak interessant omdat die de verschillende opvattingen toont over de verbinding tussen de verschillende delen van de tekst.
Het Syrische systeem van ‘Secties en Canons’ werd door hen voor het eerst in zijn geheel gepubliceerd, door markeringen door de Evangeliën heen, met de ‘Tabel met de overeenkomsten’ aan de voet van elke tekstkolom.
Toelichting: het systeem van secties en canons in de Peshitta verwijst naar het Eusebiaanse apparatus dat in Syrische Evangeliehandschriften is geïntegreerd. De Syrische traditie, die dit systeem in de 4e of 5e eeuw overnam, herzag de oorspronkelijke Griekse opzet om nauwkeurigere parallelle onderverdelingen te creëren voor vergelijkende schriftstudie. Het oorspronkelijke systeem, bedacht door Eusebius van Caesarea, verdeelde de vier evangeliën in genummerde secties om de parallelle gedeelten tussen Mattai, Markus, Lukas en Johannes in kaart te brengen. De secties zijn opeenvolgend genummerd vanaf het begin van elk evangelie (bijv. Mattai telt 355 secties, Marcus 236, Lucas 342, Johannes 231). De canons zijn tien tabellen die de genummerde secties groeperen op basis van hun onderlinge verbanden: Canon 1: Passages die in alle vier de Evangeliën voorkomen. Canons 2-4: Passages die in drie Evangeliën voorkomen. Canons 5-9: Passages die in twee Evangeliën voorkomen. Canon 10: Secties die uniek zijn voor één enkel Evangelie.
In tegenstelling tot eenvoudige vertalingen van het Griekse apparaat, vormt de Peshitta-versie (die vaak voorkomt in Tetraevangelia-handschriften) een volledige herziening van de sectienummering.
Syrische kopiisten en vertalers verdeelden de oorspronkelijke Eusebiaanse secties in kleinere eenheden om veel gedetailleerdere parallellen te creëren. Tabelvormige concordanties in de marge: In plaats van lezers te dwingen voortdurend terug te bladeren naar de hoofd-canontabellen aan het begin van de codex, noteerden Peshitta-kopiisten de nummers van parallelle secties direct in de kantlijn van de tekst. Hierdoor konden lezers in één oogopslag zien of een passage parallellen had in de andere evangeliën en wisten ze precies waar ze moesten bladeren.
IX. GIUSEPPE SIMONE ASSEMANI
(‹1687-1768›)
|
|
Giuseppe Simone Assemani (Aramees: ܝܵܘܣܸܦ ܒܲܪ ܫܸܡܥܘܿܢ, (Arabisch: يوسف بن سمعان السمعاني Yusuf ibn Simʿan as-Simʿani, Engels: Joseph Simon Assemani, Latijn: Iosephus Simonius Assemanus; Juli 27, 1687 – Januari 13, 1768) was een bibliothecaris, Libanees Maronitische oriëntalist en katholieke bisschop. |
Leven
Giuseppe Simone Assemani werd geboren op 27 juli 1687 in Hasroun, Noord-Libanon, in de familie Assemani. ‘Assemani’ is een Arabische bijnaam of achternaam, die betekent ‘zoon van Simeon’ of ‘die van Simeon’. Hij kwam uit een familie met verschillende vooraanstaande oriëntalisten en geestelijken. In 1703, toen hij nog heel jong was, 16 jaar, werd hij naar het Maronitische College in Rome gestuurd en vandaar overgeplaatst naar de Vaticaanse Bibliotheek. Assemani studeerde af in 1709. Als getalenteerde afgestudeerde (‹hij had toen al drie essays geschreven over de Syrische grammatica en theologie›) werd hij opgemerkt door paus Clemens XI, die hem in Rome hield en hem opdroeg vroegchristelijke manuscripten te catalogiseren die in 1707 door zijn broer Elias uit Egypte waren meegebracht. In 1710 werkte Giuseppe als schrijver van oosterse manuscripten (‹scriptor oriëntalis›), vertaler uit het Arabisch en Syrisch/Aramees, en adviseur van de congregatie voor de herziening en hervorming van de liturgische boeken van de oosterse kerkliturgie. Hij werd tot priester gewijd op 21 september 1710.
In 1711 ontving Assemani de pauselijke toestemming om van de Maronitische Kerk over te stappen naar de Roomse Kerk. Van 1715 tot 1717 werd hij naar Wadi El Natroen, Caïro, Damascus en Libanon gestuurd om waardevolle manuscripten te zoeken, en hij keerde terug met ongeveer 150 manuscripten, die een collectie vormden in de Vaticaanse Bibliotheek. In 1735 stuurde paus Clemens XII hem opnieuw naar het Oosten, waar hij het Libanese Concilie van 1736 voorzat, dat de fundamenten legde voor de moderne Maronitische kerk. Hij keerde terug met een nog waardevollere collectie, omdat hij de gelegenheid vond om nog meer oude werken te verzamelen. Deze keer bracht hij ongeveer 2000 werken mee, waarvan de belangrijkste de Codex Assemanius was, een evangeliënboek dat hij in 1736 uit Jeruzalem had meegenomen. Later speelde hij een belangrijke rol bij het bemiddelen in verschillende crises binnen de hiërarchische structuur van de Maronitische kerk, dankzij zijn invloed in Rome en zijn kennis van de Maronitische kerk.
In 1738 was Assemani terug in Libanon. Een jaar later werd hij benoemd tot eerste bibliothecaris van de Vaticaanse Bibliotheek. Hij werd ook door Carlo di Borbone aangesteld als officieel kroniekschrijver van het Koninkrijk Napels.
In Rome begon hij plannen te maken om de meest waardevolle van zijn verzamelde werken te publiceren. Zijn vertaling van de geschriften van Efraïm de Arameeër, zijn bibliografie van Aramese/Syrische schrijvers uit de Bibliotheek van Clementino-Vaticana en zijn classificatie van Byzantijnse geschriften zijn het vermelden waard. Zijn belangrijkste werk heeft deze lange beschrijving in het Latijn: “Bibliotheca Orientalis Clementino-Vaticana in qua manuscriptos codices Syriacos, Arabicos, Persicos, Turcicos, Hebraicos, Samaritanos, Armenicos, Aethiopicos, Graecos, Aegyptiacos, Ibericos, et Malabaricos, jussu et munificentia Clementis XI Pontificis Maximi ex Oriente conquisitos, comparatos, et Bibliotecae Vaticanae addictos Recensuit, digessit, et genuina scripta a spuriis secrevit, addita singulorum auctorum vita, Joseph Simonius Assemanus, Syrus Maronita” (Rome, 1719–1728), 9 vols folios.
Een deel van zijn werk ging verloren in zijn appartement tijdens een brand op 30 augustus 1768. Zijn broer en neef waren ook opmerkelijke oriëntalisten.
Assemani’s werk verdient allereerst onze aandacht omdat hij bij uitstek bekend is als bibliothecaris en verzamelaar van Aramese manuscripten, met inbegrip van Bijbelse manuscripten. Zijn naam wordt nogal eens genoemd in het kader van het onderzoek naar de Peshitta. Hieronder zien wij onderin de noot ook zijn naam genoemd en dat leidt ons naar de tweede reden om aandacht te schenken aan deze Assemani. Het onderstaande tekstje wordt ons onder de aandacht gebracht van Dave (Glenn David) Bauscher op wie wij in het volgende hoofdstuk nog terugkomen.

De tekst in de voorgaande afbeelding komt van William Cureton (‹1808 - 17 juni 1864›), een Engelse oriëntalist die vanaf 1832 werkzaam was in de beroemde Bodleian Bibliotheken in Oxford en vanaf 1837 in het British Museum als assistent-archivaris van de manuscripten in het museum. De volgende tekst met noot komt uit een publicatie van Cureton in kader van zijn werk als archivaris. De noot werd opgemerkt door Dave Bauscher en hij spoorde het boekwerk op genaamd “J.S. Assemani Bibliotheca Orientalis”, Vol. ii, pag. 486 dat op 1728 gedateerd bleek te zijn en vond daarin de onderstaande zeer belangrijke noot in het Latijn en Aramees.
|
|
Machichae Episcopi Geslunae Annotatio in fine cujusdam Codicis Evangeliorum ad amanuesi hic transcripta. Annotatio ad calcem Codicis Evangeliorum ab Achaeo descripti, quam amanuensis in haec verba describit. De quodam pervetusto Evangelio, quod exstabat in sacra Ecclesia Aedium Romaeorum in urbe Bagdado. Erat quodam Evangelium Edessenum (hoc est, Syriacum Edessae Edeffae exaratum) pervetustum quidem, sed clarum ac dilucidum, ex quo ne jota quidem unum deletum fuerat, legebatur autem clarius quam libri recens exarati, ... unus dumtaxat prior quinternio prae antiquitate ex eo exiderat. Ad ejus vero calcem ita scriptum erat. Aantekening van Machichae, bisschop van Gesluna, aan het einde van een bepaald Evangelieboek hier door de archivaris overgeschreven. Aantekening onderaan het Evangelieboek geschreven door Achaeus, die de archivaris als volgt beschrijft: Over een bepaald zeer oud evangelie, dat zich bevond in de gebouwen van de heilige Roomse kerk in de stad Bagdad. Er was een bepaald evangelie van Edessa (dat wil zeggen, (in het) Syrisch/Aramees geschreven in Edessa), inderdaad zeer oud, maar helder en duidelijk, waarvan geen enkele jota was uitgewist, en het was goed leesbaar, duidelijker dan recent geschreven boeken, ... alleen één katern was er door ouderdom uit weggevallen. Maar aan het eind ervan stond er als volgt geschreven. |
Vertaling van de Aramese tekst met daaronder de cursieve Latijnse vertaling:
“Dit heilige boek werd voltooid op donderdag 18 december, in het jaar 389 van de Grieken, d.w.z. in A(nno) D(omini), het jaar 78 van Christus, in het handschrift van de hand van Akhay, medeapostel van Mari (Mar) Maray, de discipel van Mari (Mar) Addai) de Apostel. Mag zijn gebed met ons zijn. Amen.”
“Absolutus est sanctus iste liber Feria quinta, die 18. Canun prioris (hoc est, Decembris) Anno Graecorum 389. (Christi 78.) propria manu Achaei Apostoli, socii Mar Maris Discipuli Mar Addaei Apostoli, cujus Oratio nobiscum sit Amen.”
Dave Bauscher zegt: Het Evangelieboek (‹welk Evangelie wordt bedoeld, wordt niet vermeld›) waarnaar wordt verwezen en dat gedateerd wordt in het jaar 78 n. Chr., is ongetwijfeld een Peshitta manuscript, want de Peshitta is de Bijbel van de Maronitische kerk. De Maronitische kerk gebruikte in haar liturgie, Schriftlezingen en preken uitsluitende de Peshitta/Peshitto, vanaf de eerste eeuwen tot aan de 18e eeuw toe.
Ter onderstreping van de woorden van Bauscher over de Peshitta geven wij hieronder de tekst van de verklaring van Mar Eshai Shimun:
“De Peshitta is de officiële Bijbel van de kerk van het Oosten. De naam Peshitta betekent in het Aramees ‘recht’ of ‘eenvoudig’ (in de zin van ongecompliceerd of zuiver). Met andere woorden: het oorspronkelijke en pure Nieuwe Testament.
De Peshitta is de enige authentieke en zuivere tekst die de boeken van het Nieuwe Testament bevat die oorspronkelijk in het Aramees zijn geschreven – de taal van de Masjiga (de Messias) en zijn discipelen. Wat betreft de oorspronkelijkheid van de Peshitta kunnen de woorden van zijne heiligheid Mar Eshai Shimun, de katholieke patriarch van de Kerk van het Oosten, als volgt worden samengevat:
‘Met betrekking tot de oorspronkelijkheid van de Peshitta-tekst willen wij, als patriarch en hoofd van de heilige apostolische en katholieke kerk van het Oosten, verklaren dat de kerk van het Oosten de geschriften uit handen van de gezegende apostelen zelf heeft ontvangen in het Aramese – de taal die door onze Heer Jezus Christus Zelf werd gesproken – en dat de Peshitta de tekst van de kerk van het Oosten is die sinds bijbelse tijden ongewijzigd en zonder herziening bewaard is gebleven..’ ”
Mar Eshai Shimun, bij de gratie Gods, katholiek kerkvader van de kerk van het Oosten
April 5, 1957
Maar lof van menselijke en kerkelijke autoriteiten is niet doorslaggevend. Bauscher schrijft: “Het beste bewijs dat ik ken voor de oorspronkelijkheid van de Peshitta, is de Peshitta zelf. Als je erin leest en vergelijkt met andere Nieuwe Testamenten, zelfs als je erin leest door middel van een goede vertaling, dan zul je de goddelijke geïnspireerdheid van de woorden ervan horen en opmerken, als je er met je hart en geest door de Heilige Geest in leest, want deze is door de Heilige Geest geschreven. Sterker nog, als je Peshitta door de Heilige Geest leest, zul je niet alleen de woorden van God horen, maar de stem van God Zelf.”
|
Glenn David Bauscher (‹1952 - ....›) - ܓܝܘܪܓܝܣ ܠܡܣܐ Leven David Bauscher studeerde van 1970 tot 1973 biologie (met als doel een opleiding tot psychiater te volgen) aan Rutgers University in de VS. Op 3 januari 1973 was hij op een uitvaartcentrum, waar hij kistdrager was bij de begrafenis van een veertienjarige jongen die hij al elf jaar kende en wiens oudere broer zijn beste vriend was. Er gebeurde iets heel bijzonders toen de voorganger met een Iers accent sprak over een tekst uit Deuteronomium 32:29: ‘Och, waren zij maar wijs, dan zouden zij dit begrijpen en op hun einde letten.’ Door deze woorden sprak God tot hem en bracht een ommekeer in zijn leven teweeg, die was als een opstanding uit de doden. Hij werd onmiddellijk een nieuwe schepping! Kort daarna besefte hij dat God in zijn leven had ingegrepen en van hem vroeg om heel zijn leven aan Hem toe te wijden. Hij begon de kerkdiensten en bijbelstudies in het koffiehuis van die voorganger te bezoeken. Veel jongeren die bij de begrafenis aanwezig waren geweest, deden dat na afloop van de dienst ook. Het leek wel alsof heel Riverside, New Jersey, wakker was geschud! Dave wist dat hij deze krachtige boodschap, die hem van de dood naar het leven had overgebracht, moest gaan verkondigen. Voorganger Calvin Dobson had hem aangeraden eens bij Bob Jones University te gaan kijken. Toen hij daar samen met zijn vader was, gaf May Dobson (‹afkomstig uit Belfast›) – de dochter van de voorganger – hen als officiële gids een rondleiding over de campus. Het was liefde op het eerste gezicht. De zomer daarop, in 1974, traden ze in het huwelijk. Dave maakte het jaar 1973 af aan Rutgers en stapte het jaar daarop over naar Bob Jones University. May studeerde in 1974 af met een Bachelor of Science in het onderwijs. Dave behaalde in 1976 zijn Bachelor of Arts (B.A.).in pastorale studies en werd datzelfde jaar bevestigd in zijn ambt. Sinds 1976 is Dave voorganger geweest van gemeenten in Zuid-New Jersey, Lancaster County (Pennsylvania) en het noorden van de staat New York. Dave en zijn vrouw May hebben twaalf kinderen, die zij allemaal thuis onderwijs hebben gegeven. Ook hebben zij een grote schare kleinkinderen. Zij wonen, inmiddels gepensioneerd, in de staat New Jersey. Werk Dave Bauscher publiceerde in januari 2007 “The Aramaic-English Interlinear New Testament” en in november 2007 “The Original Aramaic New Testament In Plain English”. In 2018 publiceerde hij ook “The Aramaic English Interlinear Peshitta Holy Bible” (2765 pagina's), een volledige vertaling van de gehele Peshitta (Oude en Nieuwe Testament), zowel als e-book als in gedrukte vorm, verdeeld over vijf delen, waarvan ook een puur Engelse versie is met noten en commentaar: “The Holy Peshitta Bible Translated”. Op zijn website aramaicnt.net zijn al zijn publicaties te vinden, en via deze link kan ieder zijn interlineaire vertalingen gratis downloaden: https://archive.org/details/the-interlinear-aramaic-english-glenn-david-bauscher-peshitta-the-new-old-testament/ In Bauschers interlineaire Peshitta vertaling is de Aramese tekst in Hebreeuwse letters geschreven zoals die in de Qumran gemeenschap in de dagen van Jezus gebruikt werden. Zodoende kon hij een inschatting maken van de mogelijkheid dat een vertaler van het Aramees naar het Grieks een fout kon maken in geval twee Hebreeuwse letters of woordbeelden erg op elkaar leken en de vertaler een verkeerde keus gemaakt zou hebben, want dan zou er een verschil zijn ontstaan tussen het Grieks en Aramees van het Nieuwe Testament. Ook was Bauscher o.i. de eerste die wees op de aanwezigheid van de Aramese Naam van God ‘Mar-Yah’ in het Nieuwe Testament, die staat voor de Naam ‘JaHWeH’. |
X. DE SLOTTEKSTEN
van de 27 Nieuwtestamentische Boeken
Anders dan het Griekse Nieuwe Testament heeft de Peshitta aan het slot van elk van de 27 Nieuwtestamentisch boeken een soort redactionele slottekst. Deze teksten geven altijd de naam en de schrijver, en wat betreft de 14 brieven van Paulus staat in die slottekst ook vermeld met wie elke brief werd meegezonden naar de bestemming. We geven de 27 slotteksten hieronder op volgorde, met onder elke slottekst de notitie die er in de EBV-S bij staat in de vertaalnoot.
Wat betreft de tekst van de Peshitta hebben wij ons gebaseerd op 5 bronnen: (‹1›) de uitgave van de Peshitta uit 1816 door Claudius Buchanan en Samuel Lee, (‹2›) de uitgave van de Peshitta uit 1905 door de BFBS, (‹3›) de Syriac Bible 63DC van de UBS uit 1979 (‹4›) de Buchanan Codex, welke laatste de meest uitgebreide en verrassende lezingen van deze slotregels heeft.
De oudste Codex 14470 in de British Library is momenteel niet online beschikbaar in verband met cyberaanvallen in 2023. Helaas konden wij om deze redenen dit document, dat beschouwd wordt als het oudste document van het NT van de Peshitta, niet raadplegen. Deze Codex 14470 vormt echter de belangrijkste bron van de BFBS (‹zie nr. 2 hiervoor›) en we mogen aannemen dat die beide wat betreft de slotregels identiek zijn, maar zeker is dat niet.
De Buchanan Codex wordt door de geleerde John Gwynn (‹Remnants of the later Syriac Versions of the Bible - 1909›) behoudend gedateerd op de 12e eeuw. De Codex zou mogelijk ergens na 1663-’65 door een Jakobitische, Nestoriaanse bisschop aan de eveneens Nestoriaanse christenen in Kerala geschonken zijn. Vervolgens werd de codex in 1806 in Kandanad door Mar Dionysisus VI, bijgenaamd Mar Thoma VI, de leider van de kerk van de Syrische christenen in Kerala, geschonken aan de Britse onderzoeker Claudius Buchanan (1766-1815), naar wie de codex is vernoemd. In 1809 schonk Buchanan de codex aan de Cambridge University, waar die tot nu toe nog steeds verblijft en online bekeken en gelezen kan worden. De codex werd aan Buchanan meegegeven, omdat alle kostbare Aramese geschriften gevaar liepen door de vijandigheden van de zijde van de katholieke kerk in Rome, die er niet voor terugdeinsde om alles wat ze niet in orde vond, te verbranden, zoals de roomse inquisitie ook meedogenloos tal van mensen heeft omgebracht. Het uiteengaan van oosterse en westerse christenen op het concilie van Efeze in 431 n. Chr. bleek ook na zoveel eeuwen nog steeds verstrekkende gevolgen te hebben.
Tot nu toe is de Buchanan Codex onvertaald gebleven, waardoor deze inhoudelijk gezien erg ontoegankelijk is gebleven. Wij hebben zelf de slotregels van de NT-ische boeken in deze Codex bestudeerd, voor zover die nog intact waren. Overigens is heel deze codex geschreven in het Aramese schrift dat opkwam in de 2e-3e eeuw n. Chr. Voor die tijd waren hoogst waarschijnlijk alle boeken in Hebreeuws schrift geschreven, mogelijk zoals wij dat schrift aantreffen in veel van de Dode Zee Boekrollen.
De Buchanan codex bevat het OT & NT van de Peshitta, de Apocrypha en 6 boeken van Clemens van Alexandrië. Karakteristiek is de plaatsing van het boek Handelingen met de algemene brieven (‹incl. de vier gewoonlijk ontbrekende brieven in deze volgorde: Jakobus, 1 Pt., 1 Jh., 2 Pt., 2 Jh., 3 Jh., Juda ›) aan het eind van het NT, na de Evangeliën en de brieven van Paulus. Het boek Openbaring ontbreekt in zijn geheel. Deze indeling heeft de Buchanan Codex gemeenschappelijk met de Mt. Sinai Arabic Codex 151 uit 867 n. Chr. (‹vertaald naar het Engels door Harvey Staal›).
Opmerking: de onderstaande lijst met de slotwoorden is nog niet definitief want er loopt nog onderzoek naar de slotwoorden van de BFBS van 1905. De Buchanan Codex laat geen volledig onderzoek toe omdat enkele pagina’s ontbreken of onleesbaar zijn.
|
De slotwoorden van de 27 NT-ische boeken van de Peshitta |
|
|
NA28 = Nestle Aland 28 MHT = Meerderheidstekst TR = Textus Receptus Deze slotwoorden komen niet voor in de Griekse tekst van de Evangeliën en van de algemene brieven in het NT van de NA28, MHT en TR. |
|
|
|
|
|
1. |
Het einde van het heilige Evangelie, de verkondiging van de apostel Mattai, die hij voltooide, verwoordde en opschreef in het Hebreeuws in Palestina. |
|
|
Met dit slotwoord eindigt de tekst van het Evangelie van Mattai van de Aramese Peshitta. De tekst ‘die hij voltooide, verwoordde en opschreef’ komt in zijn volledigheid alleen voor in de Buchanan Codex. De andere bronnen (‹zie hiervoor›) hebben alleen de tekst ‘die hij verwoordde en verkondigde’ . |
|
2. |
Het einde van het heilige Evangelie, de verkondiging van Markus, de evangelist, die hij verwoordde, opschreef en verkondigde in het Romeins in Rome. |
|
|
Met dit slotwoord eindigt de tekst van het Markusevangelie van de Aramese Peshitta. Deze slottekst van Markus is vrijwel gelijk in de 5 Aramese bronnen die wij hiervoor hebben genoemd. [‘de evangelist’] - deze tekst komt voor in de Peshitta uitgave van 1816 door Claudius Buchanan en Samuel Lee en in de Buchanan Codex, en ook in de vertalingen van Murdoch en Etheridge, zij het bij hen niet aan het slot, maar in de aanhef van het Evangelie. De term ontbreekt in de BFBS 1905 en de UBS van 1979. [‘opschreef’] - deze tekst komt alleen voor in de Buchanan Codex, niet in de andere Peshitta manuscripten. |
|
3. |
Het einde van het heilige Evangelie, de verkondiging van Lukas, de evangelist, die hij verwoordde, opschreef en verkondigde in het Grieks in de grote stad Alexandrië. |
|
|
Met dit slotwoord eindigt de tekst van het Evangelie van Lukas van de Aramese Peshitta. In een manuscript uit de Codex Bezae staat volgens John Gill (‹GEEB›): ‘Het Evangelie van Lukas werd 15 jaar na de hemelvaart van Christus in omloop gebracht’. [‘opschreef’] - deze tekst komt alleen voor in de Buchanan Codex, niet in andere Peshitta manuscripten. [‘verkondigde’] - deze tekst komt alleen voor in de Peshitta uitgave van 1816 door Claudius Buchanan en Samuel Lee, niet in de andere Peshitta manuscripten (‹zie hiervoor›). [‘stad’] - dit woord komt alleen voor in het slotwoord van het Lukasevangelie van de Buchanan Codex. In alle andere bronnen staat kortweg: ‘in het grote Alexandrië’. |
|
4. |
a. Het einde van het heilige Evangelie, de verkondiging van de apostel Johannes, die hij in het Grieks verwoordde en opschreef in Efeze. b. Het einde van dit schrijven van de boeken van deze vier heilige Evangeliën, die verwoord, verkondigd en als het hoopvolle (‹Goede Nieuws›) gepredikt en in het licht gesteld werden in vier gebieden van de wereld, door de vier evangelisten Mattai, Markus, Lukas en Johannes. c. Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest, nu, altijd en tot in alle eeuwigheid! Amen. |
|
|
Met dit slotwoord eindigt de tekst van het Evangelie van Johannes van de Peshitta. Deze slottekst stemt overeen met de tekst van de Buchanan Codex, de tekst van de Peshitta van de BFBS van 1905 en van de Syriac Bible van 1976. De tekst [‘en opschreef’] vinden wij niet in de 5 bronnen die wij hiervoor genoemd hebben. In de Rabbula Evangeliën uit 586 lezen wij echter wel de woorden: ‘die hij in het Grieks verwoordde en opschreef in Efeze’. Deze slotregel komt niet voor in de lezing van de Griekse NA28, MHT en TR. De tweede regel van deze slotwoorden komt voor in de Buchanan Codex, in Peshittatekst van de BFBS uit 1905 en van de UBS uit 1979, en in de Rabbula Evangeliën uit 586 n. Chr. (‹zie pg. 596 van de pdf›), maar niet in de vertalingen van Murdoch, Etheridge en niet in de Buchanan/Lee Peshitta uitgave van 1816. De woorden ‘in vier gebieden van de wereld’ vinden wij alleen in de ‘Rabbula Evangeliën’, waarin echter de woorden ‘de vier evangelisten’ ontbreken, terwijl het in de Peshittatekst van de BFBS uit 1905 en van de UBS uit 1979 juist net andersom is. Deze 2e slotregel komt niet voor in de lezing van de Griekse NA28, MHT en TR. John Gill (‹GEEB›) meldt dat in enkele Griekse manuscripten aan het slot te lezen staat: ‘Het Evangelie van Johannes werd 32 jaar na de hemelvaart van Jezus Christus in omloop gebracht.’ –De derde regel komt alleen voor in de Peshitta-uitgave van de BFBS 1905 en van de UBS uit 1979, en in de Rabbula Evangeliën uit 586 (‹pg. 596 van de pdf›). Deze 3e slotregel komt niet voor in de lezing van de Griekse NA28, MHT en TR. |
|
5. |
Het einde van de Handelingen van de twaalf heilige apostelen, geschreven door Lukas, de evangelist. |
|
|
Met dit slotwoord eindigt de tekst van het boek Handelingen van de Aramese Peshitta.. [‘twaalf’] - de vermelding van het aantal ‘twaalf’ vinden wij in de Buchanan Codex en in de Peshitta uitgave van de BFBS uit 1905 en van de UBS uit 1979. Dit getal ontbreekt echter in de Peshitta vertalingen van Murdoch en Etheridge en ook in de uitgave van Buchanan/Lee uit 1816. [‘heilige’] - in de Buchanan Codex komt dit woord voor in de aanhef en in het slot van het boek Handelingen en het woord op de apostelen. In de Peshitta-uitgave van Buchanan/Lee uit 1816 en in de vertalingen van Murdoch en Etheridge heeft het woord betrekking op ‘Lukas’, terwijl dit woord in de uitgave van de BFBS 1905 en de UBS 1979 in het geheel niet voorkomt in de aanhef en niet in het slot. Het woord ‘gezegende’, ‘tubna’, komt in de Peshitta editie van de BFBS van 1905-1920 en van de Syriac UBS van 1976 voor in de aanhef en in het slot van het boek Handelingen in plaats van het woord ‘heilige’, en het woord heeft dan betrekking op de twaalf apostelen en niet op Lukas. |
|
6. |
Het einde van de brief aan de Romeinen, geschreven in Korinte, meegezonden met Febe, een trouwe dienares. |
|
|
Met dit slotwoord eindigt de tekst van de brief aan de Romeinen van de Aramese Peshitta. Van deze slottekst staat het eerste deel in de Peshitta-uitgave van de BFBS uit 1905 en van de UBS uit 1979, maar het tweede deel niet. Het tweede deel vinden wijwel in de Buchanan Codex, de Peshitta uitgave van Buchanan/Lee uit 1816 en in de vertalingen van Murdoch en Etheridge. Deze slotwoorden komen ook voor in sommige Griekse manuscripten en ze worden in de KJV vertaalt als: ‘Written to the Romans and sent bij Phebe, servant of the church in Kenchrea (‹=Kenkreos - Hd. 18:18›)’ |
|
7. |
Het einde van de eerste brief aan de Korintiërs, geschreven in Filippi in Macedonië, meegezonden met Fortunatus, Achaïcus en Timoteüs. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Aramese Peshitta. De namen van Fortunatas en Achaïcus komen alleen voor in de tekst van de Buchanan Codex. De overige tekst komt voor in de Peshitta-uitgave van de BFBS van 1905, de UBS van 1979, de Buchanan Codex, de Peshitta uitgave van Buchanan/Lee uit 1816 en in de Peshitta-vertalingen van Murdoch en Etheridge. De tekst komt ook voor in sommige Griekse manuscripten en de KJV vertaalt die als volgt: ‘The first epistle to the Corinthians was written from Philippi, (‹sent›) by Stephanus and Fortunatus and Achaïcus and Timotheus’. |
|
8. |
Het einde van de tweede brief aan de Korintiërs, geschreven in Filippi in Macedonië, meegezonden met Titus en Lukas. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Peshitta. De naam ‘Lukas’ in deze slotregels komt alleen voor in de Buchanan Codex. Zie 2 Kor. 8:18. De tekst komt ook voor in sommige Griekse manuscripten en de KJV vertaalt die als volgt: ‘The second epistle to the Corinthians was written from Philippi, a city in Macedonia, (‹sent›) by Timothy and Luke’. |
|
9. |
Het einde van de brief aan de Galaten, geschreven vanuit Rome. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Peshitta in de uitgave van de BFBS van 1905 en de UBS van 1979 en in de uitgave van Buchanan/Lee uit 1816. De tekst komt ook voor in de Peshitta vertalingen van Murdoch en Etheridge en in de tekst van de Buchanan Codex. De tekst komt bovendien voor in sommige Griekse manuscripten en de KJV vertaalt die als volgt: ‘To the Galatians, written from Rome’. |
|
10. |
Het einde van de brief aan de Efeziërs, geschreven in Rome, meegezonden met Tychikos en Onesimus. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Peshitta in de uitgave van de BFBS van 1905 en van de UBS van 1979, in de Buchanan Codex, in de uitgave van Buchanan/Lee uit 1816 en in de Peshitta vertalingen van Murdoch en Etheridge. In de Peshitta van de BFBS uit 1905 en van de UBS uit 1979, van Buchanan/Lee uit 1816 en in de Peshitta-vertalingen van Murdoch en Etheridge vinden wij de tekst van de slotregel tot en met de naam van Tychikos. Alleen de Buchanan Codex heeft de hele tekst met inbegrip van de naam Onesimus. De tekst komt ook voor in sommige Griekse manuscripten en de KJV vertaalt die als volgt: ‘To the Ephesians, written from Rome, (‹sent›) by Tychicus’. |
|
11. |
Het einde van de brief aan de Filippenzen, geschreven in Rome, meegezonden met Epafroditus. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Aramese Peshitta in de uitgave van de BFBS 1905 en van de UBS 1979, in de Buchanan Codex, in de uitgave van Buchanan/Lee uit 1816 en in de Peshitta vertalingen van Murdoch en Etheridge. De vermelding van de naam van Epafroditus ontbreekt alleen in de Peshitta uitgave van de BFBS van 1905 en van de UBS van 1979. De tekst komt ook voor in sommige Griekse manuscripten en de KJV vertaalt die als volgt: ‘To the Philippians, written from Rome, (‹sent›) by Epafroditus’. |
|
12. |
Het einde van de brief aan de Kolossenzen, geschreven vanuit Rome, meegezonden met Tychikos en Onesimus. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Aramese Peshitta in de uitgave van de BFBS 1905 en van de UBS 1979, in de Buchanan Codex, in de uitgave van Buchanan/Lee uit 1816 en in de Peshitta vertalingen van Murdoch en Etheridge. De naam Onesimus komt alleen voor in de Buchanan Codex. De woorden ‘meegezonden met Tychikos en Onesimus’ komen niet voor in de Peshitta uitgaven van de BFBS uit 1905 en van de UBS uit 1979. De tekst komt ook voor in sommige Griekse manuscripten en de KJV vertaalt die als volgt: ‘To the Colossians, (‹sent›) by Tychicus and Onesimus’. |
|
13. |
Het einde van de eerste brief aan de Tessalonicenzen, geschreven in het Romeins (‹=Latijn›) in Athene, en meegezonden met Timoteüs. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Peshitta. De woorden ‘meegezonden met Timoteüs’ vinden wij alleen in Peshitta uitgave van Buchanan/Lee uit 1816. De tekst komt ook voor in sommige Griekse manuscripten en de KJV vertaalt die als volgt: ‘The first epistle to the Thessalonians was written from Athens’. |
|
14. |
Het einde van de tweede brief aan de Tessalonicenzen, geschreven in Athene en daarna ook in (‹in Pisidië›) en meegezonden met Tychikos. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Peshitta. Dat de brief in Athene en daarna ook in Laodicea geschreven is lezen wij alleen in de Buchanan Codex, zonder echter te vermelden dat Laodicea in Pisidië ligt. De Peshitta-teksten van de BFBS 1905 en van de UBS 1979 en van Buchanan/Lee 1816, alsook de Peshitta-vertalingen van Murdoch en Etheridge, melden echter dat de brief in Laodicea in Pisidië geschreven is, zonder Athene te noemen. De tekst van de Buchanan heeft meer detail en geeft ons een begrijpelijke verklaring voor het feit dat wij twee plaatsen in de manuscripten voor de plaats waar de brief geschreven zou zijn. De tekst van Buchanan/Lee en de vertalingen van Murdoch en Etheridge voegen nog toe dat de brief met Tychikos is meegezonden. De tekst komt in het kort ook voor in sommige Griekse manuscripten en de KJV vertaalt die als volgt: ‘The second epistle to the Thessalonians was written from Athens’. |
|
15. |
Het einde van de eerste brief aan Timoteüs, geschreven vanuit Laodicea. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Peshitta in 4 van de door ons in de vertaalnoot bij Mt. 28:20 genoemde bronnen, maar deze tekst is onleesbaar in de Buchanan Codex. De tekst komt ook voor in sommige Griekse manuscripten en de KJV vertaalt die als volgt: ‘The first to Timothy was written from Laodicea, which is the chiefest city of Phrygia Pacatiana’. |
|
16. |
Het einde van de tweede brief aan Timoteüs, geschreven in Rome. |
|
|
De slotregel is onderdeel van de tekst van de Peshitta in de 5 door ons genoemde bronnen in de vertaalnoot bij Mt. 28:20. De tekst komt ook voor in sommige Griekse manuscripten en de KJV vertaalt die als volgt: ‘The second epistle to Timothy, ordained the first bishop of the church of the Ephesians, was written from Rome, when Paul was brought before Nero the second time’. |
|
17. |
Het einde van de brief aan Titus, geschreven vanuit Nikopolis en meegezonden met Zena en Apollo. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Peshitta, maar niet van de Griekse tekst van het NT van de NA28, MHT en TR. De woorden ‘geschreven vanuit Nikopolis’ zijn onderdeel van de tekst van het oudste manuscript van de Peshitta in de British Library onder Add 14470, gedateerd 5e/6e eeuw, van de tekst van de Buchanan Codex in de Cambridge Library, gedateerd in de 12e eeuw, van de Peshitta uitgave van Buchanan/Lee uit 1816 en van de Peshitta vertalingen van Murdoch en Lee. Alleen in de Peshitta uitgave van Buchanan/Lee uit 1816 lezen wij na ‘Nikopolis’ nog de woorden: ‘en meegezonden met Zena en Apollo’ (‹zie Titus 3:13›). De tekst komt ook voor in sommige Griekse manuscripten en de KJV vertaalt die als volgt: ‘It was written to Titus, ordained the first bishop of the church of the Cretians, from Nicopolis Macedonia’. |
|
18. |
Het einde van de brief aan Filemon, opziener van de gemeente in Kolosse, geschreven in Rome en meegezonden met Onesimus. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Aramese Peshitta. Dat de brief met [Onesimus] meegezonden is, blijkt uit de brief zelf, maar de vermelding van dat feit vinden wij in de slotregel van de brief in de Buchanan Codex, in de vertalingen van Murdoch en Etheridge en in de Peshitta uitgave van Buchanan/Lee uit 1816. De bijzondere woorden ’opziener van de gemeente in Kolosse’ vinden wij uitsluitend in de Buchanan Codex. De tekst komt ook voor in sommige Griekse manuscripten en de KJV vertaalt die als volgt: ‘Written from Rome to Philemon, (‹sent›) by Onesimus, a servant.’ |
|
19. |
Het einde van de brief aan de Hebreeën, geschreven vanuit Italië vanuit Rome, en meegezonden met Timotëus. Het einde van het schrijven van de veertien brieven van de gezegende en heilige apostel Paulus. |
|
|
De eerste slotregel is onderdeel van de tekst van de Aramese Peshitta. De vermelding ‘vanuit Rome’ vinden wij wel in de vertalingen van Murdoch en Etheridge en in de Peshitta uitgave van Buchanan/Lee uit 1816, maar niet in de Buchanan Codex en niet in de Peshitta-tekst van de BFBS uit 1905 en van de UBS uit 1979. De tweede slotregel over de 14 brieven van Paulus vinden wij aan het slot van de Hebreeënbrief in de Buchanan Codex van de Peshitta, terwijl in de vertaling van Etheridge dezelfde mededeling aan het begin van de Romeinenbrief vinden, maar dan zonder de tekst ‘het einde’, nl. als volgt: ‘Wij schrijven de veertien brieven van Paulus, de apostel van onze Here Jezus Christus’. Opvallend is dus dat de brief aan de Hebreeën in deze beide heel duidelijk gerekend wordt tot de brieven van Paulus. In de andere Peshitta manuscripten die we nagingen, ontbreekt deze tekst. De tekst komt ook voor in sommige Griekse manuscripten en de KJV vertaalt die als volgt: ‘Written to the Hebrews from Italy, (‹sent›) by Timothy.’ |
|
20. |
Het einde van de algemene brief van de apostel Jakob. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Aramese Peshitta, maar niet van de Griekse tekst. [‘algemene’] - letterlijk: ‘katholieke’, d.w.z. ‘algemene’. Deze specificatie vinden wij alleen in de slotregels van de brief van Jakob in de zgn. Buchanan Codex van de Peshitta. In andere belangrijke Peshitta manuscripten ontbreekt deze tekst. |
|
21. |
Het einde van de eerste algemene brief van de apostel Petrus, die hij schreef in Rome. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Aramese Peshitta. [‘eerste’] - dit woord is toegevoegd voor de duidelijkheid, maar het ontbreekt in de slotregels van deze brief in de Peshitta. [‘algemene’] - letterlijk: ‘katholieke’, d.w.z. ‘algemene’. Deze specificatie vinden wij alleen in de slotregels van de brief van de apostel Petrus ofwel van ‘Kefa’ in de zgn. Buchanan Codex van de Peshitta. In andere hiervoor genoemde Peshitta manuscripten ontbreekt deze tekst. In de Peshitta uitgave van Claudius Buchanan en Samuel Lee uit 1816 wordt na de naam Petrus nog de volgende woorden ingevoegd: ‘die zij Kefa noemden’. [‘die hij schreef in Rome’] - deze tekst komt allen voor in de zgn. Buchanan Codex van de Peshitta. In andere belangrijke hiervoor genoemde Peshitta manuscripten ontbreekt deze regel. |
|
22. |
Het einde van de tweede brief van de apostel Petrus. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Aramese Peshitta, van alle hiervoor genoemde uitgaven. |
|
23. |
Het einde van de eerste algemene brief van de apostel Johannes, die hij schreef in Efeze. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Aramese Peshitta. [‘eerste’] - deze tekst komt alleen voor in de slotregels voor in de Peshitta editie uit 1816 van Claudius Buchanan en Samuel Lee, maar niet in andere voornoemde Peshitta uitgaven. [‘algemene’] - letterlijk: ‘katholieke’. Deze tekst vinden wij alleen in tekst van de Buchanan Codex, niet in de andere hiervoor genoemde Peshitta uitgaven in Mt. 28:20. [‘in Efeze’] - deze tekst komt alleen in de slotregels voor van de Buchanan Codex van de Peshitta, niet in de andere hiervoor genoemde Peshitta uitgaven. |
|
24. |
Het einde van de tweede brief van de apostel Johannes. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Aramese Peshitta, van alle hiervoor genoemde uitgaven. |
|
25. |
Het einde van de derde brief van de apostel Johannes. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Aramese Peshitta, van alle hiervoor genoemde uitgaven. |
|
26. |
Het einde van de brief van de apostel Juda, de broer van Jakob en Jose. |
|
|
Deze slotregel is onderdeel van de tekst van de Aramese Peshitta. [‘heilige’] - deze tekst vinden wij alleen in de Buchanan Codex, niet in de andere hiervoor genoemde Peshitta uitgaven. [‘de broer van Jakob en Jose’] - deze tekst komt voor in de slotregel van de Peshitta uitgave van Buchanan/Lee uit 1816 en in de Peshitta vertalingen van Murdoch en Etheridge, maar de tekst komt niet voor in de andere hiervoor genoemde Peshitta uitgaven. |
|
27. |
In Openbaring 1:1 vinden wij deze bijzondere aanhef van het boek: De Openbaring die van God tot de apostel Johannes kwam in Patmos waarheen hij verbannen was door keizer Nero. (dus is het boek Openbaring van voor 70 n. Chr. en niet zoals velen menen van rond 90 n. Chr.) Deze slotregels van het boek Openbaring in Openbaring 22:21 a. Het einde van de Openbaring die kwam tot heilige apostel en evangelist Johannes. b. Het einde van het Nieuwe Testament vertaald/vertolkt in de taal van Syrië. c. De glorie komt toe aan de Naam van GOD, onze Vader, onze Here Jezus Christus en de Heilige Geest. |
|
|
De aanhef van het boek is onderdeel van alle Peshitta uitgaven!!! De slotregels zijn onderdeel van de tekst van het NT van de Peshitta, maar niet van de Griekse tekst van het NT van de NA28, MHT en TR. Zie de vertaalnoot bij Mt. 28:20. [‘de heilige apostel’] - deze tekst vinden wij alleen in de Peshitta uitgave van de BFBS 1905 en de UBS 1979. [‘Het einde van het Nieuwe Testament.’] - in de Peshitta uitgave van Buchanan/Lee uit 1816 en in de vertalingen van Murdoch en Etheridge vinden wij achter deze woorden nog geschreven: ‘vertaald/vertolkt in de taal van Syrië’, maar die woorden vinden wij niet in de andere bronnen die wij hiervoor noemden. De 2e slotregel komt alleen voor in de Peshitta uitgave van Buchanan/Lee in 1816, van de Peshitta vertalingen van Murdoch en Etheridge. Het boek Openbaring komt in het geheel niet voor in de Buchanan Codex en ook niet manuscript in Add 14.470 in de British Library van het British Museum in London. Het boek Openbaring in het Crawford Manuscript heeft alleen de eerste slotregel, niet de 2e en niet 3e. [‘De glorie ...’] - deze 3e slotregel vinden wij alleen in de Peshitta-uitgave van Buchanan/Lee van 1816 en in de vertalingen van Murdoch en Etheridge. Het boek Openbaring komt in het geheel niet voor in de Buchanan Codex. Het oudste manuscript Add 14.470 kan momenteel niet online geraadpleegd worden bij de British Library van het British Museum in London, bovendien ontbreekt in dat manuscript het boek Openbaring. Het boek Openbaring in het Crawford Manuscript heeft alleen de eerste slotregel, niet de 2e en niet de 3e. |
De 27 slotteksten van de Peshitta vallen niet zomaar uit de lucht, maar zij zijn al vanaf de 4e / 5e eeuw aantoonbaar onderdeel van de tekst van het NT van de Peshitta. Soms is de erin vermelde informatie niet zo ‘onbekend’, omdat bij voorbeeld uit lezen van de brieven zelf deze informatie al naarboven komt en de slottekst die alleen maar bevestigt. Maar de informatie over de taal waarin de vier schrijvers het Evangelie verkondigden is zeer verrijkend voor ons inzicht in hoe Gods hand de verspreiding van het Evangelie bevorderde. Wij leren daaruit dat het Evangelie vanaf het allereerste begin uitging naar de Joden in het Hebreeuws/Aramees, de taal die Jezus doorgaans sprak, vervolgens ging het uit in het Grieks naar Efeze in Klein-Azië, waar Johannes het in die taal verkondigde, en ook in het Grieks naar Alexandrië met zijn grote Griekssprekende Joodse gemeenschap, waar Lukas het in die taal verkondigde, want hij was - het kan bijna niet missen - afkomstig uit Cyrene, Kairouan, in het huidige Tunesië in Noord-Afrika. En ten slotte blijkt Markus het Latijn beheerst te hebben en het Evangelie in die taal in Rome verkondigt te hebben. Zo was Markus een bijzondere hulp voor Paulus in de tijd dat hij in Rome was (‹zie 2 Tm. 4:11›). Deze Markus voegde nog aan Paulus’ rijkdom toe, want Lukas, de schrijver van het Evangelie en van Handelingen was al bij hem vanaf de begindagen van Paulus’ bediening en deze was hem als ooggetuige van de gebeurtenissen m.b.t. Jezus altijd tot grote steun, en nu kwam Markus, die ook Evangelieschrijver was, en bovendien het Romeins, dat is het Latijn, blijkt te beheersen, daar nog bij.
En wie wist dat Filemon de opziener van de gemeente in Kolosse was? Dat hij in of bij Kolosse woonde was ons wel bekend, maar dat hij opziener was van de gemeente in die plaats, maakt ons beeld van de relatie tussen Paulus en hem, toch heel wat vollediger.
En zo zijn er nog wel meer details in de slotwoorden van de 27 NT-ische boeken die ons bij tijd en wijle zullen bezig houden als wij het Evangelie lezen en onderzoeken, en ons inzicht groeit in hoe het Evangelie van Jezus Christus in heel het Romeinse rijk doordrong tot nu toe, want wij leven in de dagen van het einde van de schimmen van de uitlopers van dat rijk dat in de komende dagen bekroond zal worden met 10 armelijke koningen, die hun macht aan de het beest zullen geven en de strijd met het Lam zullen aangaan in de slag bij Megiddo in het noorden van Israël (‹Openbaring›).
Wie meent dat zulke redactionele slotschriften, aangeven dat de tekst niet (‹meer›) authentiek is, vergeet o.i. dat de boeken van het Oude Testament ook tal van zulke redactionele elementen kent: de opschriften in het boek Job, in de psalmen, in het boek Spreuken en in Hooglied, de openingsverzen van de boeken van de profeten, het slot van het boek Ruth en de ‘toledot’ de geboortegeschiedenissen. Ook kent het Nieuwe Testament van de Peshitta een ‘masora’ net als het Oude Testament en daarmee doet het Nieuwe Testament van de Peshitta zich net als het Oude Testament kennen als een authentiek en betrouwbaar Joods Bijbels geschrift.
XI. DE VERSCHILLEN
tussen
DE OOSTERSE EN WESTERSE PESHITTA
De verschillen tussen de tekst van de Westerse en Oosterse Peshitta zijn minimaal. Hierbij een overzicht van de 11 verschillen met hun schriftplaatsen. Waar onderstreepte tekst in het vers staat, wil dat zeggen dat de onderstreepte tekst de lezing van de Oosterse Peshitta is, maar dat die woorden niet in de tekst van de Westerse Peshitta voorkomen. Als er tussen haakjes cursief achter staat: (‹Westerse Peshitta: ‘Andere tekst’›) dan komt die ‘Andere tekst’ in de Westerse Peshitta in de plaats van de onderstreepte tekst›).
|
|
|
|
Evangelische Bijbelvertaling |
|
Mt. |
6 |
32 |
Want naar al deze dingen zoeken de volken van de wereld, maar jullie Vader, die in de hemelen is, weet dat jullie al deze dingen nodig hebben. |
|
Mt. |
21 |
4 |
Dit alles gebeurde, opdat in vervulling zou gaan wat door de profeet gesproken is, toen hij zei: |
|
Mk. |
14 |
31 |
Maar hij zei steeds heftiger: “Al moest ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen, mijn Heer!” En alle discipelen spraken net als hij. (‹Westerse Peshitta: ‘En zo spraken zij allemaal.’›) |
|
Jh. |
16 |
27 |
want de Vader Zelf heeft jullie lief, omdat jullie Mij hebben liefgehad en geloofd hebben dat Ik van de Vader (‹Westerse Peshitta: ‘GOD’›) ben uitgegaan. |
|
Hd. |
20 |
28 |
Waak daarom over jezelf en over heel de kudde waarover de Heilige Geest jullie als opzieners heeft aangesteld, om de gemeente van GOD (‹Westerse Peshitta: ‘Christus’›) te hoeden, de gemeente die Hij gekocht heeft met zijn eigen Bloed. |
|
Rom. |
8 |
39 |
noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons (‹Westerse Peshitta: ‘mij’›) zal kunnen scheiden van de liefde van GOD, die is in onze Here Jezus Christus. |
|
2 Th. |
3 |
6 |
Wij bevelen jullie, mijn broeders, in de Naam van onze Here Jezus Christus, dat jullie iedere broeder mijden die een slecht leven leidt en zich niet houdt aan de voorschriften die hij (‹Westerse Peshitta: ‘zij’›) van ons heeft (‹Westerse Peshitta: ‘hebben’›) ontvangen. |
|
2 Th. |
3 |
18 |
De genade van onze Here Jezus Christus zij met jullie allen, mijn broeders. Amen. |
|
2 Tm. |
4 |
22 |
Onze Here Jezus Christus zij met je geest. Genade zij met je (‹Oosterse Peshitta: ‘ons’, wat een ongebruikelijke slotzegen van Paulus zou zijn, maar het kan niet uitgesloten worden dat het toch de juiste lezing is›). Amen. |
|
Heb. |
2 |
9 |
maar wij zien dat het Jezus is die enigszins vernederd werd ten opzichte van de engelen vanwege het lijden van zijn dood, en (dat) zijn hoofd met glorie en eer getooid werd, want los van GOD heeft Hij in plaats van alle mensen de dood gesmaakt. (‹Westerse Peshitta: ‘opdat Hij door/in de genade van GOD voor allen de dood heeft gesmaakt’›) |
|
Heb. |
2 |
16 |
Hij heeft niet (‹de gestalte›) van engelen genomen, maar (‹de gestalte›) van het zaad van Abraham. (‹Westerse Peshitta: ‘Want de dood had geen macht over engelen, maar de dood had macht over het zaad van Abraham›). |
De EBV heeft in elk van de bovenstaande verzen overwegend de tekst van de Oosterse Peshitta gekozen, behalve in 2 Tm. 4:22. Wij nemen aan dat de Westerse Peshitta mogelijk toch wat meer is blootgesteld aan invloeden vanuit de tekst van het Griekse Nieuwe Testament.
De lezing van de BFBS 1905 voor Heb. 2:9 luidt: ‘opdat Hij door/in de genade van GOD in plaats van alle mensen de dood heeft gesmaakt’. Het tekstverschil tussen de Oosterse en Westerse Peshitta in Heb. 2:9 (‹zie hierboven›) heeft als achtergrond de tegenover elkaar staande kerkleren van de oosterse en westerse flank van de christenheid in het Midden-Oosten ten aanzien van wat er aan het kruis gebeurde. Paul Younan zegt als kenner van het Aramees en als vertegenwoordiger van de oosterse flank van de Oosterse kerk het volgende:
“Het Aramese zinnetje ‘s'ter (‹Aramaic Dictionary 14219›) min Aloha’, betekent ‘apart van GOD’ of ‘los van GOD’ of ‘afgezien van GOD’, met andere woorden: GOD stierf niet op het kruis, (‹zijn Menselijke natuur stierf, maar niet zijn Goddelijke natuur›).
De Oosterse Peshitta is de enige versie die de oorspronkelijke lezing heeft bewaard. Deze lezing is werkelijk zeer oud, want Origenes getuigde ervan en hij leefde van 185-232 n. Chr.
De Aramese woorden ܣܜܪ ܩܢ, ‘s'ter min’ komen ook voor in Heb. 4:15, en verder ook in Mt. 14:21; 15:38 (‹‘de vrouwen en kinderen niet meegerekend’›), in 1 Kor. 3:11 (‹‘een ander fundament ... dan dat er al gelegd is, kan niemand leggen’›) en in 2 Kor. 11:28 (‹‘afgezien van nog vele andere dingen’›).
Alle andere Bijbeluitgaven veranderden de lezing van Hebr. 2:9 vanwege hun theologische opvattingen, dat is waarom er geen enkele op de Griekse manuscripten gebaseerde Bijbel is die deze lezing heeft en zelfs de Westerse Peshitta heeft deze lezing niet niet.
Het is altijd de geloofsovertuiging van de oosterse kerk geweest dat de Goddelijkheid en de Menselijkheid van ‘Maran Ishoa’, ‘onze Here Jezus’, van elkaar gescheiden waren in hun eigen ‘qnuma’, d.w.z. in hun onderliggende substantie of natuur. God stierf niet aan het kruis en een mens kan Lazarus niet uit het graf opwekken. Deze beide hoedanigheden, hoewel verenigd in dezelfde Zoon van God, waren niettemin van elkaar gescheiden, verenigd in één Persoon, maar onderscheiden van elkaar. Dus wat Hebreeën 2:9 zegt is dit: “Onze Here Jezus, afgezien van (‹zijn›) God(‹delijkheid›), stierf voor iedereen (‹in zijn Menselijkheid›)’.
De op het Grieks gebaseerde vertalingen van het Nieuwe Testament, en ook de monofysitische, westerse Aramese kerk veranderden deze tekst naar de lezing: ’onze Here Jezus, door/in de genade van GOD, stierf voor iedereen’.”
Tot zover het betoog van Paul Younan vanuit zijn ‘dyofysitische’ standpunt, waarin hij van Origenes van Alexandrië zegt dat die de lezing ‘los van God’ of ‘apart van God’ al kende. In de Griekse lezing is het verschil tekstueel gezien trouwens erg klein want ‘los van GOD’ of ‘apart van GOD, schrijft men als ‘χωρὶς θεου’, tegenover ‘χαριτι θεου’ ‘in de genade van GOD’, een kwestie van enkele letters. Men zou kunnen denken aan een verschrijving, terwijl dat in het Aramees vrijwel ondenkbaar is.
De opvatting van Paul Younan gaat terug op die van Theodore van Mopsuestia (‹392-428 n. Chr.›) die meende dat de lezing ‘los van GOD’ van Heb. 2:9 wilde zeggen, dat Jezus de dood smaakte los van zijn Goddelijkheid. Philoxenus van Mabbug (‹5e-6e eeuw›) e.a. beschuldigden Theodore van Mopsuestia ervan dat hij de tekst veranderd had ten behoeve van zijn eigen christologische leer. Maar het omgekeerde zou ook het geval geweest kunnen zijn, volgens Bart Ehrman, want schrijft J.K. Elliott, de lezing ‘χωρὶς θεου’, ‘los van GOD’ was al bekend bij Origenes van Alexandrië (‹184-253 n. Chr.›) en bij Aurelius Ambrosius van Milaan (‹339-397 n. Chr.›).
En wat betreft de opmerking in één van Origenes’ andere opschriften zijn de meningen erg verdeeld. F.C. Coneybeare meent dat Origenes beide standpunten kende en met beide ‘kon leven’ en zich geen zorgen maakte welke van beide de ‘oorspronkelijke’ was en Paul A. Hartog schrijft dat zowel Origenes van Alexandrië als Ambrosius uit het tekstverschil niet dezelfde conclusie trokken als de hiervoor genoemde Philoxenus van Mabbug.
Wat ons betreft: alles moet getoetst worden aan het Woord van God zelf. En wat dat betreft het volgende:
Ten eerste staat er in Heb. 2:9 niet dat Jezus dood ging, maar dat Hij de dood smaakte. ‘Smaken’ is niet hetzelfde als ‘eten’. Constable zegt in zijn Bijbelcommentaar bij dit vers dat ‘de dood smaken’, niet alleen betekent dat Jezus stierf, maar dat Hij ook alle vernedering en bitterheid die ermee verbonden was, ervoer. Wij lezen de uitdrukking ‘de dood smaken’ echter ook in Mt. 16:28، Mk. 9:1 en Lk. 9:27, maar in die verzen heeft de uitdrukking o.i. niet de betekenis waarvan Constable spreekt. In die drie verzen zegt Jezus dat sommigen die hier staan, d.w.z. sommigen van zijn discipelen m.n. Kefa, Jakob en Johannes, de dood niet zullen smaken, voordat zij de Mensenzoon zien komen in zijn Koninkrijk’. Nog een andere schrijver wordt door Constable aangehaald, die zegt: ‘De dood smaken is een Semitische uitdrukking voor het volledig doormaken ervan’. Toch is het de vraag of de Schrift dit zegt of bedoelt te zeggen met de woorden ‘de dood smaken’.
Ten tweede staat er van het meisje in Mt. 9:18, Mk. 5:35, Lk. 8:49, 53 te lezen dat zij gestorven was, terwijl Jezus toch zegt dat het meisje niet dood is, maar slaapt (‹Mk. 5:39, Lk. 8:52›).
Ten derde lezen wij in Johannes 11:11 dat Jezus zegt dat Lazarus slaapt, maar in Johannes 11:13 legt de schrijver van het Evangelie uit dat Jezus met die woorden over de dood van Lazarus gesproken had, d.w.z. over de slaap van zijn rust. Maar in vs. 14 zegt Jezus opeens: ‘Lazarus is gestorven’ en in vs. 26 zegt Jezus: ‘Ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid.’ In Johannes 11:43 roept Jezus Lazarus uit het graf, zo staat het geschreven.
Dit zijn dan drie Schriftgedeelten die ons vanuit Gods Woord aan het denken zetten over de kruisdood van Jezus Christus, over de dood in het algemeen, over de slaap en de rust van de dood en over sterven.
In verband met ons onderwerp, de tekst van Heb. 2:9, merken wij op dat er nergens in de Bijbel staat dat ‘GOD stierf’, ook niet in Heb. 2:9. Want inderdaad GOD sterft niet, want dan zou Hij niet God zijn, zoals iemand terecht opmerkt. In Heb. 2:9 staat dat Jezus los van GOD de dood heeft gesmaakt, en Jezus heeft dat ook gedaan. Want er staat op diverse plaatsen in de Schrift, dat Jezus aan het kruis stierf of was gestorven, of dat men vaststelde dat Hij gestorven was (‹Jh. 19:33›), maar Hij stierf niet eerder aan het kruis dan nadat Hij de Geest had overgeven aan zijn Vader met de woorden: ‘In uw handen plaats Ik mijn Geest’ (‹Lk. 23:46; zie ook Jk. 2:26›). Het lichaam van Jezus was zonder geest dood, maar de Geest is leven.
De Schrift zegt dus dat Jezus de kruisdood stierf, maar ook zegt de Schrift dat de banden van de dood Hem niet konden vasthouden (‹Hd. 2:24›) en dat zijn lichaam geen ontbinding zag (‹Ps. 16:10›). De boze kon niets in Hem vinden, zoals wij lezen in Jh. 14:30 ‘want de overste van deze wereld komt, maar er zal voor hem niets in Mij te vinden zijn’. De boze kan niets in Jezus vinden dat hem de gelegenheid zou bieden om voor Gods troon een gefundeerde aanklacht tegen Jezus Christus te kunnen indienen. Hij staat dus beschaamd en wordt door zichzelf geoordeeld (‹Jh. 3:16-18, Jh. 5:22›), want de aanklager staat met een mond vol tanden. Want nu er is er Eén Mens, Jezus Christus, die hem de baas is, die de meerdere is van hem die in de wereld is (‹1 Jh. 5:4›). Dat betekent het einde van zijn heerschappij!
De overste van deze wereld wordt eerst door zichzelf geoordeeld (‹Jh. 3:16-18; Jh. 16:11›), vervolgens wordt hij uit de hemel geworpen (‹Op. 12:7-›) en daarna wordt hij buitengeworpen (‹Jh. 12:31›), d.w.z. gebonden in de afgrond gegooid, om er na er 1000 jaar in opgesloten te zijn geweest, voor korte tijd uit te komen (‹(‹Op. 20:1-3›), om ten slotte in de poel van vuur, die brandt van zwavel geworpen te worden (‹Op. 19:20, 21; 20:10, 14›). In de zojuist genoemde verzen lezen we ook ook de uitdrukking ‘de tweede dood’, ‘de poel van vuur’. De uitdrukking: ‘de tweede dood’ komen wij in 4 verzen tegen in het Nieuwe Testament: Op. 2:11 (‹Wie overwint zal van de tweede dood geen schade lijden›), Op. 20:6 (‹over hen, nl. hen die deel hebben aan de eerste opstanding, heeft de tweede dood geen macht›), Op. 20:14 (‹de dood en het dodenrijk werden in de poel van vuur geworpen. Dit is de tweede dood’›) en in Op. 21:8 (‹het deel van de boosdoeners is in de poel die brandt van vuur en zwavel, dat is de tweede dood’›). Het opvallende van de poel van vuur is, dat in verband daarmee in de Bijbel niet gesproken wordt van sterven of doodgaan, maar dat wie niet opgeschreven zijn in het Boek van het Leven daarin terecht komen en schade zullen lijden van de tweede dood, wat wij o.i. op grond van Op. 14:10, 11; Op. 18:10 en Op. 20:10 moeten uitleggen als ‘pijniging’. Wij moeten hierbij ook denken aan de geschiedenis van de arme Lazarus in Lk. 16:20. We lezen: ‘Het kwam ervan dat de arme man stierf, en de engelen brachten hem aan de boezem van Abraham. Ook de rijke man stierf en werd begraven. Terwijl hij in het dodenrijk gepijnigd werd, hief hij zijn ogen op en zag Abraham van veraf, en Lazarus aan zijn boezem.’
Al in Genesis 3:15 zei de HEERE GOD tegen de slang, de satan: “Ik zal vijandschap zetten tussen jou en de vrouw, en tussen jouw zaad en haar zaad. Het zal jou de kop verbrijzelen en jij zult het de hiel verbrijzelen.” De hiel van de zoon van de vrouw, d.w.z van het zaad van de vrouw, is wel verbrijzeld nl. toen Jezus om onze overtredingen aan het kruis werd genageld en verbrijzeld, maar het Hoofd van het zaad van de vrouw niet, terwijl daarentegen het hoofd van de slang, de duivel, dat is het hoofd van de macht van de lucht, is verbrijzeld, de slang is onthoofd en heeft daarmee zijn kracht verloren en is overwinbaar geworden (‹Ef. 2:2›).
Er staat geschreven: ‘De aarde is de voetbank van mijn voeten’ (‹Jes. 66:1; Klg. 2:1; Mt. 5:35; Hd. 7:49; vergelijk: Heb. 1:13; 10:13›). D.w.z. dat de hielen van God de aarde raken, maar zijn Hoofd niet. In Jezus Christus kunnen wij zeggen dat de hiel van God op aarde werd verbrijzeld, d.w.z. het zaad van de vrouw, want Jezus was het aan Adam en Eva beloofde zaad van de vrouw.
Dit alles is voor een mens niet te doorgronden, want God is volmaakt en in zijn God-zijn niet kwetsbaar, maar in zijn Mens-zijn stelde God Zich kwetsbaar op, want God, de Vader, heeft de wereld zo liefgehad dat Hij zijn enige Zoon, gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig Leven heeft (‹Jh. 3:16›).
Wij wijzen er in het kader van dit onderwerp ook op dat Paulus over zijn opname naar de derde hemel heeft geschreven: ‘Ik weet niet of het in het lichaam was of buiten het lichaam was’. Stel dat de gebeurtenis waar hij van schrijft, buiten het lichaam geweest was, dan was hij op het moment toch niet zonder lichaam bij alles wat hij meemaakte. Ook lezen wij nergens dat hij bij alles wat hij meemaakte, meende dat hij was opgedeeld in twee personen ‘Paulus’, één in het lichaam en één buiten het lichaam. Hoe het ook geweest is, in of buiten het lichaam, hij bleef één en dezelfde Paulus. Zo was het ook met Jezus Christus toen zijn lichaam achterbleef in het graf. Zijn Geest en lichaam waren wel gescheiden, want Hij had zijn Geest in de handen van zijn Vader gelegd (‹Mt. 27:50; Lk. 23:46›), maar dat betekende niet dat Hij geen band meer met zijn lichaam had of dat zijn lichaam niet meer bij Hem hoorde. Zoals zo vaak wordt gezegd: ‘De dood is niet het einde!’ En dat was allereerst het geval met Jezus Christus. Hij gaf zijn Geest over in de handen van de Vader, daartoe was Hem macht gegeven! Pas toen kon zijn lichaam sterven en begraven worden, maar zijn lichaam zag geen ontbinding en het graf was leeg.
Maar voor zijn dood, toen zijn Geest en lichaam nog bijeen waren, riep Jezus uit: ‘Mijn GOD, mijn GOD, waarom hebt U Mij verlaten’ (‹Mt. 27:46 en Mk. 15:34›), een uitroep die drie keer in de Bijbel staat opgetekend, met inbegrip van het voorkomen ervan in de Messiaanse Psalm 22:1 die ongeveer 1000 jaar voor Christus werd geschreven. Die verlatenheid betrof zijn aardse bestaan en zijn strijd in het hart van een gevallen en in duisternis gehulde wereld (‹lees Jh. 12:31, Jh. 16:11›), waarvan de overste in Ef. 2:2 genoemd wordt ‘het hoofd van de macht van de lucht’, d.w.z. van het aardrijk dat wordt gehuld in lucht en damp en wolken, anders gezegd het aardrijk waar een mens nog kan ademhalen en lucht kan vinden om te leven. Toen Hij die strijd had volbracht, werd die verlatenheid, waarin Jezus los van GOD in plaats van alle mensen de dood had gesmaakt, beëindigd.
Maar nooit leed Jezus schade van de tweede dood, de poel van vuur, de hel, en Hij zal daar in eeuwigheid geen schade van lijden, want Hij heeft overwonnen over zonde en dood. Maar wel smaakte Hij, los van GOD, verlaten van GOD, de dood hier op aarde aan het kruis onder een vreselijke last, want de vloek die op ons moest komen was op Hem, zoals geschreven staat:
“... om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. De straf die ons vrede brengt, was op Hem en door zijn striemen ontvingen wij genezing.’ (‹Jes. 53:6›)
‘Hij die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog gevonden is, die, als Hij gescholden werd, niet terugschold, en als Hij leed, niet dreigde, maar het oordeel overgaf aan de Rechter van de gerechtigheid, die Zelf onze zonden op Zich genomen heeft en ze in zijn lichaam tot aan het kruis verhoogd heeft, zodat wij, gestorven voor de zonde, in zijn gerechtigheid zouden leven, want door zijn striemen zijn jullie genezen. Want jullie dwaalden als schapen, maar nu zijn jullie teruggekeerd naar de Herder en Hoeder van jullie zielen.’ (‹1 Pt. 2:22-25›)
XII. SPECIALE KENMERKEN
en LEZINGEN VAN DE PESHITTA-TEKST
Als in het oog springende kenmerken van het Nieuwe Testament van de Aramese Peshitta wijzen wij op de lezingen van ongeveer 250 verzen in het NT:
|
1. |
de Aramese Peshitta van 22 boeken kent sinds de 5e eeuw een eeuwenlange stabiele tekst. Tussen de oosterse en westerse Peshitta zijn er niet meer dan 11 betrekkelijk kleine tekstverschillen, waarvan de opvallendste in Heb. 2:9 en 18 te vinden zijn. Anders dan bij de Griekse tekst van het Nieuwe Testament, zijn er niet honderden kleinere of grotere tekstvarianten, ook al zijn die voor het Grieks buitengewoon zorgvuldig gedocumenteerd. Oorspronkelijk ontbraken er 5 boeken in de Peshitta nl. het boek Openbaring en 4 kleine brieven: 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Judas, waarschijnlijk ten gevolge van het feit dat de oosterse kerk zich van Rome afscheidde op een tijdstip dat verschillende van deze 5 boeken nog niet echt in de canon opgenomen waren, ook al waren ze wel bekend en gerespecteerd. In de westerse Peshitta werden die veel later toegevoegd, zodat in 1905 de westerse Peshitta compleet was en 27 boeken bevatte. Tegenwoordig zouden deze 5 boeken ook te vinden zijn in sommige edities van de oosterse Peshitta, |
|
2. |
in 205 verzen van het NT van de Peshitta komt de naam Mar-Jah voor (‹soms meerdere keren in één vers nl. in Mk. 12:29, Lk. 2:23, Hd. 11:21, Hd. 15:17, 1 Kor. 11:27, 1 Kor. 15:58, 2 Kor. 3:17, 18, 2 Tm. 2:19, Jak. 5:11, 1 Pt. 3:12, zodat het totaal op 215 keer uitkomt›), de Aramese variant van ‘JªHWᵉH’, die in de EBV wordt weergegeven als ‘de HEERE’ of ‘HEERE’. In het OT van de Peshitta komt de de Naam volgens Bauscher bijna 7000 keer voor (‹in het Hebreeuws 6521 keer verdeeld over 5520 verzen. Daarnaast kent het Aramees ook de Naam ‘mijn Heer’ of ‘mijn Here’ of ‘mijn heer’ (‹ܡܳܪܝ - mari›) en ‘onze Heer’ (‹ܡܳܪܰܢ - maran›). In het Grieks is alleen sprake van ‘Kurios’, dat gelijk is aan het Hebreeuwse ‘Adonai’ en vertaald wordt met ‘(‹mijn›) heer’ of ‘(‹mijn›) Heer’ of ‘(‹mijn›) Here’. Het voorkomen van de Naam ‘Mar-Jah’ is o.i. onmogelijk te verklaren vanuit een vertaalslag vanuit het Grieks. Het voorkomen van deze Naam in de Peshitta verplicht ons, in het licht van Ex. 3:15, om de Peshitta met ontzag te onderzoeken. Het is opmerkelijk dat de overspelige vrouw de enige persoon in de Evangeliën is die Jezus Christus aanspreekt met de Naam ‘HEERE’. Omdat deze passage aanvankelijk geen onderdeel was van de Peshitta, is het wel de vraag hoe deze passage zijn weg naar de Peshitta tekst vond. Het antwoord daarop vinden wij in Gwynn’s memoires pg. 269 e.v. |
|
3. |
in de Peshitta zijn de vader van Timotheüs (‹Hd. 16:1, 3›) en Titus (‹Gal. 2:3›) niet Griek maar Arameeër. Mogelijk was Titus de man die naast de synagoge in Korinthe woonde (‹Hd. 18:7›) en later voor Paulus een belangrijke schakel werd tussen de gemeente in Korinte en hemzelf (‹2 Kor. 2:13, 2 Kor. 7:6, 13, 14 en 2 Kor. 8:6, 16, 23, 2 Kor. 12:18 en waarschijnlijk ook Gal. 2:1 als Paulus na 14 jaar met Titus en Barnabas naar Jeruzalem gaat. En aan het slot van de brief van Titus, in Titus 3:5, staat in enkel manuscript dat hij de eerste opziener van de gemeente van de Kretenzen was. In 2 Tim. 4:10 lezen wij over Titus dat hij naar Dalmatië zou zijn afgereisd. Ook worden in de Peshitta niet de Jood en de Griek tegenover elkaar gesteld, maar de Jood en de Arameeër (‹Hd. 19:10, 17; 20:21; Rom. 1:16; 2:9, 10; 3:9; 10:12; 1 Kor. 1:22, 23, 24; 10:32; 12:13; Gal. 2:14; 3:28; Kol. 3:11›). Bovendien brengt Paulus in Hd. 21:28 geen Grieken in de Tempel, maar Arameeërs. |
|
4. |
de Aramese Peshitta vertoont geregeld eenvoudiger lezingen dan het Grieks, zonder aan diepte te verliezen. Waar men in het Grieks herhaaldelijk moet lezen om een vers te vatten, lukt dat in de lezing van de Peshitta soms ineens. |
|
5. |
de Aramese Peshitta is in bepaalde aspecten van de tekst consistenter dan het Griekse Testament. Een eenvoudig voorbeeld is de naam ‘Simeon Petrus’, die in het Griekse NT soms als ‘Petrus’ voorkomt, soms als ‘Simeon’ en soms als ‘Simeon Petrus’, terwijl in de Aramese Peshitta de naam vrijwel zonder uitzondering als ‘Simeon Kefa’ voorkomt, waarbij ‘Kefa’ de Aramese variant is van de naam Petrus (‹=rots›), de naam die Jezus hem gegeven had (‹Jh. 1:42›), een gebeurtenis waaruit tegelijk blijkt dat Jezus met de discipelen Aramees sprak. Alleen vijf keer: in Hd. 1:13, 1 Pt. 1:1, 1 Pt. 5:14, 2 Pt. 1:1 en 2 Pt. 3:18 vinden wij in de Peshitta de naam ‘Petrus’. De beide brieven worden zelfs in de Peshitta aangeduid als brieven van Petrus, en niet als brieven van Kefa, alleen lezen wij in de slotregel van 1 Pt. 5:14 dat zij Petrus ‘Simeon Kefa’ noemden. In het Griekse Nieuwe Testament komt de naam ‘Kefas’ 9 keer voor: Jh. 1:42, 1 Kor. 1:12; 3:22; 9:5; 15:5; Gal. 1:18; 2:9, 11, 14, dus 4 keer in de 1e brief aan Korinte en 4 keer in de brief aan de Galaten, terwijl de naam Petrus in de Peshitta in die beide brieven niet voorkomt. Dat de naam ‘Kefa’ 4 keer voorkomt in 1e brief aan de Korintiërs, zou kunnen zijn, omdat de gemeente voor een goeddeel Aramees sprekend was, temidden van een Grieks sprekend samenleving. Verder komen er meer Aramese uitdrukkingen voor in de brieven aan de Korintiërs dan aan andere gemeente. Denk aan Maranatha (‹1 Kor. 16:22›). Als er dan naast Grieks ook Aramees gesproken werd in Korinthe, ook een stad met veel zeelui uit verschillende landen, wordt de tongentaal ook verklaarbaarder, want om in het openbaar in tongen spreken, moet er een verstaander of vertolker zijn. Dat kan ongemerkt gebeuren, maar ook niet en men moet ook voor vertolking bidden. |
|
|
Hd. 19:10 van de Peshitta dat alle Joden en Arameeërs die in Azië woonden het woord van God hoorden toen Paulus 2 jaar lang toespraken hield in de school van Tyrannus. |
|
6. |
Een ander voorbeeld is de uitdrukking ‘een andere tong’ (‹letterlijk: ‘een tong in een tong’›) in Hd. 2:4, Hd. 10:46 en Hd. 19:6 van de Aramese Peshitta. Deze uitdrukking staat precies bij de 3 groepen die de Heilige Geest ontvangen, uitgaande van Jeruzalem, nl. (‹1›) de Joden, (‹2›) de volken, (‹3›) twaalf Joden, een beeld van de stammen in de verstrooiing. In het Grieks staat er niet steeds hetzelfde, en is de uitdrukking ook niet zo typerend voor het verschijnsel. ‘Een tong in een tong’, treffender kan het niet gezegd worden: ‘een taal in een taal’. |
|
7. |
Opvallend is het veelvuldig voorkomen van de uitdrukking ‘onze Heer’ en ‘mijn Heer’ in de Aramese Peshitta. In het Grieks is dat beduidend minder. |
|
8. |
In het Griekse Nieuwe Testament staan diverse keren leenwoorden uit het Aramees of uitdrukkingen in het Aramees b.v. ‘Mammon’ in Mt. 6:24, een Aramees woord dat ‘geld’ betekent In de Peshitta wel Griekse leenwoorden voor, maar die lijken vooral te maken hebben met het feit dat het gebeide door de Romeinen werd bestuurd. |
|
9. |
Het Aramees van de Peshitta wordt in het algemeen veel dichterlijker, poëtischer van aard geacht dan het Grieks en zou in dat opzicht meer overeenkomst hebben met het Hebreeuws van het Oude Testament. We beschouwen het als een teken van grotere originaliteit. |
|
10. |
In de Aramese Peshitta lezen wij in Mt. 25:1 dat de tien maagden de bruidegom en de bruid tegemoet gaan. In de Griekse bronnen lezen wij dat zij alleen de bruidegom tegemoet gaan. Wij hebben tot nu toe de Peshitta versie van deze tekst met bruidegom en bruid alleen kunnen terugvinden in een Sefardische Hebreeuwse versie van het Evangelie van Mattai uit de Bibliotheek van het Vaticaan - Vat. Ebr. 100 - vertaald door Justin J. van Rensburg, gedateerd aan het einde van de 15 eeuw, die naar zegen van Rensberg onmogelijk afkomstig kan zijn van een Grieks origineel. |
|
11. |
In de Aramese Peshitta lezen wij in Op. 20:12 dat de Boekrol van het Oordeel opengaat en niet de Boekrol van het Leven, zoals in het Griekse Nieuwe Testament. |
|
12. |
Opvallend is dat in de Aramese Peshitta de Naam ‘Jezus Christus’ vrijwel uitsluitend in deze volgorde van de twee namen wordt aangetroffen (‹4 keer lezen wij Christus Jezus nl. in 1 Kor. 16:24; 2 Kor. 4:5 en in 1 Tm. 1:1, 2›), terwijl wij in het Griekse NieuweTestament de omgekeerde volgorde nl. Christus Jezus wel in 70-90 verzen aantreffen, naar gelang de Griekse bronnen die de betreffende Bijbelvertaling volgt (‹de NA28, de MHT of de TR›). Dit omkeringsverschijnsel is heel goed te verklaren uit het feit dat men bij het vertalen tussen een taal, die van rechts naar links geschreven wordt en een taal die van links naar rechts geschreven wordt, bij het voorkomen van zulke combi-woorden of combi-namen heel makkelijk een verschrijving maakt, omdat men voor zich b.v. een R(‹echts›)-naar-L(‹inks›) origineel ziet maar het moet opschrijven als L-naar-R. |
|
13. |
In het NT van de Peshitta komt het Aramese woord ‘sbarta’ (‹ܣܒ݂ܰܪܬ݂ܳܐ›) voor, dat in de EBV vertaald wordt als ‘het Goede Nieuws’. Het woord komt voor in 45 verzen in het NT van de Peshitta nl. in: Mt. 4:23; 9:35; 24:14; 26:13; Mk. 1:14, 15; 8:35; 10:29; 13:10; 16:15; Hd. 12:24; 20:24; 15:7; Rm. 10:16; 15:19; 1 Kor. 4:15; 9:12, 14, 18, 23; 2 Kor. 2:12; 9:13; 10:14; 11:4, 7; Gal. 1:6, 7, 11; 2:2, 5, 7; Ef. 1:13; 6:19; Fil. 1:27; 2:22; 4:15; Kol. 1:5; 1 Th. 2:2, 4, 8, 10; 3:2; 2 Th. 1:8; 1 Pt. 4:17; 1 Jh. 1:5. Het woord is in ‘The Aramaic Lexicon and Concordance’ te vinden onder nr. 13879. Als wij afgaan op de betekenissen van het Aramese woord volgens het Compendious Syriac Dictionary van R. Payne Smith (‹pg. 359›), is de betekenis eigenlijk ‘hoopvol nieuws’ of ‘dat waar je met volharding en geduld en vaste overtuiging op wacht of naar uitziet’. In Rm. 5:3 en Rm. 15:4 van de EBV is het verwante Aramese woord ‘msabranoeta’ dan ook zo vertaald. Het werkwoord dat ermee samenhangt is ܣܳܒ݂ܰܪ (‹SaB’aR›). Het is in ‘The Aramaic Lexicon and Concordance’ te vinden onder nr. 13846. Dit werkwoord wordt in de EBV gewoonlijk vertaald als ‘het Goede Nieuws verkondigen’. Dit werkwoord met de ermee samenhangende afgeleide woordvormen, met inbegrip van het al besproken woord ‘sbarta’ komt in 100 verzen van de EBV voor en dit is altijd te herkennen aan de uitdrukking ‘het Goede Nieuws’, gewoonlijk met een hoofdletter aan het begin geschreven, maar ook wel geheel met klein letters. Naast dit woord treffen wij in het NT van de Peshitta ook het Aramese woord ܐܘܰܢܓ݁ܶܠܺܝܳܘܢ (‹Evangeliyon›). Het komt 30 keer voor in het NT van de Peshitta, nl. in: Mk. 1:1; Rm. 1:1, 9, 16; 2:16; 10:16; 11:28; 15:16, 29; 16:24; 1 Kor. 9:18; 15:1; 2 Kor. 4:3, 4; 8:18; Gal. 2:14; Ef. 3:6; 6:15; Fil. 1:5, 7, 12, 16, 27; 4:3; Kol. 1:23; 1 Tm. 1:11; 2 Tm. 1:8, 10; 2:8; Flmn. 1:13. Het woord is in ‘The Aramaic Lexicon and Concordance’ te vinden onder nr. 281. Het woord heeft een Griekse oorsprong blijkens het voorkomen van het woord in diverse oude Griekse geschriften en ook in de Griekse Septuaginta (‹LXX›) waar wij in 2 Sm. 4:10 het werkwoord εὐαγγελίζω (‹euaggelízō›) tegenkomen dat ‘verkondigen’ of ‘boodschappen’ betekent en waarvan ook het woord ‘αγγελον’ voor ‘engel’ is afgeleid. |
|
|
Het voorvoegsel ‘eu’ staat voor ‘goed’, en leidt dus tot de betekenis: ‘goed nieuws verkondigen’ (‹εὖ - G2095 en ἄγγελος - G32›). De vorm van het Aramese woord lijkt bijzonder sterk op dit Griekse woord. In het Arabisch spreekt men van ‘Injil’ (‹إِنْجِيلِ يَسُوعَ الْمَسِيحِ - Injil Yasu’a Al-Masiḥ›). Het woord ‘Injil’ mist de ‘eu’-klank van het Griekse woord ‘euaggelízō’ en de vraag rijst waarom dat zo is. In het Aramese woord ‘evangeliyon’ klinkt die ‘eu’-klank namelijk wel door. Er blijkt een opmerkelijke Arabische taalkundige wortel ‘najala’ ofwel ‘nagala’ (‹in sommige delen van Egypte wordt de ‘j’-klank wel als ‘g’ uitgesproken›) te bestaan. Het is een niet zo bekend werkwoord dat ‘verwekken’ betekent, d.w.z. het verwekken van kinderen. Het zelfstandig naamwoord ‘najl’ (‹نَجْل›) betekent ‘nakomelingschap’ of ‘nakomeling(‹en›)’. Omdat het Evangelie naar Mattai met de stamboom van Jezus Christus begint en sommige commentatoren heel het Evangelie van Mattai als ‘de geboortegeschiedenis van Jezus Christus’ beschouwen, kan men zich voorstellen dat het boek genoemd wordt naar de aard van dit begin. Het is echter ook mogelijk dat het woord ‘Injil’ toch uit het Grieks zo gevormd is door de moeilijkheid om de ‘eu’-klank goed in het Arabisch weer te geven, maar deze moeilijkheid lijkt ook weer niet onoverkomelijk, zodat toch de vraag blijft hoe de taalkundige ‘vork’ precies in de steel zit. In sommige verzen in de Peshitta treffen wij het woord ‘sbarta’ aan samen met het woord ‘Evangeliyon’ nl. in 1 Kor. 9:18 en in Fil. 1:27. In het Griekse NT treffen wij niet twee zeer verschillende woorden aan voor het Evangelie of voor het verkondigen van het Evangelie, maar twee nauw verwante woorden nl. ευαγγελιον (‹euaggelion - G2098 - het Evangelie›), dat 77 keer in het Griekse NT voorkomt verspreid over 74 verzen, en εὐαγγελίζω (‹G2097 - euaggelizó - het Evangelie verkondigen›), dat 55 keer voorkomt verspreid over 52 verzen. |
|
14. |
Een belangrijk verschijnsel bij vertalen is dat de oorspronkelijke tekst van vertaalslag op vertaalslag aan informatie verliest en onnauwkeuriger wordt, zelfs in het geval dat de vertalers op zich uiterst nauwkeurig zijn. Het NT van de Peshitta verschaft ons op diverse plaatsen informatie die wij niet kunnen terugvinden in het Griekse NT. Enkele opvallende voorbeelden hiervan zijn o.i. de naschriften bij alle NT-ische boeken en het opschrift van het boek Openbaring. Maar ook de uitdrukking ‘een tong in een tong’, ‘leshan be-leshan’, die wij in het boek Handelingen aantreffen en vertaald is als ‘een andere tong’, letterlijk: ‘een tong in een tong’, een uitdrukking die wij aantreffen in Hd. 2:4, Hd. 10:46 en Hd. 19:6 van de Aramese Peshitta. Deze uitdrukking staat precies bij de 3 groepen die de Heilige Geest ontvangen, uitgaande van Jeruzalem, nl. (‹1›) de Joden, (‹2›) de volken, (‹3›) twaalf Joden, een beeld van de Joden in de verstrooiing. In het Grieks staat er niet steeds hetzelfde, en is de uitdrukking ook niet zo typerend voor het verschijnsel. Een tong in een tong, treffender kan het niet gezegd worden: ‘een taal in een taal’. Daarnaast, zo is de mening van diverse aanhangers van de gedachte dat het NT van de Peshitta de grondtekst is, kan het Grieks zich in poëtische kracht niet meten met het Aramees van de Peshitta. |
|
15. |
‘... de Alef en ... de Tav’ - deze woorden komen drie keer voor, alleen in het boek Openbaring in de Aramese Peshitta uit de 5e eeuw n. Chr. (‹maar mogelijk al geschreven in de 1e eeuw›) en in het boek Openbaring van het Hebreeuwse Nieuwe Testament dat in de 18e eeuw tot stand kwam, nl. in Op. 1:8, p. 21:6 en in Op. 22:13. De Alef en de Tav zijn de eerste en de laatste letter van het Aramese en ook van het Hebreeuwse alfabet. In de Griekse tekst lezen wij: de Alfa en de Omega’, waarbij de Alfa voluit geschreven staat, terwijl de Omega als een enkele, losse Griekse letter in de tekst staat, wat een eigenaardige combinatie is. In de Aramese Peshitta lezen wij: ‘ālaf w-tav’, dat is vertaald: ‘de Alef en de Tav’. Beide letters zijn voluit als een woordklank geschreven. De combinatie van deze twee Aramees-Hebreeuwse letters in het Oude Testament vormen het bijzondere woordje |אֵת| (‹‘ēt’›) dat wij b.v. in Gen. 1:1 aantreffen “In het begin schiep GOD de hemelen en de aarde.” בְּרֵאשִׁית בָּרָא אֱלֹהִים , אֵת הַשָּׁמַיִם וְאֵת הָאָרֶץ: |
|
|
In de combinatie van deze letters ziet men wel een aanduiding van de tegenwoordigheid van Jezus Christus in het begin van de schepping en uit het drie keer voorkomen van de uitspraak ‘Ik ben de Alef en (‹Ik ben›) de Tav’ in Openbaring, het laatste boek van de Bijbel, kunnen wij aflezen dat Hij ook het Einde is of de Laatste. Het voorkomen van deze lettercombinatie ‘ēt’ in het boek Ruth is ook opmerkelijk, omdat de naam Ruth vanaf het moment dat zij met Boaz getrouwd is (‹Ruth 4:10, 13›) met deze lettercombinatie wordt ‘gemarkeerd’, maar daarvoor niet. Dit kleine woordje wordt eigenlijk nooit vertaald en is dus verborgen, maar wel aanwezig in de Bijbel en dat ruim 7000 keer. |
|
16. |
het is treffend dat de Aramese Peshitta in Jh. 6:52-56 het woord ‘lichaam’ gebruikt’ waar wij in de Griekse tekst het woord ‘vlees’ aantreffen. De woorden van Jezus lijken zo heen te wijzen naar het Heilig Avondmaal, dat juist die keuze voor ‘Lichaam’ precies op zijn plaats is, want het Lichaam van Jezus is ontdaan van sterfelijkheid, maar toen Hij, het Woord, vlees werd, betekende dat dat Hij zou sterven wat betreft zijn vleselijke lichaam, maar wat betreft zijn geestelijke Lichaam gold dat niet en zal dat ook nooit gelden. Het is onsterfelijk! Daarmee is in de Aramese Peshitta het verschil tussen ‘vlees’ en ‘lichaam’ duidelijker onderscheiden dan in de Griekse tekst. |
|
17. |
In de Peshitta vinden wij het woord ‘vlees’ in 96 verzen, terwijl wij in het Griekse NT het woord ||σάρξ||, ‘sarx’ (‹G4561›), voor ‘vlees’ 151 keer vinden verdeeld over 130 verzen. Het onderscheid tussen de Peshitta en het Griekse NT is opvallend in Jh. 6:52-56, waar de Peshitta steeds ‘Lichaam’ gebruikt, terwijl wij het Griekse NT ‘sarx’, dat is ‘vlees’ gebruikt. Hetzelfde komen wij tegen in Hd. 2:26 em Rom. 1:3. In Hd. 2:31 heeft de Peshitta o.i. terecht ‘lichaam’, tegenover de lezing ‘vlees’ in het Griekse NT. In Rom. 8:3 heeft de Peshitta net als het Grieks ‘het vlees van de zonde’, ofwel het zondige vlees. In Rom. 11:14 lezen wij in de Peshitta letterlijk ‘zonen van mijn vlees’ vertaald als ‘volksgenoten’, terwijl het Grieks spreekt van ‘mijn vlees’. In 1 Kor. 3:16 leest de Peshitta ‘de twee zullen één lichaam zijn’, terwijl in het Grieks sprake is van ‘één vlees’. Hetzelfde verschil vinden wij in 1 Kor. 7:28; 15:39, 2 Kor. 4:11; 5:16; 7:5; Ef. 5:29, Fil. 1:24, 1 Pt. 3:18, 21, 1 Pt. 4:2, 1 Jh. 2:16 |
|
18. |
Alleen in 1 Kor. 16:24, 2 Kor. 4:5 en 1 Tm. 1:1, 2 lezen wij de Naam Christus Jezus, net als in het Griekse NT van de NA28, MHT en TR. In de beide brieven aan de Korintiërs komt de gebruikelijke Naam ‘Jezus Christus’ in de Peshitta 33 keer voor en in de beide brieven aan Timoteüs 28 keer. In het heel het NT komt de Naam ‘Jezus Christus’ in 258 verzen voor, tegenover in 178 verzen in het Griekse NT, terwijl in het Griekse NT de Naam in zijn omgekeerde vorm in 70 verzen voorkomt. |
|
19. |
Mt. 5:45 ‘over goeden en slechten’, terwijl wij in het Grieks lezen over ‘slechten en goeden’. Een dergelijke omkering vinden wij zeker wel in 80 verzen in het NT. Het is zeer waarschijnlijk een overschrijfprobleem bij het vertalen tussen een schrift dat van rechts naar links loopt (‹Aramees›) en een schrift dat van links naar rechts loopt (‹Grieks›). |
|
20. |
Mt. 15:27 ‘Maar zij zei: “Jawel, mijn Heer, want de honden eten ook van de kruimels die van de tafel van hun heren vallen, en zo blijven zij leven.” In de Griekse tekst ontbreken de laatste woorden! |
|
21. |
Mt. 18:22 “Jezus zei tegen hem: “Ik zeg je niet tot zeven, maar tot zeventig keer zeven keer zeven toe!”. In het Grieks lezen wij: ‘Jezus zei tegen hem: “Ik zeg je niet tot zeven keer, maar tot zeventig keer zeven.” |
|
22. |
Mt. 19:28 “Jezus zei tegen hen: “Voorwaar, Ik zeg jullie dat jullie die Mij gevolgd zijn, in de nieuwe wereld, wanneer de Mensenzoon op de troon van zijn heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zullen zitten en de twaalf stammen van Israël zullen oordelen.” Voor ‘in de nieuwe wereld ’ leest het Griekse NT ‘in de wedergeboorte’. |
|
23. |
Mt. 21:5 “Zeg tegen de dochter van Sion: ‘Zie, je Koning komt tot je, zachtmoedig, rijdend op een ezel en op een veulen, het jong van een ezelin.” In het Griekse lezen wij: ’Zeg tegen de dochter van Sion: ‘Zie je koning komt tot je, zachtmoedig, gezeten op een ezelin en op een veulen, het jong van een lastdier.’ |
|
24. |
Mt. 25:1 ‘“Dan zal het Koninkrijk van de hemelen vergeleken worden met tien maagden die hun lampen meenamen en uittrokken om de bruidegom en de bruid tegemoet te gaan. ’ In het Griekse NT is alleen sprake van ‘de bruidegom’. |
|
25. |
Mt. 26:69 ‘Kefa zat buiten in de hof. Er kwam een dienstbode naar hem toe, die tegen hem zei: “Jij was ook bij Jezus uit Nazaret.” ’ In de Griekse tekst lezen wij ‘uit Galilea’. |
|
26. |
Mt. 28:18 ‘Jezus kwam naar hen toe, sprak tot hen en zei: “Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Zoals mijn Vader Mij gezonden heeft, zend Ik (ook) jullie.’ De onderstreepte tekst komt niet voor in het Griekse NT. |
|
27. |
Mk. 2:4 ‘Omdat zij door de menigte niet dicht bij Hem konden komen, klommen zij op het dak en verwijderden de dakbedekking boven de plaats waar Jezus was, en lieten het (draag)bed, waarop de verlamde lag, naar beneden zakken.’ De onderstreepte tekst komt niet voor in het Griekse NT. |
|
28. |
Mk. 2:27 ‘(Daarop) zei Hij tegen hen: “De sabbat is geschapen voor de mens, niet de mens voor de sabbat.’ In het Griekse NT staat er ‘De sabbat is gemaakt ...’ |
|
29. |
Mk. 6:33 ‘Maar velen zagen hen weggaan en zij herkenden hen. Vanuit alle steden liepen zij over land snel voor Hem uit naar die plaats toe.’ In het Griekse NT lezen wij: ‘En velen zagen hen weggaan en herkenden hen, en te voet liepen zij van alle steden samen snel daarheen en kwamen er voor hen aan en kwamen samen naar Hem toe.’ |
|
30. |
Mk. 8:29 ‘Hij zei tegen hen: “Maar jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?” Simeon antwoordde en zei tegen Hem: “U bent de Messias, de Zoon van de levende GOD!” De onderstreepte tekst ontbreekt in het Griekse NT. |
|
31. |
Mk. 9:12 ‘Hij zei tegen hen: “Elia zal wel eerst komen om alles voor te bereiden ...’ In het Griekse NT staat er ‘om alles te herstellen’. |
|
32. |
Mk. 11:22 ‘Jezus antwoordde en zei tegen hen: “Laat het geloof van GOD in jullie zijn ...’ In het Griekse NT lezen wij: ‘Heb geloof in GOD’. |
|
33. |
Mk. 13:14 ‘Wanneer jullie het gruwelijke teken van de verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, zien staan waar het niet behoort’. In het Griekse NT lezen wij kortweg ‘de gruwel van de verwoesting’. |
|
34. |
Mk. 14:3 ‘Zij opende die en goot (de olie) over het hoofd van Jezus uit.’ In het Griekse NT lezen wij: ‘Zij brak die en goot (de olie) over zijn hoofd uit’. |
|
35. |
Mk. 14:24 ‘Hij zei tegen hen: “Dit is mijn Bloed van het Nieuwe Verbond, dat voor velen vergoten wordt.” In het Griekse NT lezen wij: ’dit is mijn Bloed van het Verbond’. |
|
36. |
Mk. 14:13 ‘Zij leidden Jezus naar Kajafas, de hogepriester, en alle overpriesters, Schriftgeleerden en oudsten kwamen daar bij hem samen.’ In het Griekse NT ontbreekt de naam ‘Kajafas’. |
|
37. |
Mk. 16:11 ‘Toen zij hoorden dat Hij leefde en aan hen verschenen was, geloofden zij hen niet.’ In het Griekse NT lezen wij ‘En toen dezen hoorden dat Hij leefde en door haar gezien was, geloofden zij haar niet.’ of ‘geloofden zij het niet’ |
|
38. |
Lk. 1:3 ‘kwam ook ik tot het inzicht, omdat ik nauw bij alles betrokken was, dat ik alles ordelijk voor je moest opschrijven, hooggeachte Teofilus’. In het Griekse NT lezen wij: ‘heeft het ook mij goed gedacht, na alles van voren af aan nauwkeurig onderzocht te hebben, het in geregelde orde aan je te schrijven, hoogedele Teofilus.’ |
|
39. |
Lk. 1:17 ‘Hij zal voor Hem uitgaan in de geest en de kracht van de profeet Elia, om het hart van de vaderen te keren tot de kinderen, en om wie niet geloven te keren tot de kennis van de Rechtvaardige, en om een volmaakt volk voor de HEERE gereed te maken.’ Het Griekse NT: ‘En hij zal voor Hem uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten van de vaderen te doen terugkeren tot de kinderen en de ongehoorzamen in de wijsheid van de rechtvaardigen, om de Heer een toegerust volk te bereiden.’ |
|
40. |
Lk. 2:33 ‘Jozef en zijn moeder verwonderden zich over wat er over Hem gezegd werd.’ Het Griekse NT: ‘Zijn vader en moeder verwonderden zich over wat over Hem gesproken werd.’ |
|
41. |
Lk. 2:37 ‘Zij was ongeveer vierentachtig jaar weduwe’. Het Griekse NT: ‘En zij was een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar’. |
|
42. |
Lk. 2:49 ‘ Wisten jullie niet dat Ik in het Huis van mijn Vader moest zijn?’ Het Griekse NT: ‘Wisten jullie niet dat Ik in de dingen van mijn Vader moest zijn? |
|
43. |
Lk. 3:33 ‘de zoon van Amminadab, de zoon van Aram, de zoon van Hezron, de zoon van Perez, de zoon van Juda’. Het Griekse NT: ‘van Aminadab, van (A)ram, van Admin, van Arni, van Hezron, van Perez, van Juda’, of: ‘de zoon van Amminadab, de zoon van Admin, de zoon van Arni, de zoon van Hezron, de zoon van Perez, de zoon van Juda.’ |
|
44. |
Lk. 6:8 ‘Sta op, kom in het midden van de synagoge staan!’ In het Grieks ontbreekt ‘van de synagoge’. |
|
45. |
Lk. 6:18 “Juda, de zoon van Jakob, en Judas Iskariot, die de verrader was.’ In het Grieks van de Textus Receptus (‹TR›) staat er: ‘de Judas, de broer van Jakob.’ |
|
46. |
Lk. 9:34 ‘zij werden bevreesd toen zij Mozes en Elia de wolk zagen binnengaan’. In het Grieks staat er: ‘Zij werden bevreesd toen zij de wolk ingingen.’ |
|
47. |
Lk. 10:22 ‘Daarop keerde Hij Zich om naar zijn discipelen en zei tegen hen: “Alles is aan Mij overgeleverd door mijn Vader.’ In het Grieks ontbreken de onderstreepte woorden. |
|
48. |
Lk. 11:17 ‘“Elk koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, zal verwoest worden, en een huis dat tegen zichzelf verdeeld is, komt ten val.’ In het Grieks ontbreekt de tekst ‘dat tegen zichzelf verdeeld is’ m.b.t. het huis. |
|
49. |
Lk. 13:15 ‘Laat niet ieder van jullie op de sabbat zijn os of zijn ezel uit de stal los om (hem) te laten drinken?’ In het Grieks lezen wij: ‘maakt niet ieder van jullie op de sabbat zijn os of ezel van de voederbak los, leidt hem weg en geeft hem te drinken? |
|
50. |
Lk. 17:36 ‘Twee zullen er op het veld zijn: de één zal meegenomen worden en de ander zal achtergelaten worden.’ Dit vers ontbreekt in de Griekse tekst van de NA28 en MHT, al komt de tekst wel voor in de TR. |
|
51. |
Lk. 19:29 ‘aan de kant van de berg die ‘Het Olijfhuis’ genoemd wordt, zond Hij twee van zijn discipelen uit’. In het Grieks staat er: ‘bij de berg, die Olijfberg heette, dat Hij twee van zijn discipelen uitzond’. |
|
52. |
Lk. 21:11 ‘Er zullen grote aardbevingen zijn op verschillende plaatsen, hongersnoden, plagen, vreselijke en angstaanjagende gebeurtenissen. En er zullen grote tekenen vanuit de hemel gezien worden en er zullen hevige stormen zijn’. In het Grieks ontbreken ’de hevige stormen’. |
|
53. |
Lk. 21:25 ‘“Dan zullen er tekenen zijn aan de zon, de maan en de sterren, en op aarde zal er verdrukking zijn van de volken, en men zal van verbijstering de handen op elkaar slaan vanwege het bulderen van de zee ...’ In het Grieks ontbreken de onderstreepte woorden. |
|
54. |
Lk. 22:47 “Hij liep op Jezus toe en kuste Hem, want hij had hun deze aanwijzing gegeven: ‘Die ik kus, die is het!’ ” In het Grieks staat er kortweg: ‘Hij naderde Jezus om Hem te kussen.’ Heel de onderstreepte tekst ontbreekt. |
|
55. |
Lk. 23:23 ‘Zij bleven echter met stemverheffing bij hem aandringen en eisten dat zij Hem zouden mogen kruisigen.’ In het Grieks staat er: ‘dat Hij gekruisigd zou worden’. |
|
56. |
Lk. 23:45 ‘De zon werd verduisterd en het voorhangsel van de ingang van de Tempel werd doormidden gescheurd.’ In het Grieks lezen wij: ‘scheurde doormidden’. |
|
57. |
Lk. 24:32 “Zij zeiden tegen elkaar: ‘Waren wij niet traag van hart toen Hij onderweg met ons sprak en de Schriften aan ons uitlegde?’ ” In het Grieks lezen wij: ‘Was ons hart niet brandende in ons ...’. |
|
58. |
Lk. 24:36 “Terwijl zij over deze dingen spraken, stond Jezus in hun midden en zei tegen hen: ‘Vrede zij jullie, IK BEN (het), vrees niet!’ ” De onderstreepte woorden ontbreken in het Grieks. |
|
59. |
Jh. 1:2 ‘Deze was in het begin bij GOD.’ In het Grieks lezen wij: ‘Dit was in het begin bij GOD’. |
|
60. |
Jh. 1:8 ‘Niemand heeft ooit GOD gezien. De Enige van GOD, die aan de boezem van zijn Vader is, heeft (Hem) doen kennen.’ In het Grieks lezen wij: ‘de eniggeboren Zoon die aan de boezem van de Vader is’. |
|
61. |
Jh. 5:2 ‘Er was daar in Jeruzalem (bij de Schaapspoort) een doopbad, dat in het Hebreeuws ‘Bet-Khesda’ werd genoemd, en daarbij waren vijf zuilengangen.’ De woorden ‘bij de Schaapspoort’ ontbreken in het Aramees, maar zijn ter verduidelijking uit het Grieks toegevoegd. In het Aramees staat ‘doopbad’, maar in het Grieks is spraken van ‘een bad’, zonder enige specificatie. |
|
62. |
Jh. 5:26 ‘Want zoals de Vader Leven heeft in zijn Wezen, zo heeft Hij ook de Zoon gegeven Leven te hebben in zijn Wezen’. Het Aramese woord ‘qnomeh’ dat vertaald is als ‘Wezen’ komt 15 keer voor in het Aramese NT o.a. in Heb. 1:1-3 en Heb. 9:28. In het Grieks NT lezen wij in Jh. 5:26 ‘Leven heeft in Zichzelf’. |
|
63. |
Jh. 6:22 ‘De volgende dag zag de menigte die aan de overkant van de zee stond, dat daar geen andere boot was dan die ene waar zijn discipelen aan boord waren gegaan, en dat Jezus niet met zijn discipelen in de boot was gestapt.’ In het Grieks lezen wij: ‘dat daar geen ander scheepje was geweest dan dat ene waarin zijn discipelen waren gegaan, en dat Jezus niet met zijn discipelen in het schip was gegaan, maar dat zijn discipelen alleen waren weggegaan’. De onderstreepte slotwoorden vanuit de Grieks tekst ontbreken in de Peshitta. |
|
64. |
Jh. 7:35 “De Joden zeiden tegen elkaar: ‘Waar is Hij van plan heen te gaan, zodat wij Hem niet kunnen vinden? Is Hij van plan naar de gebieden van de volken te gaan?Is Hij van plan om de heidenen te gaan onderwijzen?’ ” Nu de vertaling van het Grieks: ‘De Joden zeiden tegen elkaar: Waar zal Deze heengaan, dat wij Hem niet zullen (kunnen) vinden? Zal Hij soms naar de verstrooiden onder de Grieken gaan en de Grieken onderwijzen?’ |
|
65. |
Jh. 9:7 ‘Daarop zei Hij tegen hem: “Ga heen, was je in het doopbad van Siloam!’ In het Grieks lezen wij: ‘in het badwater van Siloam’. |
|
66. |
Jh. 11:1 ‘Er was iemand ziek, Lazarus, uit het dorp Betanië, de broer van Marjam en Marta.’ Vanuit het Grieks lezen wij: ‘Er was iemand ziek, Lazarus van Betanië, uit het dorp van Maria en haar zuster Martha.’ |
|
67. |
Jh. 12:20 ‘Er waren onder hen ook sommigen die uit de volken naar het Feest opgetrokken waren om te aanbidden.’ Vanuit het Grieks lezen wij dat er ‘enkele Grieken’ optrokken. |
|
68. |
Jh. 14:16 ‘En Ik zal mijn Vader smeken en Hij zal jullie een andere Verlosser van de vloek geven, die tot in eeuwigheid met jullie zal zijn’. Vanuit het Grieks lezen wij dat er ‘een andere Trooster’ gegeven zal worden, hoewel de taalkundige grond voor die vertaling zwak lijkt te zijn. |
|
69. |
Jh. 14:18 ‘‘Ik zal jullie niet als wezen achterlaten, want na een korte tijd zal Ik weer bij jullie komen.’ Vanuit Grieks lezen wij alleen: ‘Ik kom naar jullie toe’. De ‘korte tijd’ wordt verplaats naar het volgende vers. |
|
70. |
Jh. 16:16 ‘“Nog een korte tijd en jullie zullen Mij niet meer zien, en nog eens een korte tijd en jullie zullen Mij zien, want Ik ga heen naar de Vader.” De onderstreepte woorden komen niet voor in de Griekse tekst van dit vers. |
|
71. |
Jh. 17:7 ‘Nu weet Ik dat alles wat U Mij gegeven hebt, van bij U gekomen is.’ Vanuit het Grieks lezen wij: ‘Nu hebben zij erkend dat alles wat U Mij hebt gegeven, van U is.’ |
|
72. |
Jh. 19:9 ‘op de plaats die het stenen ‘Retsifta’, dat is ‘Plaveisel’, wordt genoemd, maar in het Hebreeuws zegt men ‘Gpipta’. Vanuit het Grieks lezen wij: ‘op de plaats die Lithostrotos heet en in het Hebreeuws Gabbata’. ‘Retsifta’ en ‘Gpipta’ zijn twee Aramese woorden voor ‘plaveisel’, het eerste zou meer gebruikt zijn in Judea en het andere vooral in Galilea. |
|
73. |
Jh. 19:42 ‘Daar legden zij Jezus in, omdat de sabbat zou beginnen en omdat het graf dichtbij was.’ Vanuit het Grieks lezen wij: ‘vanwege de voorbereiding van de Joden’. |
|
74. |
Jh. 20:2 ‘Zij hebben onze Heer uit de grafkamer weggehaald, maar ik weet niet waar zij Hem hebben neergelegd.’ In het Grieks staat er: ‘en wij weten niet’ |
|
75. |
Jh. 21:15 “Hij zei tegen hem: ‘Weid mijn lammeren’ ” en Jh. 21:16 “Hij zei tegen hem: ‘Weid mijn rammen!’ en Jh. 21:17 ‘Weid mijn ooien’ ” In het Grieks vinden wij resp. ‘lammeren’, ‘schapen’ en ‘schapen’. |
|
76. |
Hd. 1:1 ‘Toen Hij brood met hen gegeten had, gebood Hij hun om Jeruzalem niet te verlaten’. In het Grieks lezen wij: ‘Terwijl Hij met hen samen was, gebood Hij ...’ |
|
77. |
Hd. 1:12 “Hierna keerden zij terug naar Jeruzalem, vanaf de berg die ‘Het Olijfhuis’ wordt genoemd, die naast Jeruzalem ligt, ongeveer zeven stadiën, nog geen anderhalve kilometer, ervandaan.’ Vanuit het Grieks lezen wij: ‘van de berg, genaamd de Olijfberg, die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis daarvandaan.’ |
|
78. |
Hd. 2:11 ‘wij allen horen hen in onze eigen talen van de wonderen van GOD spreken.’ In het Grieks staat er ‘daden’ in plaats van ‘wonderen’. |
|
79. |
Hd. 2:24 ‘Maar GOD heeft Hem doen opstaan en de banden van het dodenrijk losgemaakt’. Vanuit het Grieks lezen wij: ‘God heeft Hem opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood’. |
|
80. |
Hd. 2:42 “En zij bleven trouw aan het onderwijs van de apostelen en namen deel aan het gebed en aan het breken van het genadebrood.’ Het Grieks zegt: ‘en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden.’ |
|
81. |
Hd. 3:21 ‘die door de hemel opgenomen moest worden tot aan de vervulling van de tijden van alles wat GOD al lang geleden door de mond van zijn heilige profeten gesproken heeft.’ Vanuit het Grieks lezen wij: ‘die de hemel moet opnemen tot op de tijden van het herstel van alle dingen, waarvan God heeft gesproken door de mond van zijn heilige profeten van al lang geleden. |
|
82. |
Hd. 3:26 ‘Lang geleden al (‹vanaf het eerste begin›) heeft Hij het Verbond met jullie opgericht, en nu heeft GOD zijn Zoon gezonden om jullie te zegenen als jullie je tot Hem keren en berouw hebben van jullie slechte daden.’ Vanuit het Grieks lezen wij: ‘Tot jullie in de eerste plaats heeft God, na zijn Dienaar (‹NA28›) / zijn Zoon Jezus (‹TR›) te hebben doen opstaan, Hem gezonden, om u te zegenen door ieder van jullie af te brengen van jullie slechte daden’. |
|
83. |
Hd. 4:6 ‘ook Annas, de hogepriester, en Kajafas, Johannes en Alexander, en allen die tot de familie van de overpriesters behoorden.’ Het Grieks: ‘en Annas, de hogepriester, en Kajafas, Johannes, Alexander en allen, die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden’. |
|
84. |
Hd. 4:8 ‘Toen zei Simeon Kefa vervuld van de Heilige Geest tegen hen: “Oversten van het volk en oudsten van het huis van Israël, luister!’ In het Grieks lezen wij ofwel kortweg ‘oudsten’ (‹NA28›) ofwel ‘oudsten van Israël’ (‹MHT en TR›). |
|
85. |
Hd. 7:45 ‘Onze vaderen hebben deze Woning met Jozua naar het land gebracht dat GOD hun gegeven had als (hun) erfdeel vanuit de volken die Hij voor hen uit verdreven had, en (deze Woning) werd (rond)gedragen tot aan de dagen van David.’ In het Grieks ontbreekt de precisie van de Peshitta, want er wordt niet vermeld wat er nu precies gebeurde tot aan de dagen van David. |
|
86. |
Hd. 8:1 ‘Saul stemde ermee in om hem te doden en was daar ook bij betrokken.’ In het Griekse NT lezen wij: ‘Saulus stemde ermee in dat hij werd gedood.’ In de Peshitta is de verantwoordelijkheid van Saul voor de dood van Stefanus groter. |
|
87. |
Hd. 8:21 ‘Jij hebt part noch deel aan dit geloof, omdat je hart niet recht is tegenover GOD.’ In het Grieks staat er voor het onderstreepte ‘aan deze zaak’. |
|
88. |
Hd. 9:5 ‘En onze Heer zei “IK BEN Jezus de Nazarener, die jij vervolgt.’ In het Grieks: ‘En de Heere zei: Ik ben Jezus, die jij vervolgt.’ |
|
89. |
Hd. 10:37 ‘Jullie weten dat het Woord dat heel Judea bereikt heeft, van Galilea uitging na de doop die Johannes predikte’. In het Griekse NT lezen wij: ‘Jullie weten wat er is gebeurd door heel Judea, te beginnen vanaf Galilea’. |
|
90. |
Hd. 11:11 ‘Op dat moment stonden er drie mannen die door Cornelius uit Caesarea naar mij toe gestuurd waren, bij de poort van de binnenhof waar ik verbleef.’ In het Griekse NT ontbreekt in dit vers de tekst ‘door Cornelius’, en in plaats van ‘bij de poort van de binnenhof’ lezen wij ‘bij het huis’ of ‘voor het huis’ De Peshitta geeft meer detail! |
|
91. |
Hd. 12:1 ‘In die tijd sloeg koning Herodes, degene die Agrippa genoemd werd, de hand aan sommigen in de gemeente om hen kwaad te doen.’ De onderstreepte tekst ontbreekt in het Griekse NT. |
|
92. |
Hd. 12:19 ‘Toen Herodes naar hem had laten zoeken, maar hem niet kon vinden, veroordeelde hij de bewakers ter dood, vertrok uit Judea en bleef in Caesarea.’ In het Griekse NT lezen wij alleen: ‘nam hij de wachters in verhoor en beval hen weg te leiden’. Opnieuw is de Griekse tekst vager en minder nauwkeurig. |
|
93. |
Hd. 13:26 ‘Mannenbroeders, zonen van het geslacht van Abraham en allen die met jullie GOD vrezen, tot jullie is Hij gezonden: het Levende Woord.’ In het Griekse NT lezen wij: ‘tot jullie (‹TR ’tot ons’›) is het Woord van deze redding/dit behoud gezonden’. |
|
94. |
Hd. 13:38 ‘Toen de volken dit hoorden, verblijdden zij zich en loofden GOD.’ In het Griekse NT lezen wij: ‘Toen de volken dit hoorden, verblijdden zij zich en prezen het woord van de Heer’. |
|
95. |
Hd. 14:12 ‘Zij noemden Bar-Nabas ‘De heer van de goden’ en Paulus (noemden zij) ‘Hermes’, omdat hij het woord voerde.’ In het Griekse lezen wij in plaats van ‘De heer van de goden’ de naam ‘Zeus’. |
|
96. |
Hd. 15:20 ‘dat zij zich moeten onthouden van alle bezoedeling door offers aan afgoden, van hoererij, van het verstikte en van bloed’. In het Griekse NT staat te lezen dat zij zich moeten onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is’. |
|
97. |
Hd. 15:32 ‘Met een vloed van woorden bemoedigden zij de broeders en zij bevestigden degenen die bij Juda en Silas hoorden, omdat die beiden ook profeten waren.’ In het Griekse NT ontbreekt de onderstreepte tekst in het NT. |
|
98. |
Hd. 16:2 ‘(Toen) hij bij de stad Derbe en bij Lystra aankwam, was daar een discipel die Timoteüs heette. Hij was de zoon van een gelovige Joodse vrouw en zijn vader was Arameeër.’ In het Griekse NT is Timoteüs’ vader Griek, zoals wij eerder al opmerkten. |
|
99. |
Hd. 16:19 ‘sleurden hen mee en brachten hen naar de markt’. Het Grieks voegt er nog aan toe: ‘voor de overheid’ of ‘voor de stadsbestuurders’. |
|
100. |
Hd. 17:14 ‘Toen lieten de broeders Paulus naar de zee afdalen, maar Silas en Timoteüs bleven in de stad.’ In het Griekse NT ‘lieten de broeders Paulus onmiddellijk naar de zee reizen’, terwijl ‘Silas en Timoteüs achterbleven’ zonder de vermelding ‘in de stad’. |
|
101. |
Hd. 17:26 ‘Uit één bloed heeft Hij heel de wereld van de mensen gemaakt om op heel het aardoppervlak te wonen’. Het Griekse NT spreekt van ‘heel het menselijk geslacht’ of ‘al de natiën van de mensen’. |
|
102. |
Hd. 17:34 ‘Maar sommigen van hen sloten zich bij hem aan en kwamen tot geloof. Eén van hen was Dionysius, één van de rechters van de Areopagus, en ook een vrouw die Damaris heette, en nog anderen met hen.’ In het Griekse NT lezen wij ‘Dionysius, de Areopagiet’. |
|
103. |
Hd. 18:4 ‘Iedere sabbat sprak hij in de synagoge om de Joden en de heidenen te overtuigen.’ Het Griekse NT spreekt van ‘Joden en Grieken’. |
|
104. |
Hd.18:5 ‘Toen Silas en Timoteüs uit Macedonië aangekomen waren, werd Paulus bij de verkondiging van het Woord gehinderd, omdat de Joden tegen hem in verzet kwamen en hem lasterden wanneer hij getuigde dat Jezus de Messias is.’ De onderstreepte tekst is in het Grieks heel anders: ‘wijdde Paulus zich geheel aan de prediking, waarin hij de Joden betuigde, dat Jezus de Christus is.’ (‹NA28›) of ‘werd Paulus er door de Geest toe aangezet tegenover de Joden te getuigen dat Jezus de Christus is.’ Wat een verschillen! |
|
105. |
Hd. 18:6 ‘Hij schudde het stof van zijn kleren af en zei tegen hen: Van nu af ben ik rein van jullie bloed en zal ik naar de volken gaan.’ Nu het Grieks: ‘Toen zij zich echter verzetten en lasterden, schudde hij zijn kleren uit en zei tegen hen: Jullie bloed kome op jullie hoofd. Ik ben (er) rein (van), vanaf nu zal ik naar de volken gaan.’ Ook hier weer heel wat verschillen tussen de Aramese en Griekse tekst van dit vers. |
|
106. |
Hd. 18:17 ‘Toen grepen de heidenen Sostenes, de oudste van de synagoge’. Het Grieks zegt: ‘En allen grepen Sostenes, de overste der synagoge |
|
107. |
Hd. 18:21 “Hij zei: ‘Ik moet beslist aan het komende Feest in Jeruzalem deelnemen, maar ik zal bij jullie terugkomen als GOD het wil!’ En hij liet Aquila en Priscilla in Efeze achter.” De onderstreepte tekst ontbreekt geheel in het Griekse NT. |
|
108. |
Hd. 18:22 ‘Hij reisde over zee en kwam bij Caesarea aan. Vandaar trok hij op (naar het Feest in Jeruzalem), groette hen die bij de gemeente hoorden met de vredegroet, en reisde door naar Antiochië.’ Het Grieks is korter en minder duidelijk: ‘En in Caesarea aangekomen trok hij op en groette de gemeente en vertrok naar Antiochie.’ |
|
109. |
In Hd. 16:12 en in Hd. 20:6 wordt Filippi in de Peshitta ‘de (‹hoofd›)stad van Macedonië’ genoemd. Deze informatie ontbreekt in het Griekse NT. Vergelijk Hd. 16:12 waar het Grieks wel meer in lijn is met het Aramees. |
|
110. |
Hd. 20:7 ‘Op de eerste dag van de week, toen de discipelen bijeengekomen waren om het genadebrood te breken’. In het Grieks is de lezing ‘om het brood te breken’. |
|
111. |
Hd. 20:11 ‘Toen hij weer naar boven gegaan was, brak hij een brood, nam er wat van en sprak tot het aanbreken van de morgen. Daarna vertrok hij over land. ’ De woorden ‘over land’ ontbreken in het Grieks. |
|
112. |
Hd. 20:13 ‘Maar wij gingen (aan boord van) het schip en voeren naar de haven van Thesos om Paulus daar (aan boord) te nemen zoals hij ons had opgedragen, omdat hij zelf over land (daarheen) was gegaan.’ In het Grieks lezen wij resp. ‘Assus’, ook in vs. 14, en ‘te voet’. |
|
113. |
Hd. 20:15 ‘Vandaar staken wij de volgende dag over naar het eiland Chios’ In het Griekse NT lezen wij: ‘kwamen wij de volgende dag ter hoogte van Chios’. |
|
114. |
Hd. 20:16 ‘want Paulus had besloten om Efeze voorbij te varen, opdat hij daar niet opgehouden zou worden, want hij had haast om zo mogelijk de dag van het Vijftigdagenfeest, dat is Pinksteren, in Jeruzalem te vieren.’ In de Griekse tekst lezen wij resp. ‘om geen tijd in Asia te verliezen’ en ‘te zijn’. |
|
115. |
Hd. 21:15 ‘Maar wat betreft de gelovigen onder de volken hebben wij voorgeschreven dat zij zich moeten onthouden van wat aan de afgoden geofferd is, van hoererij, van het verstikte en van bloed.’ In het Grieks valt op de omgekeerde volgorde op: ‘van het bloed, van het verstikte en van de hoererij’, terwijl wij in plaats van ‘de gelovigen onder de volken’ lezen ‘de gelovigen van de volken’. |
|
116 |
Hd. 21:27 ‘Toen de sabbat, de zevende dag, aangebroken was’. In het Grieks lezen wij: ‘toen de zeven dagen ten einde liepen’. |
|
117. |
Hd. 24:16 ‘En deze mensen hebben mij in de Tempel aangetroffen, nadat ik gereinigd was’. In de Griekse tekst van de TR staat er: ‘Terwijl ik dat deed (‹d.w.z. offers brengen›), troffen enige Joden uit Asia mij, nadat ik gereinigd was’. In de Griekse tekst van de NA28 en MHT staat: ‘waarbij zij mij gereinigd in de tempel vonden’. Altijd vallen de verschillende Griekse lezingen op. |
|
118. |
Hd. 24:19 ‘Maar de Joden die uit Asia gekomen waren, die de mensen opgehitst hebben, horen in feite hier met mij voor u te staan om mij van wat zij ook maar tegen mij mogen hebben, te beschuldigen.’ De onderstreepte tekst en informatie ontbreekt in het Grieks. |
|
119. |
Hd. 26:4 Aramees: ‘Want die Joden zelf, als ze maar eens bereid zouden zijn om ervan te getuigen, kennen mijn leefwijze zoals die van jongs af aan, vanaf het begin, onder mijn volk en in Jeruzalem was.’ Vanuit het Grieks lezen wij: ‘Mijn levenswandel dan van jongs af, die vanaf het begin onder mijn volk en in Jeruzalem is geweest, kennen alle Joden.’ Een reeks verschillen tussen de Aramese tekst en de Griekse. |
|
120. |
Hd. 26:5 ‘Want al lange tijd zijn zij goed van mij op de hoogte en zij weten dat ik overeenkomstig de officiële leer van de Farizeeën leefde.’ Het Griekse NT: ‘Zij weten van mij uit het verleden, als zij er maar van wilden getuigen, dat ik geleefd heb volgens de meest nauwgezette richting binnen onze godsdienst, namelijk als Farizeeër. |
|
121. |
Hd. 27:12 ‘om zo mogelijk een haven op Kreta te bereiken die Feniks heette en uitkeek op het zuiden, om daar te overwinteren.’ In het Grieks lezen wij: ‘om zo mogelijk Feniks te bereiken, een haven van Kreta, die uitkijkt op het zuidwesten en op het noordwesten, en daar te overwinteren.’ |
|
122. |
Hd. 27:27 ‘Na veertien dagen op de zee van Hadrios rondgezworven te hebben’. In het Grieks lezen wij: ‘Toen de veertiende nacht was aangebroken dat wij in de Adriatische zee ronddreven’. |
|
123. |
Hd. 28:13 ‘Vandaar maakten wij een bocht en kwamen in Regium aan. Na een dag kregen wij de zuidenwind mee en zo kwamen wij in twee dagen in Puteoli aan, een stad in Italië.’ Het Grieks: ‘Vandaar voeren wij eromheen en kwamen in Regium aan, en doordat er na één dag een zuidenwind opstak, kwamen wij de tweede dag in Puteoli’. De Peshitta is duidelijker en bovendien ontbreekt in het Grieks de tekst ‘een stad in Italië’. |
|
124. |
Hd. 28:22 ‘Maar wij willen graag van je weten, wat je denkt, omdat wij weten dat deze leer door niemand wordt aanvaard’. Het Grieks: ‘Maar wij stellen het wel op prijs van je te vernemen, wat je denkt, want wat deze sekte betreft, is ons bekend, dat zij overal tegenspraak ondervindt.’ |
|
125. |
Rom. 1:11 ‘Want ik verlang er erg naar om jullie te zien en jullie de gave van de Geest te mogen geven, zodat jullie in Hem bevestigd worden.’ Dit lezen wij vanuit het Grieks: ‘Want ik verlang er erg naar om jullie te zien, om jullie enige/een of andere geestelijke genadegave mee te delen/te geven tot jullie versterking’. Het Grieks is raadselachtig. De uitdrukking in het Aramees ‘de gave van de Geest’ in het enkelvoud heeft altijd betrekking op de ontvangst van de Heilige Geest wanneer iemand tot geloof komt: Lk. 11:13; Hd. 2:33, 38; 10:45; Rom. 2:12; Fil. 1:19 en dus waarschijnlijk ook in Rom. 1:11, ook al stemt de Griekse tekst van het NT daarmee niet overeen. In het meervoud gaat het om de gaven van de Heilige Geest: 1 Kor. 12:4, 9; 14:1, 12. |
|
126 |
Rom. 1:14 ‘aan Grieken en barbaren, aan wijzen en dwazen, aan alle mensen ben ik het verschuldigd om het Evangelie te verkondigen.’ In de Griekse tekst ontbreekt de onderstreepte tekst en lezen wij kortweg: ‘Van Grieken en barbaren, van wijzen en onwetenden ben ik een schuldenaar.’ |
|
127. |
Rom. 1:15 ‘Zo word ik aangespoord om ook aan jullie die in Rome zijn, het Goede Nieuws te verkondigen.’ Vanuit het Grieks lezen wij: ‘Zo ben ik dan, wat mij betreft, bereid ook aan jullie die in Rome zijn het Evangelie te verkondigen.’ |
|
128. |
Rom. 3:25 ‘Hem heeft GOD van tevoren tot onze verzoening bestemd door het geloof in zijn Bloed, vanwege onze zonden die wij vanaf het begin begaan hebben’. Het Grieks: ‘Hem heeft God gesteld als zoenmiddel door het geloof in zijn Bloed, om zijn gerechtigheid te tonen vanwege het voorbij laten gaan van de zonden die tevoren hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God’. Er zij nogal wat verschillen. |
|
129. |
Rom 3:26 ‘in de tijdsruimte die GOD in zijn geduld aan ons gegeven heeft om zijn rechtvaardigheid in deze tijd te tonen, zodat Hij in rechtvaardigheid degene rechtvaardigt die in het geloof van onze Here Jezus Christus is.’ De vertaling van het Grieks luidt: ‘om zijn rechtvaardigheid te tonen in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is.’ |
|
130. |
Rom. 5:7 ‘Slechts bij hoge uitzondering zal iemand voor een boosdoener sterven, al is een mens misschien nog wel bereid om voor goeden te sterven.’ Het Grieks luidt: ‘Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven, maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven’. Een opvallend verschil. |
|
131. |
Rom. 5:10 ‘Want als GOD ons, toen wij vijanden waren, Zich met ons verzoend heeft door de offerdood van zijn Zoon, hoeveel te meer zullen wij door zijn verzoening leven door zijn Leven!’ De tekst vanuit het Grieks: ‘Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend werden door de dood van zijn Zoon, veel meer zullen wij, nu wij verzoend zijn, behouden worden door zijn leven.’ In de Peshitta ligt het initiatief voor deze verzoening heel duidelijk bij God. |
|
132 |
Rom. 5:15 ‘Maar zoals de val was, zo is niet de genadegave. Want als door de val van één velen gestorven zijn, hoeveel te meer zal dan de genade van GOD en zijn gave in die ene Mens, Jezus Christus, voor velen overvloed brengen.’ In het Griekse NT lezen wij: ‘Maar de genadegave is niet zoals de overtreding. Want als door de overtreding van de ene de velen gestorven zijn, veel meer is de genade van God en de gave in genade die door de ene mens Jezus Christus is, overvloedig geweest over de velen.’ |
|
133. |
Rom. 5:18 ‘Zoals dus door de overtreding van één de veroordeling tot alle mensen kwam, zo zal door de gerechtigheid van Eén de overwinning ten Leven tot alle mensen komen.’ Vanuit het Grieks is de vertaling: ‘zoals het dus door een overtreding tot alle mensen tot de veroordeling strekt, zo ook strekt het door een gerechtigheid tot alle mensen tot rechtvaardiging van het leven.’ |
|
134. |
Rom. 9:22, 23 ‘Want als GOD die zijn toorn en zijn kracht wilde tonen, (zijn) toorn slechts met grote terughoudendheid bracht over de voorwerpen van toorn die geheel en al bestemd waren voor vernietiging, en zijn liefde uitgoot over de voorwerpen van ontferming die door GOD gemaakt waren tot glorie ...’ Vanuit het Grieks luidt de tekst: ‘Als God, omdat Hij zijn toorn wilde tonen en zijn macht wilde bekendmaken, de voorwerpen van de toorn die voor het verderf bestemd waren met veel lankmoedigheid verdragen heeft, en om bekend te maken de rijkdom van zijn heerlijkheid over de voorwerpen van de barmhartigheid, die Hij tevoren tot heerlijkheid heeft bereid.’ De Griekse zin lijkt niet goed te lopen. |
|
135. |
Rom. 11:4 “Door een openbaring werd hem gezegd: Ik heb voor Mijzelf zevenduizend mannen overgelaten die hun knieën niet gebogen hebben en de Baäl niet aanbeden hebben.” Vanuit het Grieks luidt de vertaling: ‘Maar wat zegt de godsspraak tegen hem? ‘Ik heb voor Mijzelf zevenduizend mannen overgelaten die hun knie niet voor de Baäl gebogen hebben!’ |
|
136. |
Rom. 11:6 ‘Maar als het door genade is, is het niet uit werken, anders is de genade geen genade meer. En als het uit werken is, dan is het geen genade meer, anders is werk geen werk meer.’ De vertaling vanuit het Grieks is deze: ‘Maar als het door genade is, dan is het niet meer op grond van werken, anders is de genade geen genade meer.’ |
|
137. |
Rom. 12:6 ‘Waardeer jullie broeders zoals jullie jezelf waarderen. Koester geen hoogmoedige gedachten, maar sluit je aan bij de nederigen. Wees niet wijs in eigen ogen.’ De vertaling van het Grieks is als volgt: ‘Wees onderling eensgezind, zin niet op hoge dingen, maar voeg je bij de nederigen. Wees niet wijs in uw eigen ogen.’ |
|
138. |
Rom. 12:19 “Wreek jezelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: ‘Als je het oordeel niet zelf uitvoert, zal Ik je oordeel uitvoeren, zegt GOD!’ ” De vertaling vanuit het Grieks is als volgt: ‘Wreek jezelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: ‘Aan Mij komt de wraak toe, Ik zal vergelden, zegt de Heer’. |
|
139. |
Rom. 14:4 ‘Wie ben jij, dat je de dienaar van een ander oordeelt? Want als hij staat, gaat dat zijn eigen heer aan en als hij valt, gaat dat zijn eigen heer aan. Zijn Heer is bij machte hem te doen staan.’ De vertaling vanuit het Grieks is als volgt: ‘Wie ben jij, dat je de dienaar van een ander oordeelt? Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan. En hij zal staande gehouden worden, want de Heer is bij machte om hem staande te houden.’ |
|
140. |
Rom. 14:14 ‘Want ik weet en ben ervan overtuigd in de HEERE Jezus, dat niets voor Hem onrein is’. Vanuit het Grieks lezen wij: ‘Ik weet en ben overtuigd in de Here Jezus, dat niets uit zichzelf onrein’. |
|
141. |
1 Kor. 5:4 ‘Jullie moeten allen in de Naam van onze Here Jezus Christus samenkomen, en ook ik samen met jullie in de Geest, met de kracht van onze Here Jezus Christus,’ Vanuit het Grieks lezen wij: ‘in de naam van onze Heer Jezus Christus, als jullie en mijn geest bijeengekomen zijn met de kracht van onze Heer Jezus’. |
|
142. |
1 Kor. 6:12 ‘Alle dingen zijn mij toegestaan, maar niet alles is nuttig. Alles is mij toegestaan, maar geen mens zal macht over mij hebben.’ Vanuit het Grieks lezen wij: ‘Alles is mij toegestaan, maar niet alles is nuttig, alles is mij toegestaan, maar ik zal mij door niets laten overheersen.’ |
|
143. |
1 Kor. 6:20 ‘Want jullie zijn duur gekocht! Verheerlijk dan GOD in jullie lichaam en in jullie geest, die beide van GOD zijn.’ De vertaling van het Grieks is als volgt: ‘Want jullie zijn gekocht en betaald. Verheerlijk dan God met jullie lichaam’, of ‘Jullie zijn immers duur gekocht. Verheerlijk daarom God in jullie lichaam en in jullie geest, die van God zijn’ (‹TR en MHT›). De Peshitta stemt overeen met de TR, maar niet met de NA28. |
|
144. |
1 Kor. 7:7 ‘Want ik zou wel willen dat alle mensen in reinheid waren zoals ik’. In het Griekse NT ontbreekt de onderstreepte tekst. |
|
145. |
1 Kor. 7:21 ‘Als je als slaaf geroepen bent, trek het je niet aan. Maar als je vrij kunt komen, kies er dan zelf voor om te dienen.’ Het Grieks luidt: ‘Ben je als slaaf geroepen, trek het je niet aan, maar als je vrij kunt worden, maak er dan maar liever gebruik van’. |
|
146. |
1 Kor. 11:20 ‘Wanneer jullie samenkomen, eten en drinken jullie niet zoals dat passend is voor de dag van onze Heer’. Het Grieks luidt: ‘Wanneer jullie op een plaats samenkomen, is dat niet het eten van de maaltijd van de Here’. |
|
147. |
1 Kor. 11:27 ‘Wie dan van het brood van de HEERE eet en uit zijn beker drinkt, terwijl hij daar niet waardig voor is, is schuldig aan het Bloed van de HEERE en aan zijn Lichaam.’ Het Grieks luidt vertaald als volgt: ‘Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker van de Here, zal zich bezondigen aan het Lichaam en Bloed van de Here.’ |
|
148. |
1 Kor. 11:29 ‘Want wie eet en drinkt, terwijl hij daar niet waardig voor is, eet en drinkt tot veroordeling van zichzelf, omdat hij het Lichaam van de HEERE niet onderscheidt.’ Het Grieks luidt vertaald als volgt: ‘Want wie op onwaardige wijze eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, omdat hij het lichaam van de Heere niet onderscheidt.’ In de Peshitta lezen wij in vs. 27, 29 dus drie keer de Naam van de HEERE: het brood van de HEERE, het Bloed van de HEERE en het Lichaam van de HEERE. |
|
149. |
1 Kor. 12:7 ‘Maar aan ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven, opdat het tot hulp voor hem is.’ Het Grieks: ‘Maar aan een ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen.’ |
|
150. |
1 Kor. 13:7 ‘Zij houdt vol in alles, zij gelooft alles, zij hoopt alles, zij verdraagt alles.’ In het Grieks begint het vers met ‘Alles bedekt zij’. |
|
151. |
1 Kor. 14:10 ‘Want er zijn vele soorten talen in de wereld en geen ervan is zonder zijn eigen klank.’ De vertaling vanuit het Grieks is als volgt: ‘Er zijn wie weet hoeveel soorten geluiden in de wereld, en geen ervan is zonder eigen klank.’ |
|
152. |
1 Kor. 14:30 ‘En als aan een ander iets wordt geopenbaard, terwijl hij nog zit, laat de eerste dan zwijgen.’ De vertaling vanuit het Grieks is als volgt: ‘En als aan een ander die daar zit, iets geopenbaard wordt, laat de eerste zwijgen.’ |
|
153. |
2 Kor. 1:20 ‘Want alle beloften van GOD zijn ‘Ja!’ in Hem, in Christus. Daarom geven wij door Hem het ‘Amen!’ tot eer van GOD.’ De vertaling vanuit het Grieks is als volgt: ‘Want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem is het ja. Daarom is ook door Hem het ‘Amen’, tot heerlijkheid van God door ons.’ |
|
154. |
2 Kor. 3:14 ‘Zij zijn echter verblind in hun verstand, want tot op de dag van vandaag ligt die sluier nog steeds over hen, wanneer het Oude Verbond wordt voorgelezen, en is het nog steeds niet aan hen geopenbaard dat die sluier in Christus teniet wordt gedaan.’ Vanuit het Grieks is de tekst: ‘Maar hun gedachten zijn verhard geworden, want tot op heden blijft dezelfde bedekking bij het lezen van het Oude Verbond, zonder weggenomen te worden, want die wordt in Christus tenietgedaan.’ |
|
155. |
2 Kor. 4:4 ‘van wie de god van deze eeuw het verstand verblind heeft, zodat zij niet geloven en zodat het licht van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het evenbeeld van GOD is, niet over hen kan schijnen.’ De onderstreepte tekst ontbreekt in het Griekse NT. |
|
156. |
2 Kor. 10:9 ‘Maar ik vermijd het, zodat men niet zou denken dat ik jullie met mijn brieven angst wil aanjagen.’ Vanuit het Grieks is de tekst: ‘ik wil niet de schijn wekken dat ik jullie door de brieven vrees wil aanjagen’. |
|
157. |
2 Kor. 11:1 ‘Ik zou graag willen dat jullie mij enigszins verdragen, ook al spreek ik als een dwaas, verdraag mij toch maar!’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Och, verdroegen jullie maar eens een beetje onverstand van mij! Verdragen jullie mij toch.’ |
|
158. |
2 Kor. 11:25 ‘drie keer werd ik met stokken geslagen, één keer ben ik gestenigd, drie keer heb ik schipbreuk geleden, een nacht en een dag heb ik zonder boot in volle zee doorgebracht.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘driemaal ben ik met stokken geslagen, één keer ben ik gestenigd, drie keer heb ik schipbreuk geleden, een nacht en dag heb ik in volle zee doorgebracht.’ |
|
159. |
2 Kor. 11:13 ‘en men liet mij door een venster in een mand vanaf de muur zakken en ik ontkwam aan zijn handen’. Op basis van het Grieks is de tekst als volgt: ‘en door een venster werd ik in een mand door de muur neergelaten en ontkwam aan zijn handen.’ |
|
160. |
Ef. 1:10 ‘namelijk dat Hij voor het bestuur van de volheid van de tijden alles wat in de hemelen en op de aarde is, vanaf het hoofd nieuw zou maken in Christus.’ Uitgaand van het Grieks is de tekst als volgt: ‘om, ter voorbereiding van de volheid van de tijden, alles wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te brengen’. |
|
161. |
Ef. 2:19 ‘Daarom zijn jullie geen vreemdelingen en geen bijwoners, maar inwoners van de stad van de heiligen en kinderen van het huis van GOD.’ Uitgaand van het Grieks is de tekst als volgt: ‘Darom zijn jullie geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God’. |
|
162. |
Ef. 6:19 ‘Ook jullie, heren, behandel jullie dienaren zo. Vergeef hun hun overtredingen, want jullie weten dat ook jullie eigen Heer in de hemelen is en dat er bij Hem geen aanzien van de persoon is.’ In het Griekse NT lezen in plaats van de onderstreepte tekst: ‘Laat het dreigen na’. |
|
163. |
Fil. 2:13 ‘want GOD bewerkt in jullie zowel het verlangen als het doen van dat waar jullie naar verlangen.’ Uitgaand van het Grieks is de tekst als volgt: ‘want God is het die zowel het willen als het werken in jullie werkt, om zijn welbehagen.’ |
|
164. |
Fil. 2:16 ‘zodat jullie ten behoeve van hen op de plaats van het Leven zullen zijn, mij ten roem op de dag van Christus, zodat ik niet tevergeefs gelopen of voor niets gearbeid heb.’ Uitgaand van het Grieks is de tekst als volgt: ‘terwijl jullie het woord van het leven vasthouden, mij tot roem tegen de dag van Christus, zodat ik niet tevergeefs gelopen of tevergeefs gearbeid heb.’ |
|
165. |
Kol. 3:11 ‘Daarbij is geen sprake van Jood of Arameeër, besnedene of onbesnedene, van Grieken of barbaren, van slaaf of vrije, maar Christus is alles en in allen.’ De vertaling van het Grieks luidt: ‘Daarin is geen Griek en Jood, besnijdenis en onbesnedenheid, barbaar, Skyth, slaaf of vrije, maar Christus is alles en in allen.’ Nergens in de Bijbel vinden wij het Woord ‘Skyth’ en bovendien is de tegenstelling zoek die wij wel in alle andere paren vinden. In de Peshitta is sprake van ‘Grieken’ tegenover ‘barbaren’ en dat is een begrijpelijke tegenstelling, net als al de andere in dit vers. |
|
166. |
1 Th. 2:9, 10 ‘Herinner je toch, jullie, onze broeders, hoe wij ons inspanden en ’s nachts en overdag met onze handen werkten om niemand van jullie tot last te zijn. Jullie en GOD zijn getuigen hoe wij het Goede Nieuws van GOD zuiver en oprecht aan jullie verkondigd hebben en onberispelijk waren tegenover alle gelovigen.’ De vertaling van het Grieks luidt: ‘Want jullie herinneren je, broeders, onze moeite en inspanning. Terwijl wij nacht en dag werkten, om niemand tot last te zijn, hebben wij jullie het Evangelie van God gepredikt. Jullie zijn getuigen, en ook God, hoe heilig, rechtvaardig en onberispelijk wij ons onder jullie die geloven, gedragen hebben.’ |
|
167. |
1 Th. 2:11 ‘Zo weten jullie ook dat wij als een vader zijn eigen kinderen, ieder van jullie afzonderlijk indringend toegesproken hebben en jullie op het hart gedrukt en opgedragen hebben om voor GOD te leven zoals het behoort, voor Hem die jullie geroepen heeft tot zijn Koninkrijk en tot zijn heerlijkheid. ’. De vertaling van het Grieks luidt: ‘Jullie weten immers hoe wij, als een vader zijn eigen kinderen, ieder van jullie vermaanden en vertroostten en betuigden dat jullie God waardig behoren te wandelen, God die jullie roept tot zijn eigen koninkrijk en heerlijkheid.’ |
|
168. |
1 Th. 2:16 ‘Want zij verhinderen ons om tot de volken te spreken, opdat die (het) Leven zouden mogen ontvangen. Zo maken zij voortdurend (de maat van) hun zonden vol, maar de toorn is over hen gekomen tot aan het einde toe.’ Vanuit het Grieks is de tekst als volgt: ‘ terwijl zij ons verhinderen tot de volken te spreken opdat zij behouden worden, zodat zij altijd de maat van hun zonden vol maken. Maar de toorn is over hen gekomen tot het einde toe.’ In de Peshitta komen wij geregeld ‘het Leven ontvangen’ tegen, waar wij in het Griekse NT de uitdrukking ‘behouden worden’ vinden. |
|
169. |
2 Th. 1:10 ‘wanneer Hij komt om verheerlijkt te worden in zijn heiligen en om zijn wonderen te tonen in degenen die in Hem geloven, want jullie hebben ons getuigenis aan jullie op die dag geloofd.’ De vertaling van het Grieks luidt: ‘wanneer Hij komt om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die hebben geloofd, want ons getuigenis aan jullie is geloofd geworden.’ |
|
170. |
2 Th. 1:11 ‘Daarom bidden wij altijd voor jullie dat onze GOD jullie zo zal maken dat jullie beantwoorden aan jullie roeping en dat Hij jullie krachtig zal vervullen met alle bereidheid tot het goede en tot de werken van geloof’. De vertaling van het Grieks luidt: ‘Daarom bidden wij ook altijd voor jullie dat onze God jullie de roeping waardig zal achten en alle welbehagen van zijn goedheid en het werk van het geloof met kracht zal uitwerken (‹letterlijk: vervullen›). Welke tekst is nu duidelijker? |
|
171. |
2 Th. 2:2 ‘dat jullie in jullie gedachten niet vlug in de war raken of ongerust worden door een woord, of door een geest of door een brief die van ons (afkomstig) zou zijn met als boodschap: ‘Zie, de dag van onze Heer is gekomen!’ ” De vertaling van het Grieks luidt: ‘dat jullie niet spoedig jullie bezinning verliezen of verschrikt worden, niet door geest, niet door een woord, niet door een brief die van ons (afkomstig) zou zijn, alsof de dag van de Heer al aangebroken zou zijn.’ Andere Griekse bronnen spreken van ‘de dag van Christus’. |
|
172. |
2 Th. 2:3 ‘Laat niemand jullie op één of andere manier misleiden, want die dag zal niet komen voordat de opstandigheid komt en de mens van de zonde, de zoon van het verderf, geopenbaard wordt.’ De vertaling van het Grieks luidt: ‘Laat niemand jullie misleiden, op welke wijze dan ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon van het verderf’. |
|
173. |
1 Tim. 2:15 ‘Maar zij leeft door haar kinderen, die zij baart, als zij blijven voortgaan in geloof, in liefde, in heiliging en in ingetogenheid.’ De vertaling van het Grieks luidt: ‘maar zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende, als zij blijven voortgaan in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid.’ |
|
174. |
2 Tim. 3:17 ‘en altijd willen leren, terwijl die mannen nooit tot kennis van de waarheid kunnen komen.’ De vertaling van het Grieks luidt: ‘vrouwen die altijd leren en nooit tot kennis van de waarheid kunnen komen.’ In het Aramees komen die mannen die de vrouwen benaderen, nooit tot erkentenis van de waarheid (‹het werkwoord is 3e pers. mnl. mv.›). In het Grieks kunnen de vrouwen nooit tot kennis van de waarheid komen’. |
|
175. |
2 Tim. 3:16 ‘Elk Schriftwoord dat door de Geest is opgeschreven, is nuttig om te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid’. De vertaling van het Grieks luidt: ‘Heel de Schrift is door God ingegeven en nuttig om te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid’. |
|
176. |
2 Tim. 4:13 ‘Wanneer je komt, breng dan de koker voor de boekrollen mee die ik in Troas bij Karpus heb achtergelaten, met de boekrollen erbij, in het bijzonder de perkamentrollen.’ De vertaling van het Grieks luidt: ‘Als je komt, breng dan de mantel mee die ik in Troas bij Karpus achtergelaten heb, en de boeken, vooral de perkamenten.’ |
|
177. |
Heb. 5:6 “Zoals Hij ook op een andere plaats zegt: ‘Jij bent Priester tot in eeuwigheid naar het evenbeeld van Melchizedek.’ ” De vertaling van het Grieks luidt: ‘Zoals Hij ook op een andere plaats zegt: Jij bent priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizedek’.” |
|
178. |
Heb. 6:1 ‘Laten wij daarom het begin van het Woord van de Messias achter ons laten, en verder gaan naar het volmaakte. Waarom zouden jullie weer een ander fundament leggen voor bekering van dode werken en voor geloof in GOD’. Vanuit het Grieks lezen wij als volgt: ‘Laten wij daarom het woord van het begin van Christus laten rusten en voortgaan naar het volkomene, zonder opnieuw een fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God’. |
|
179. |
Heb. 6:20 ‘waar Jezus eerst voor ons is binnengegaan en voor eeuwig Priester geworden is naar het evenbeeld van Melchizedek.’ Vanuit het Grieks krijgen wij de volgende tekst: ‘waar Jezus als voorloper voor ons is ingegaan, naar de orde van Melchizedek hogepriester geworden tot in eeuwigheid. |
|
180. |
Heb. 9:12 ‘Hij ging er niet binnen met het bloed van eenjarige geitenbokken en jonge stieren, maar met zijn eigen Bloed is Hij één keer het Heiligdom binnengegaan en zo heeft Hij een eeuwige verlossing tot stand gebracht.’ De vertaling van het Grieks luidt: ‘Hij is niet door het bloed van bokken en kalveren, maar door zijn eigen Bloed voor eens en altijd binnengegaan in het Heiligdom en heeft daardoor een eeuwige verlossing tot stand gebracht.’ |
|
181. |
Heb. 9:19 ‘Want nadat elk gebod dat in de Wet stond, door Mozes aan het volk was opgelegd, nam hij het bloed van de vaars en water met scharlakenrode wol en hysop, sprenkelde dat over de boekrollen en over heel het volk’. De vertaling van het Grieks luidt: ‘Want toen door Mozes naar de Wet elk gebod tot heel het volk gesproken was, nam hij het bloed van de kalveren en de bokken met water en scharlaken wol en hysop en besprenkelde zowel het boek zelf als het hele volk’. |
|
182. |
Heb. 11:11 ‘Door het geloof heeft ook Sara, die onvruchtbaar was, kracht gekregen om zwanger te worden en, hoewel zij niet meer op de leeftijd was om te baren, baarde zij toch, omdat zij er zeker van was dat Hij die het haar beloofd had, trouw was’. De vertaling van het Grieks luidt: ‘Door het geloof heeft ook Sara zelf kracht ontvangen om zwanger te worden, ondanks haar hoge leeftijd, omdat zij Hem die het beloofd had, betrouwbaar achtte’. |
|
183. |
Heb. 12:3 ‘Zie dan hoeveel Hij van zondaars verdragen heeft, van hen die tegenstanders waren van hun eigen ziel, opdat jullie niet verslappen en jullie zielen niet mat worden.’ Vanuit het Grieks is de tekst als volgt: ‘Vestigt jullie aandacht dan op Hem, die zo’n tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat jullie niet door matheid van ziel verslappen’. |
|
184. |
Heb. 13:12 ‘Daarom heeft Jezus ook buiten de stad geleden om zijn volk door zijn Bloed te heiligen’. De vertaling vanuit het Grieks luidt: ‘Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door zijn eigen Bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden. |
|
185. |
Jk. 2:8 “Maar als jullie de Wet van GOD op dit punt vervullen, zoals geschreven staat: “Je zult je naaste liefhebben als jezelf!”, dan doen jullie goed’. De vertaling van het Grieks luidt: ‘Als jullie de koninklijke Wet vervullen, naar de Schrift: ‘Je zult je naaste liefhebben als jezelf!’, dan doen jullie goed.’ |
|
186. |
Jk. 3:6 ‘De tong is een vuur en de wereld van de zonde is als een bos. En deze tong, die tot onze lichaamsdelen behoort, bezoedelt heel het lichaam en zet de opeenvolgende generaties, die als wielen voortrollen, in brand. En ook de tong zelf is door het vuur in brand gestoken.’ Vanuit het Grieks vertaald, luidt de tekst als volgt: ‘Ook de tong is een vuur, de wereld van de ongerechtigheid. De tong is onder onze leden gesteld als dat wat het hele lichaam bevlekt en als dat wat de loop van de natuur in vlam zet en door de hel in vlam gezet wordt.’ |
|
187. |
Jk. 3:12 ‘Mijn broeders, kan een vijgenboom olijven voortbrengen of een wijnstok vijgen? Zo kan zout water ook niet zoet gemaakt worden.’ Vanuit het Grieks is de tekst als volgt: ‘Kan een vijgenboom soms olijven voortbrengen, mijn broeders, of een wijnstok vijgen? Zo kan een zoute bron ook geen zoet water geven.’ |
|
188. |
Hd. 4:5 “Of denken jullie soms dat de Schrift voor niets zegt: ‘De Geest, die in ons woont, begeert met jaloersheid!’?” De vertaling van het Grieks luidt: “Of denken jullie dat de Schrift voor niets zegt: ‘De Geest, die in ons woont, begeert Hij met jaloersheid?’ ” |
|
189. |
1 Pt. 2:7 ‘Aan jullie die geloven is deze eer geschonken, maar voor wie ongelovig zijn, is Hij een steen waarover men struikelt en een steen des aanstoots.’ De vertaling van het Grieks luidt: “Voor jullie die geloven, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen: ‘De steen die de bouwlieden hebben verworpen, is tot een hoeksteen geworden’, en tot ‘een steen des aanstoots en een rots om door te struikelen ergernis’ ”. |
|
190. |
1 Pt. 2:14 ‘en aan rechters, omdat zij door Hem gezonden zijn tot bestraffing van boosdoeners en tot lof van wie goed doen.’ De vertaling van het Grieks luidt: ‘hetzij aan stadhouders als door Hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van hen die goeddoen.’ |
|
191. |
1 Pt. 3:18, 19 ‘Want ook Christus is éénmaal om de zonden gestorven, (de) Rechtvaardige voor zondaars, zodat Hij jullie tot GOD kan brengen, (Hij) die stierf in het lichaam, maar leeft in de Geest, en (ook zo) heeft Hij gepredikt aan de zielen die in het dodenrijk werden vastgehouden’. De vertaling van het Grieks luidt: ‘Want ook Christus heeft eenmaal voor de zonden geleden, de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen, Hij die wel gedood is in het vlees, maar levend gemaakt is in de Geest, in welke Hij ook is heengegaan en gepredikt heeft tot de geesten in gevangenschap’. |
|
192. |
1 Pt. 3:20 ‘die zich in het verleden, in de dagen van Noach, niet lieten overtuigen, toen GOD in zijn grote geduld gebood dat er een ark moest komen, in de hoop op hun berouw. Slechts acht zielen gingen de ark binnen en werden in het water in leven gehouden.’ Vanuit het Grieks vertaald, luidt de tekst: ‘die vroeger ongehoorzaam waren, toen het grote geduld van God bleef wachten in de dagen van Noach, terwijl de ark gereedgemaakt werd, waarin weinigen, dat is acht zielen, gered werden door water.’ De hele opzet van beide verzen is verschillend. |
|
193. |
1 Pt. 4:1 ‘Als Christus dan voor jullie in het vlees geleden heeft, wapen jezelf dan ook met deze gedachte dat ieder die in zijn lichaam gestorven is, opgehouden is met al het zondigen.’ De vertaling van het Grieks luidt: ‘Daar Christus dan in het vlees geleden heeft, moeten jullie je ook met dezelfde gedachte wapenen, dat wie in het vlees geleden heeft, heeft opgehouden met de zonde’. |
|
194. |
1 Pt. 4:14 ‘Als jullie gesmaad worden om de Naam van Christus, zijn jullie gelukkig, omdat de heerlijkheid van de Geest van GOD op jullie rust.’ Vanuit het Grieks vertaald luidt de tekst: ‘Als jullie in de Naam van Christus smaad lijden, zijn jullie gelukkig, omdat de Geest van heerlijkheid en kracht van God op jullie rust’. |
|
195. |
1 Pt. 4:16 ‘Maar als iemand als christen lijdt, hoeft hij zich niet te schamen, maar mag hij GOD prijzen om deze naam.’ De vertaling van het Grieks luidt: ‘Als hij echter als christen lijdt, hoeft hij zich niet te schamen, maar laat hij God verheerlijken in deze naam.’ |
|
196. |
1 Pt. 5:3 ‘niet als heersers over de kudde, maar door een goed voorbeeld voor hen te zijn.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘ook niet als heersers over de erfgoederen, maar als voorbeelden voor de kudde’. |
|
197. |
1 Pt. 5:13 ‘De uitverkoren gemeente in Babel groet jullie met de vredegroet, en ook Markus, mijn zoon.’ De vertaling van het Grieks luidt: ‘De medeuitverkorene in Babylon groet jullie, en mijn zoon Markus.’ |
|
198. |
2 Pt. 1:19 ‘Wij hebben ook het ware profetische woord, en jullie doen er goed aan om daarop te letten als op een lamp die schijnt in een volslagen duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de zon opgaat in jullie harten.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En zo hebben wij het profetische woord des te vaster, en jullie doen er goed aan daarop te letten als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in jullie harten.’ |
|
199. |
2 Pt. 1:20 ‘Jullie moeten vooral weten, dat geen enkele profetie losgemaakt kan worden van het geschrift ervan.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Dit moeten jullie vooral weten, dat geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat’. |
|
200. |
2 Pt. 2:5 ‘en ook de vroegere wereld niet gespaard heeft, maar wel Noach, de achtste, de prediker van de gerechtigheid, bewaard heeft, toen Hij de zondvloed over de wereld van de boosdoeners bracht’. De vertaling van het Grieks luidt: ‘en als Hij de oude wereld niet gespaard, maar Noach, de prediker van de gerechtigheid, een van de acht, behoed heeft toen Hij de zondvloed over de wereld van de boosdoeners bracht’. |
|
201. |
1 Jh. 3:19 ‘Hierdoor zullen wij weten dat wij uit de waarheid zijn en onze harten overtuigen vóórdat Hij komt.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En hieraan zullen wij weten dat wij uit de waarheid zijn en ons hart overtuigen tegenover Hem’. |
|
202. |
1 Jh. 4:8 ‘Want GOD is liefde en wie niet liefheeft, kent GOD niet’. Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde.’ Opvallend is de omkering in volgorde. |
|
203. |
1 Jh. 5:6, 7, 8 ‘Deze is het die gekomen is door water en Bloed, Jezus Christus, niet alleen door water, maar door water en Bloed. De Geest getuigt, omdat de Geest de waarheid is. Drie zijn er die getuigen: de Geest, het water en het Bloed, en deze drie zijn in één.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst van de NA28 als volgt (‹alleen staat het geheel in 1 Jh. 5:6 en niet in vs. 7›) ‘Deze is het die gekomen is door water en Bloed, Jezus Christus, niet door het water alleen, maar door het water en door het Bloed. En de Geest is het die getuigt, omdat de Geest de waarheid is. Want drie zijn er die getuigen: de Geest, het water en het Bloed, en deze drie zijn éénstemmig’. In het Grieks van de TR en MHT staat er voor de laatste zinsnede het volgende: ‘Want drie zijn er, die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord, en de Heilige Geest, en deze drie zijn één. En drie zijn er, die getuigen op de aarde: de Geest en het water en het bloed, en de drie zijn tot één.’ |
|
204. |
1 Jh. 5:12 ‘Wie (zich) aan de Zoon vasthoudt, houdt (zich) vast aan het Leven, wie (zich) niet aan de Zoon van GOD vasthoudt, heeft het Leven niet. Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Wie de Zoon heeft, heeft het Leven, wie de Zoon van God niet heeft, heeft het Leven niet’. |
|
205. |
Juda 1:1 ‘Juda, dienaar van Jezus Christus en broer van Jakob. *Aan de volken die geroepen zijn, die door GOD, de Vader, geliefd zijn en door Jezus Christus bewaard worden’. Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Judas, een dienstknecht van Jezus Christus en een broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die in God, de Vader, geliefd en voor Jezus Christus bewaard zijn’. |
|
206. |
Juda 1:6 ‘En de engelen die hun hoogwaardigheid niet in ere hielden, maar hun eigen woning verlieten, heeft Hij tot het oordeel van de grote dag met onwaarneembare ketenen in volslagen duisternis bewaard’. Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En engelen die hun oorsprong niet bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de grote dag met eeuwige boeien onder duisternis bewaard. |
|
207. |
Juda 1:22, 23 ‘Ruk sommigen van hen uit het vuur. Als zij berouw hebben, wees dan barmhartig voor hen, maar met vrees, ja, haat zelfs het overkleed dat door het vlees bezoedeld is. ’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Ontferm je over wie twijfelen, redt anderen door hen uit het vuur te rukken, heb medelijden met anderen in vrees, en haat zelfs het kleed dat door het vlees bevlekt is’. De Griekse tekst is voor ons minder duidelijk. |
|
208. |
Op. 1:8 ‘Ik ben de Alef en de Tav, (het Begin en het Einde), zegt de HEERE GOD, die is, en die was, en die komt, de Almachtige.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Ik ben de Alfa en de Omega, zegt de Heer, God, Hij die is en die was en die komt, de Almachtige.’ |
|
209. |
Op. 1:16 ‘Hij had zeven sterren in zijn rechterhand en uit zijn mond kwam een scherpe lans en zijn gezicht was zoals de zon schijnt in haar kracht.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En Hij had in zijn rechterhand zeven sterren en uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard, en zijn gezicht was zoals de zon schijnt in haar kracht. |
|
210. |
Op. 2:9 ‘‘Ik ken je verdrukking en je armoede, ook al ben je rijk, en de laster van hen die van zichzelf zeggen dat zij de echte Joden zijn, terwijl zij het niet zijn, maar integendeel de synagoge van de satan zijn.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Ik weet je verdrukking en je armoede, ook al ben je rijk, en de laster van hen die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar een synagoge van de satan. |
|
211. |
Op. 2:13 ‘‘Ik weet waar je woont, daar waar de troon van de satan is, en jij houdt vast aan mijn Naam en hebt het geloof in Mij niet verloochend. En in de dagen waarin jij samen met mijn getrouwe getuige streed voor al mijn trouwe getuigen, werd hij onder jullie gedood.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Ik weet waar je woont, daar waar de troon van de satan is, en je houdt vast aan mijn Naam en het geloof in Mij heb je niet verloochend, zelfs niet in de dagen waarin Antipas mijn trouwe getuige was, die gedood werd bij jullie, waar de satan woont.’ |
|
212. |
Op. 2:20 ‘Maar Ik heb veel tegen je, omdat jij je vrouw Izebel haar gang laat gaan, die van zichzelf zegt dat zij een profetes is, en die mijn dienaren leert en verleidt om te hoereren en afgodenoffers te eten.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Maar Ik heb tegen u, dat je de vrouw Izebel, die zich een profetes noemt, laat begaan. En zij leert en misleidt mijn dienaren om te hoereren en afgodenoffers te eten’. |
|
213. |
Op. 2:22 ‘Zie, Ik zal haar op een ziekbed werpen en degenen die overspel met haar plegen, zal Ik in grote verdrukking brengen, tenzij zij berouw krijgen van hun daden.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Zie Ik werp haar op een bed en werp hen die met haar overspel bedrijven in grote verdrukking, als zij zich niet bekeren van haar werken.’ |
|
214 |
Op. 3:17 ‘Omdat je gezegd heb dat je rijk bent en ook gezegd hebt: Ik ben rijk geworden en heb aan niets gebrek, terwijl je niet beseft dat je ziek bent, ellendig, arm en naakt’. Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Omdat je zegt: Ik ben rijk en verrijkt en heb aan niets gebrek, en omdat je niet weet dat je de ellendige, jammerlijke, arme, blinde en naakte bent’. Het woord ‘blinde’ lijkt op zijn plaats, want in vs. 18 raad Jezus Christus deze gemeente aan om ogenzalf van Hem te kopen, zodat ze kan zien. Toch ontbreekt het woord in de Aramese tekst. |
|
215. |
Op. 4:3 ‘en Hij die daarop zat, zag eruit als de jaspis en als de sardiussteen, en de boog van de wolken rondom de troon zag eruit als smaragd’. Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘en die daarop zat, was van aanzien een jaspissteen en sardiussteen gelijk, en rondom de troon was een regenboog, van aanzien een smaragd gelijk.’ |
|
216. |
Op. 4:8 “Elk van de vier levende wezens stond rechtop en had vanaf zijn klauwen naar omhoog zes vleugels rondom, die vanbinnen vol ogen waren. Zij hadden dag en nacht geen rust terwijl zij zeiden: ‘Heilig, heilig, heilig is de HEERE GOD, de Almachtige, die was, die is en die komt.’ ” Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En de vier levende wezens hadden elk voor zich zes vleugels rondom, en van binnen waren zij vol ogen en zij hebben geen rust, dag en nacht, en zeggen: Heilig, heilig, heilig, Heer, God de Almachtige, die was en die is en die komt.’ |
|
217. |
Op. 5:3 ‘Niemand in de hemel of op de aarde of onder de aarde kon de Boek(rol) openen en zijn zegels losmaken en hem inzien.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde kon het boek openen of het inzien.’ |
|
218. |
Op. 5:4 ‘Ik huilde vreselijk, omdat niemand waardig werd bevonden om de Boekrol te openen en zijn zegels los te maken.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En ik weende zeer, omdat niemand waardig werd bevonden on het boek te openen of het in te zien.’ |
|
219. |
Op. 5:9 ‘Zij zongen een nieuw lied en zeiden: “U bent waardig de Boekrol te nemen en zijn zegels te openen, want U bent geslacht en U hebt ons voor GOD gekocht met uw Bloed, uit elke stam en volk en natie.” Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: “En zij zongen een nieuw lied en zeiden: ‘U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen, want U bent geslacht en U hebt ons voor God gekocht met uw Bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie.’ ” Het onderstreepte woordje ‘ons’ komt niet voor in de Griekse tekst van de NA28. |
|
220. |
Op. 6:2 ‘En ik hoorde en zag, en zie, een wit paard, en die erop zat, had een boog en hem werd een krans gegeven en hij trok uit, overwon, overwinnende en om te overwinnen.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En ik zag en zie, een wit paard, en die erop zat had een boog, en hem werd een kroon gegeven, en hij trok uit overwinnende en om te overwinnen.’ |
|
221. |
Op. 6:16 “en zij zeiden tegen de bergen en de rotsen: ‘Val op ons en verberg ons voor het aangezicht van het Lam’ ” Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘en zij zeiden tegen de bergen en tegen de rotsen: Val op ons en verberg ons voor het aangezicht van Hem die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam’. |
|
222. |
Op. 7:7 ‘uit de stam Simeon twaalfduizend, uit de stam Issaschar twaalfduizend, uit de stam Levi twaalfduizend’. Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘uit de stam Simeon twaalfduizend, uit de stam Levi twaalfduizend, uit de stam Issaschar twaalfduizend.’ Let op de omdraaiing van Levi en Issaschar. |
|
223. |
Op. 7:17 ‘want het Lam dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen leiden naar het Leven en naar waterbronnen, en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘want het Lam dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen leiden naar bronnen van levenswateren, en God zal elke traan van hun ogen afwissen.’ |
|
224. |
Op. 8:7 ‘De eerste blies en er kwam hagel en vuur vermengd met water, en dat werd op de aarde geworpen en een derde van de aarde verbrandde en een derde van de bomen verbrandde en al het gras van de aarde verbrandde.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En de eerste bazuinde, en er kwam hagel en vuur vermengd met bloed, en het werd op de aarde geworpen, en het derde deel van de aarde verbrandde, en het derde deel van de bomen verbrandde, en al het groene gras verbrandde.’ |
|
225. |
Op. 9:11 “Zij hadden een koning over zich, de engel van de afgrond. In het Hebreeuws is zijn naam ‘Abaddu’ en in het Aramees is zijn naam ‘Shara’.” Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Zij hadden over zich als koning de engel van de afgrond. In het Hebreeuws is zijn naam ‘Abaddon’ en in het Grieks heeft hij de naam Apollyon.’ |
|
226. |
Op. 9:17 ‘Zo zag ik de paarden in het visioen: degenen die erop zaten, hadden vuur(rode), grijsblauwe en zwavel(gele) borstpantsers. De koppen van de paarden waren net leeuwenkoppen en uit hun bekken kwam vuur, zwavel en rook.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En aldus zag ik in het gezicht de paarden en hen die erop zaten: zij hadden vuurrode, donkerrode en zwavelkleurige harnassen, en de koppen van de paarden waren als leeuwekoppen, en uit hun monden kwam vuur, rook en zwavel.’ |
|
227. |
Op. 9:19 ‘Want de macht van de paarden is in hun bek en ook in hun staarten.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Want de macht van de paarden is in hun mond en in hun staarten, want hun staarten zijn aan slangen gelijk en hebben koppen, en daarmee brengen zij schade toe.’ |
|
228. |
Op. 10:1 in het Aramees ‘boog van de hemel’ of ‘hemelboog’, maar in het Grieks ‘regenboog’. |
|
229. |
Op. 10:4 in het Aramees ‘een stem uit de zevende hemel’, Grieks ‘uit de hemel’ |
|
230. |
Op. 11:11 ‘Maar na drieënhalve dag kwam de levende Geest uit GOD in hen en zij gingen op hun voeten staan. De Geest van het Leven viel op hen, en grote vrees kwam over allen die hen zagen.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En na drieënhalve dag kwam de levensgeest uit God in hen en zij gingen op hun voeten staan, en grote vrees viel op allen, die hen aanschouwden.’ |
|
231. |
Op. 13:15 ‘Het werd hem gegeven om aan het beeld van het beest een geest te geven en om ervoor te zorgen dat allen die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En het werd hem gegeven aan het beeld van het beest geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden.’ |
|
232. |
Op. 14:13 ‘En ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: **“Schrijf: Gelukkig zijn zij die vanaf nu in onze Heer sterven!” “Ja, zegt de Geest, want zij zullen rusten van hun werken!” Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: Schrijf: Gelukkig zijn de doden die in de Heer sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten van hun arbeid, want hun werken volgen hen.’ De woorden ‘want hun werken volgen hen’ lijken een uitleg of verklaring te zijn van de woorden ervoor: ‘want hun werken volgen hen’. |
|
233. |
Op. 15:3 ‘Zij zongen het loflied van Mozes, de dienaar van GOD, en het loflied van het Lam, en zij zeiden: “Groot en wonderbaar zijn uw werken, HEERE GOD, Almachtige! Rechtvaardig en waarachtig zijn uw daden, o Koning van de eeuwen!’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt als wij uitgaan van de NA28: ‘En zij zongen het lied van Mozes, de dienaar van God, en het lied van het Lam, en zij zeiden: Groot en wonderbaar zijn uw werken, Heer, God de Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, Koning van de natiën!’ De laatste woorden ‘Koning van de natiën’ worden in de TR tot ‘Koning van de heiligen’. |
|
234. |
Op. 17:11 ‘De draak en het beest dat hij bracht en niet is, dat beest is de achtste koning, en het is uit de zeven en gaat zijn ondergang tegemoet.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En het beest dat was en niet is, is zelf ook de achtste, en het is uit de zeven en gaat ten onder.’ |
|
235. |
Op. 17:12 ‘De tien horens van het beest zijn tien koningen die het koningschap nog niet ontvangen hebben, maar één uur zullen zij met het beest koninklijke macht ontvangen.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En de tien horens die je hebt gezien, zijn tien koningen, die nog geen koninkrijk ontvangen hebben, maar een uur gezag als koningen ontvangen met het beest.’ |
|
236. |
Op. 18:2 ‘Hij riep met luide stem: “Gevallen, gevallen is het grote Babel. Het is een woonplaats geworden voor demonen en een bewaarplaats voor elke onreine en weerzinwekkende geest’.” Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En hij riep met luide stem de woorden: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, en het is een woonplaats van demonen en een bewaarplaats van elke onreine geest en een bewaarplaats van elke onreine en gehate vogel geworden.’ Het onderstreepte zinnetje in het Grieks ontbreekt geheel in de tekst van de Peshitta. |
|
237. |
Op. 18:3 ‘omdat zij de wijn van haar hoererij voor alle volken heeft gemengd, en de koningen van de aarde met haar hebben gehoereerd, en de handelaren van de aarde rijk zijn geworden door de macht van haar waanzinnige weelde.” Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Want van de wijn van de grimmigheid van haar hoererij hebben alle naties gedronken en de koningen van de aarde hebben met haar gehoereerd en de handelaren van de aarde zijn rijk geworden door de macht van haar weelde.’ |
|
238. |
Op. 18:22 ‘Het geluid van de harp en van de ramshoorn en van allerlei gezang en van hoornblazers zal niet meer in je gehoord worden’. Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En geluid van harpspelers, zangers, fluitspelers en bazuinblazers zal nooit meer in je gehoord worden, en geen enkele beoefenaar van enige kunst zal meer in je gevonden worden, en geluid van een molen zal nooit meer in je gehoord worden’. De lezing van de Peshitta is veel eenvoudiger. Opvallend is dat ‘de ramshoorn’ niet in de Griekse tekst wordt genoemd. |
|
239. |
Op. 19:15 ‘Uit hun mond kwam een scherp zwaard, waarmee zij de volken zullen doden, en Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hijzelf zal de wijnpers treden van de toorn van GOD, de Almachtige.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En uit zijn mond komt een scherp zwaard, opdat de natiën daarmee te slaan. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige. |
|
240. |
Op. 20:5 ‘Dit is de eerste opstanding.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘De overigen van de doden werden niet levend voordat de duizend jaren voleindigd waren. Dit is de eerste opstanding.’ De onderstreepte tekst ontbreekt geheel in de Peshitta. |
|
241. |
Op. 20:13 ‘en zij werden één voor één geoordeeld naar hun werken. ’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘en zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken.’ |
|
241. |
Op. 21:4 ‘Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen en er zal voortaan geen dood meer zijn, ja, geen verdriet, geen geklaag en geen pijn zal er meer zijn dankzij Hem.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En Hij zal elke traan van hun ogen afwissen en de dood zal niet meer zijn, geen rouw, geen geween, geen pijn zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan.’ |
|
242. |
Op. 21:14 ‘De muur van de stad had twaalf fundamenten met daarop de twaalf namen van de apostelen van de Zoon.’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En de muur van de stad had twaalf fundamenten en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam.’ |
|
243. |
Op. 22:5 ‘Er zal daar geen nacht zijn en zij zullen geen licht van een lamp of licht van de zon nodig hebben, want de HEERE GOD verlicht hen en Hij is hun Koning tot in alle eeuwigheid. ’ Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘En er zal geen nacht meer zijn en lamplicht en zonlicht hebben zij niet nodig, want de Heer, God, zal over hen lichten en zij zullen regeren tot in alle eeuwigheid.’ |
|
244. |
Op. 22:15 ‘Buiten zijn de hoereerders, de moordenaars, de afgodendienaren, de onreinen, de tovenaars en alle zieners en daders van de leugen.” Vanuit het Grieks vertaald, is de tekst als volgt: ‘Buiten zijn de honden, de tovenaars, de hoereerders, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder die de leugen liefheeft en doet.’ |
|
|
|
Welke andere overwegingen zijn er nog die invloed kunnen hebben op onze gedachtevorming aangaande de oorspronkelijke taal en de grondtekst van het Nieuwe Testament?
|
a. |
Jezus Christus sprak Aramees volgens de tekst van het Nieuwe Testament, waarbij wij allereerst denken aan de woorden aan het kruis die zelfs in het Griekse NT in het Aramees zijn opgeschreven (‹Mt. 27:46; Mk. 15:34›) en ook aan de woorden die Jezus spreekt tot het meisje in Mk. 5:41 die ook in het Griekse NT eerst in het Aramees worden vermeld. Flavius Josephus noemt Aramees ‘de taal van het land’ en hij is de grootste Joodse geschiedschrijver uit de tijd dat Jezus op aarde was. Frederic Kenyon, voormalig directeur en hoofd van de bibliotheek van het Brits Museum schrijft in zijn boek: ‘The Text of the Greek Bible’: ‘Palestinian Aramaic was no doubt the language habitually spoken by our Lord and this gives a special interest to the Syriac gospels, as coming nearest to the form in which His teaching was originally delivered’. Tegelijkertijd leren wij uit Lk. 4:16-21 dat Jezus Christus ook vloeiend Hebreeuws las, waardoor Hij als Joodse rabbi in staat was uit de boekrol in Kapernaüm voor te lezen. |
|
b. |
Het merendeel van de Joden was na 70 jaar ballingschap niet naar het land Israël teruggekeerd. Degenen die terugkeerden vormden slechts een kleine groep waarover wij lezen in de boeken Ezra en Nehemia. De grote meerderheid was verspreid over Mesopotamië en van daaruit ongetwijfeld ook in westwaartse richting: naar Griekenland door het huidige Turkije heen richting Europa, en ook oostwaarts, richting Perzië, Jemen, India en China. Dat leidde ertoe dat Paulus, die uiteindelijk in westelijke richting het Evangelie predikte, met Joodse gemeenschappen in aanraking kwam die vanuit Mesopotamië westwaarts getrokken waren, vaak via Antiochië dat zo mooi op het kruispunt lag tussen oost en west en dat niet ver aflag van Edessa, het centrum van de Aramese taal en cultuur. Bij deze verspreiding namen de Joden het Aramees als hun voertaal mee. Paulus kwam uit Tarsus en het is heel goed mogelijk dat hij vloeiend Aramees sprak, naast Hebreeuws en Grieks. En wat zou hij in Arabië gesproken hebben (‹Gal. 1:17›), toen hij daar het Evangelie begon bekend te maken? Geen Arabisch want dat was toen nog niet zo wijd verspreid, maar zeer waarschijnlijk was het Aramees. |
|
c. |
De islamitische veroveringen en heerschappijen hebben het Aramees geen goed gedaan. Vanaf de 7e eeuw was de islam gevestigd in heel het gebied van Irak, Syrië, Palestina, Egypte en Turkije. Overal waar de islam kwam, werd het Arabisch tot staatstaal verheven en kwamen de oorspronkelijke talen in verval. Dit was heel anders dan onder de heerschappij van Alexander de Grote, want toen mocht men in dit gebied Aramees blijven spreken, want het Grieks werd niet opgelegd. Tegenwoordig is door de invloed van de islam het Aramees sprekende volksdeel bijna geheel verdreven uit het Midden-Oosten, ook al zijn er nog steeds enkele (‹ernstig bedreigde›) Aramees sprekende gemeenschappen zijn. |
XIII. DE PESHITTA is BEHOUDEND,
maar OOK ORIGINEEL
Sleutel bij de tekst van het Nieuwe Testament
Een lijst met weglatingen en veranderingen
door G.W. en D.E. Anderson.
De Trinitary Bible Society heeft een lijst opgesteld van weglatingen en veranderingen in de Griekse brontekst van de zogenaamde Nestle-Aland 28 editie van het NT (‹NA28›), weglatingen en veranderingen die vaak worden nagevolgd door moderne Bijbelvertalingen, omdat Bijbelvertalers vaak de Griekse NA28 als uitgangspunt nemen voor hun vertaling naar een andere taal. De lijst, die is samengesteld door G.W. en D.E. Anderson, neemt de zogenaamde ‘traditionele tekst’, als uitgangspunt, waarmee zij bedoelen de ‘Meerderheidstekst (MHT)’ of de zogenaamde ‘Textus Receptus’ (TR), d.w.z. de aanvaarde tekst’ of ‘ontvangen tekst’.
|
BOEK |
AANTAL VERZEN met weglatingen en veranderingen van de Textus Receptus en de Meerderheidstekst |
AANTAL VERZEN in de Aramese Peshitta waar de Peshitta wel trouw is aan de MHT en TR, maar de NA28 niet |
Aramees scoort gunstig t.o.v. NA28 percentage |
|
Mt. |
104 |
80 |
77% |
|
Mk. |
70 |
50 |
71% |
|
Lk. |
97 |
83 |
86% |
|
Jh. |
60 |
44 |
73% |
|
Hd. |
59 |
29 |
49% |
|
Rom. |
28 |
23 |
82% |
|
1Kor. |
29 |
23 |
79% |
|
2Kor. |
14 |
8 |
57% |
|
Gal. |
10 |
6 |
60% |
|
Ef. |
11 |
6 |
55% |
|
Fil |
5 |
4 |
80% |
|
Kol. |
13 |
7 |
54% |
|
1Th. |
7 |
5 |
71% |
|
2Th. |
4 |
3 |
75% |
|
1Tm. |
10 |
2 |
20% |
|
2Tm. |
6 |
4 |
67% |
|
Titus |
3 |
1 |
33% |
|
Flmn. |
2 |
1 |
50% |
|
Heb. |
16 |
10 |
63% |
|
Jak. |
10 |
6 |
60% |
|
1Pt. |
10 |
6 |
60% |
|
2Pt. |
4 |
1 |
25% |
|
1Jh. |
11 |
4 |
36% |
|
2Jh. |
2 |
2 |
100% |
|
3Jh. |
1 |
1 |
100% |
|
Jds. |
5 |
2 |
40% |
|
Op. |
55 |
12 |
22% |
|
Totaal |
646 |
423 |
65% |
|
|
|
|
|
SLOTWOORD: ARAMEES of GRIEKS?
John Gwynn was een zeer groot geleerde op het terrein van de Aramese Peshitta , die eind 19e eeuw, begin 20e eeuw met zijn verstand nog vasthield aan de opvatting dat het Grieks de oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament was. Toch schrijft hij - als hij uit zijn hart spreekt naar aanleiding van zijn bestudering van het door hem ontdekte Crawford manuscript van het boek Openbaring - , als volgt: ‘As regards its general tone and manner, we may justly claim for it (‹for the Crawford manuscript of the book of Revelation›) that it approaches the excellence of the Peshitto; and in point of force, directness, and dignity, that it gives worthy expression to the sublime imagery of the Apocalyptist. It has strength and freedom such as few translations attain; such, in fact, that it would not be difficult to make out a plausible case for accepting it as the Aramaic original, or a close reproduction of an Aramaic original, of the Book. In it ... the Aramaic idiom asserts its power to supply for the burden of the divine visions an utterance more adequate than could be found for them in the Greek which is their actual vehicle.’
Het is duidelijk uit deze passage dat John Gwynn in zijn hart anders lijkt te oordelen dan met zijn ‘traditioneel ingestelde verstand’, want hij blijft formeel van mening dat Grieks de oorspronkelijke taal van het NT is. Maar het ‘traditioneel ingestelde verstand’ en de geleerde intuïtie moeten aan elkaar getoetst worden.
Wij willen en kunnen niet zeggen dat alle antwoorden over de totstandkoming van het Nieuwe Testament worden opgelost als wij maar zouden willen overwegen of de Peshitta mogelijk de grondtekst van het Nieuwe Testament. Maar een minder krampachtig vasthouden aan het vooroordeel dat Grieks de oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament zou zijn, zou vruchtbaarder zijn voor verder onderzoek. De redenen om zo’n onderzoek te doen zijn eenvoudigweg deze:
Ten eerste stellen de beide teksten samen ons beter in staat om een grondiger en duidelijker zicht te krijgen op de tekst van het Evangelie van Jezus Christus en om daardoor tot een zekere aanscherping van het christelijk geloof te komen.
Ten tweede is de exacte ontstaansgeschiedenis van het Nieuwe Testament te zeer verborgen om met zekerheid te kunnen zeggen hoe het precies is toegegaan en welk aandeel het Grieks en het Aramees daarin gehad hebben. Dit onderwerp is te gecompliceerd en te verborgen dat enige onderzoeker daarover op dit moment definitief uitsluitsel zou kunnen geven. Nederigheid en een onderzoekende geest kunnen wellicht verder helpen, zoals ook eventuele vondsten van nog verborgen manuscripten.
Zover enkele overwegingen om enigszins tot een vergelijk te komen tussen de verschillende opvattingen over de grondtaal van het Nieuwe Testament. Maar we sluiten af met een opsomming van de belangrijkstee argumenten voor de gedachte dat Aramees wel eens de grondtaal van het Nieuwe Testament zou kunnen zijn.
WAAROM IS ARAMEES HOOGSTWAARSCHIJNLIJK
DE GRONDTAAL VAN HET NIEUWE TESTAMENT?
1. Jezus sprak Aramees
2. Alleen in het Nieuwe Testament van de Peshitta vinden wij de aanduiding Arameeër(s), niet in het Griekse NT, en dat laatste is een historische onjuistheid, want Israël heeft naast banden met het Hebreeuws, allereerst banden met het Aramees en met de Arameeërs sinds de ballingschap. Aramees werd vanaf die tijd, naast het Hebreeuws voor de Schriftlezingen, in de synagogen gebruikt voor de uitleg, prediking en alle andere aspecten van samenkomst.
3. De tekst van het Nieuwe Testament van de Peshitta geeft in alle eenvoud meer detail, meer informatie en een duidelijker beeld van de gebeurtenissen in verband met het optreden van Jezus Christus en van zijn uitspraken.
4. De gedachte dat Aramees de grondtaal is van het NT wordt o.i. ondersteund door deze woorden uit Romeinen 3:1, 2 “Wat is dan het voorrecht van de Joden? Of wat is het nut van de besnijdenis? Het is groot in alle opzichten! Ten eerste omdat hun de woorden van GOD zijn toevertrouwd.” Zouden de woorden aan de Joden in de Griekse taal zijn toevertrouwd? Dat past o.i. niet bij het gebruik van het woord ‘toevertrouwd’. Christenen die toen in Israël, Syrië, Perzië en Asia woonden, hadden de Schriften allereerst in hun eigen taal, het Aramees, nodig als bron en tot steun en opbouw van hun geloof in Jezus Christus.
5. De op- en naschriften van de 27 NT-ische boeken stemmen meer overeen met de redactie van de boeken van het OT en geven het NT meer gelijkvormigheid met de boeken van het OT, terwijl dat alles mist in het Griekse NT.
6. De tekst van het Nieuwe Testament van de Peshitta is poëtischer in karakter dan het meer prozaïsche Griekse Nieuwe Testament. Dat is een teken van originaliteit,
7. De ‘onbewezen’ aanname dat de Peshitta er vanaf de tijd van de apostelen geweest is, wordt a.h.w. toch ‘bewezen’ door de eeuwenoude en vanzelfsprekend geachte overtuiging van de christenheid in het Middenoosten dat de Peshitta zoals die onder hen gebruikt wordt, er al geweest is vanaf de eerste eeuwen van haar bestaan.
8. Het bestaan van een ‘masora’ van het Nieuwe Testament van de Peshitta wijst er ontegenzeggelijk op dat de tekst thuishoort in de Joodse traditie van Schriftoverdracht.
9. Er is geen enkel bewijs voor de stelling dat het Nieuwe Testament van de Peshitta een Aramese vertaling zou zijn van het Griekse Nieuwe Testament. Het is onmogelijk, en het was tot in de 18e eeuw toe ook niet de opvatting van vele geleerden.
10. Mattai 25:1 met ‘de bruidegom en de bruid’, Openbaring 10:4 met ‘de stem uit de zevende hemel’ en Openbaring 20:12 met ‘het boek van het oordeel’ zijn uniek, en boven alles zet de Naam ‘Mar-Ja’ voor ‘JaHWeH’ een onuitwisbaar stempel op de tekst van het Nieuwe Testament van de Peshitta.
NOTEN
1. Het Oude Testament van de Peshitta is nooit beschouwd als de oorspronkelijke tekst van het Oude Testament, want de tekst ervan is waarschijnlijk in de 2e eeuw n. Chr. tot stand gekomen door een vertaling vanuit het Hebreeuws, een vertaling die mogelijk het werk was van Joodse christenen die deel uitmaakten van een Joodse gemeenschap in Edessa in de 2e eeuw n. Chr., aldus F. Crawford Burkitt in zijn boek ‘Early Eastern Christianity, 71 ff. 1904’.
Heel opvallend in de volgorde van de boeken van het Oude Testament in de Peshitta is dat het boek Job direct volgt op de 5 boeken van Mozes, wat overeenstemt met het vermoeden dat Job leefde in een tijd die niet al te ver aflag van de tijd waarin Jozef leefde (‹zie de Inleiding bij het boek Job›).
De veronderstelling dat het OT van de Peshitta zoals hiervoor beschreven rond de 2e v. Chr. in Edessa tot stand gekomen is, is de meest algemene onder de onderzoekers, maar Dave Bauscher meent dat het Oude Testament van de Peshitta mogelijk al bestond toen het Nieuwe Testament van de Peshitta op schrift werd gesteld. Hij baseert die gedachte o.a. op het feit dat enkele kopjes van de Psalmen in de zgn. Oosterse Codex Ambrosianus, ervan getuigen:
(‹1›) dat de samenstellers van die Codex christenen waren,
(‹2›) dat de oorspronkelijke teksten van deze Psalmen al in de 1e eeuw werden opgeschreven.
De Oosterse Codex Ambrosianus (‹Milan B. 21 Inf. 156 pagina’s waarvan 2 blanco, ook wel bekend onder de aanduiding siglum 7a1, in Estrangelo schrift, bevat heel het Oude Testament in 3 kolommen plus de apocriefe boeken, waaronder de enige bekende tekst van 2 Baruch, 4 Ezra, 3 en 4 Makkabeeën en een deel van de werken van Flavius Josephus over de Makkabeeën›) is het oudste bekende manuscript van het Oude Testament van de Peshitta dat men dateert in 6e/7e eeuw voor Christus. Het manuscript kreeg in 1866 meer bekendheid door de Ambrosiaanse prefect, kerkelijke bestuurder, Antonio Maria Ceriani, die tussen 1876 en 1883 er een indrukwekkende lichtsteendruk ofwel fotolithografie van publiceerde. Dit manuscript vormt de basis van de de internationaal gerespecteerde kritische editie van het Oude Testament van de Peshitta (‹Leiden siglum 7a1›). De hele tekst van dit Oude Testament van de Peshitta is in elctronische vorm online beschikbaar.
Onderzoek van Dave Bauscher toont aan dat er tussen het Oude en Nieuwe Testament van de Peshitta een hoge mate van taalkundige overeenkomst bestaat in spelling en syntax, woordvormen, grammatica en woordenschat. Bovendien wordt de Naam ‘HEERE’, ‘JaHWeH’, in zijn Aramese variant ‘Mar-Ja’ in beide delen van de hele Peshitta gebruikt. Bauscher concludeert dat Oude en Nieuwe Testament in dezelfde periode, naar hij aanneemt in de 1e eeuw, tot stand gekomen zijn.
Dave Bauscher wijst er ook op dat de van de Masoretische tekst uit de 9e eeuw n. Chr. afwijkende lezingen in de beroemde Jesajarol van Qumran uit omstreeks 120 v. Chr., in veel gevallen niet afwijken van de tekst van de tekst van Jesaja uit het Oude Testament van de de Peshitta.
Zelfs van de 24 plaatsen in de Masoretische tekst waar de Naam ‘JaHWeH’ door de ‘soferim’, de ‘kopiisten’, veranderd was in ‘Adonai’, bleek dit in de tekst van de Jesajarol van Qumran in 11 van de 24 gevallen niet gebeurd te zijn. Van de 13 verzen in de vijf Boeken van Mozes waar de Naam ‘JaHWeH’ door de ‘soferim’ veranderd werd naar ‘Adonai’, bleek dat die wijziging in het Oude Testament van de Peshitta in 7 van de 13 verzen in dezelfde vijf boeken van het Oude Testament van de Peshitta niet doorgevoerd was.
Bauscher veronderstelt dat het veranderen van de Naam ‘JaHWeH’ naar ‘Adonai’ op 134 plaatsen in het Oude Testament van de zgn. Masoretische tekst waar de ‘soferim’ ofwel de ‘kopiisten’ niet op één dag gebeurde, maar geleidelijk aan plaatsvond. In Jesajarol van Qumran in rond 120 v. Chr. was dat proces numeriek gezien ongeveer halverwege, en dat gold ook voor de Hebreeuwse manuscripten die dienden voor de vertaling van het Hebreeuws naar het Aramees ten behoeve van het Oude Testament van de Peshitta. Op de vraag wanneer dat vertaalproces plaatsvond, zullen we hierna nog ingaan.
In ieder geval lijkt het juist om met Bauscher aan te nemen dat als dat vertaalproces ten behoeve van het Oude Testament van de Peshitta in de 1e eeuw plaatsvond en ook het Nieuwe Testament van de Peshitta in die eeuw totstandkwam, dat dat dan in Hebreeuwse letters gebeurd moet zijn, net als dat schrift in de boeken Daniël en Ezra van het Oude Testament gebruikt werd, voor de Aramese gedeeltes.
Dave Bauscher verdedigt de stelling dat de totstandkoming van het Oude Testament van de Peshitta voorafging aan de totstandkoming van het Nieuwe Testament van de Peshitta en dat beide Testamenten zeer waarschijnlijk in de loop van 1e eeuw gereed waren. Bauscher wijst erop dat de vele citaten uit het boek van de Psalmen in de brief aan de Hebreeën in het Nieuwe Testament volledig ontleend lijken te zijn aan de tekst van de psalmen in het Oude Testament van de Peshitta, niet aan de Septuaginta en niet aan de Masoretische tekst. Dat is opmerkelijk want dat zou betekenen dat de Psalmen van het Oude Testament van de Peshitta en naar wij mogen aannemen, ook heel het Oude Testament van de Peshitta er al was voordat het Nieuwe Testament er was. Volgens de Peshitta schreef Paulus het boek Hebreeën, en Paulus stierf in 67 n. Chr. Dus waren het Oude Testament en Nieuwe Testament van de Peshitta volgens deze lijn van redenering er al voor 67 n. Chr. Maar wel zou het kunnen dat de Psalmen van de Peshitta al voor 67. n. Chr. geschreven zijn, maar niet vóór de Evangeliën, en ook niet voor het boek Handelingen dat door Lukas geschreven werd.
2. Er zijn recent twee Nederlandstalige Peshitta uitgaven verschenen. Egbert van Nierop publiceerde in 2023 ‘Het Nieuwe Testament volgens de Peshitta’ - Diyathiqi Ḥdato ak Mafaqto d-methqaryo Pshitto, maar het is ons niet bekend of deze uitgave nog in de handel beschikbaar is.
In Vlaanderen onderhoudt Jean-Paul Goethals een Nederlands Peshitta vertaling van het Oude en Nieuwe Testament op zijn site: https://www.khabouris.be/aramaic-peshitta-tanakh/
3. We maken nog attent op de zeer nuttige site: https://dukhrana.com/peshitta/
Op deze site kan men naast de EBV vertaling van het Nieuwe Testament, ook andere bekende Peshitta vertalingen raadplegen, zoals die van Etheridge, Murdoch, Lamsa en Nierop en anderen, maar tevens de ‘Old Syriac Curetonian Gospels’ en de ’Old Syriac Palimpsest’. Verder ook 5 Griekse bronnen van het NT en de Latijnse Vulgata. De site is een rijke bron voor studie.
4. We hebben gezien dat het boek Openbaring in het Aramees pas heel laat werd ontdekt. Ook ten aanzien van de 4 kleine brieven zijn er vragen gebleven. Het Boek Openbaring is altijd ‘omstreden’ geweest, tot nu toe. Wat moeten wij denken van Luthers opvattingen en van de opvattingen van Lutherse theologen die graag onderscheid maken tussen de boeken van het Nieuwe Testament die unaniem als canoniek werden aanvaard in de vroege kerk (‹de zogenaamde Homologoumena of onbetwiste boeken›) en de boeken die door sommigen werden betwist (‹de Antilegomena›). Tot deze categorie van 'betwiste boeken' behoren de brief aan de Hebreeën, Jakob, Judas, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en de Openbaring van Johannes. Deze boeken worden in moderne Lutherse kerken als canoniek beschouwd, met de kanttekening dat ze niet helemaal op hetzelfde niveau staan als de andere boeken als volledige uitdrukkingen van de evangelische waarheid en met de nodige voorzichtigheid gebruikt moeten worden. ook Erasmus had moeite met deze boeken. Zie meer hierover: https://www.bible-researcher.com/antilegomena.html
Maar wij maken erop attent dat het boek Openbaring o.i. het perfecte sluitzegel is van de heel de Schriften en prachtig eindigt met de aankondiging van de speodige komst van onze Here Jezus Christus.
Geraadpleegde bronnen
|
James Murdoch |
Peshitta (vertaling naar het Engels) |
|
Frederic Kenyon:
|
The Text of the Greek Bible (‹Studies in Theology›), 1st edition 1937, revised edition 1950 |
|
F. Crawford-Burkitt |
Early Eastern Christianity, John Murray, London, 1904 |
|
Arthur Vööbis |
Investigations into the Text of the New Testament used by Rabbula of Edessa. (‹1947›) |
|
Robert B. Waltz |
The Encyclopedia of New Testament Textual Criticism, 2013 |
|
John Gwynn, D.D. (‹University Dublin›), Hoy. D.C.L. (‹Oxon.›) |
1. Two memoirs on the Syriac Versions of the New Testament, Dublin 1893 2. Remnants of the later Syriac versions of the Bible in two parts: Part 1. New Testament. - The four minor catholic epistles in the original philoxenian version, of the sixth century, and - The history of the woman taken in adultery (‹John 7:53-8:12›) Part II: Old Testament Extracts (‹hitherto inedited›) from the Syro-Hexaplar version, of the seventh century, after the Greek of the LXX. Genesis, Leviticus, 1 & 2 Chronicles, Nehemiah edited, with introductions, notes, and reconstructed Greek text. |
|
|
|
|
J.P.P. Martin |
The Massora among the Syrians - vertaald door Benjamin B. Warfield |
|
Jonathan Loopstra |
The Patristic 'Masora: A Study of Patristic Collections in Syriac Handbooks from the Near East (Corpus Scriptorum Christianorum Orientalium) - Universiteit Leuven 2020 |
|
R.B. ter Haar Romeny |
The Peshitta and its Rivals - in ‘The Harp’ Vol. XI - XII 1998 - ‘99. |
|
Vineyard Stalin |
Understanding why MarYah is the Aramaic Name for YHWH - 6 Jan, 2012 |
|
O.P. Marmardji |
Diatessaron de Tatien, Katholieke Drukkerij, Beiroet, 1935 (‹de vastgestelde Arabische tekst, vertaald in het Frans, zij aan zij met de Oud-Syrisch versies, gevolgd door een evangelische van de diatessaron, vergezeld van de vier tabellen hors text |
|
G.W. & D.E. Anderson |
A Textual Key to the New Testament - A list of omissions and changes, 1993, 2002 Trinitarian Bible Society |
|
Bewerking |
Redactie EBV-S 20 juli 2026 |

