EVANGELISCHE BIJBELVERTALING (EBV& EBV-S)

TOELICHTING

20 JULI 2026

 

De naam van de Evangelische Bijbelvertaling (EBV) houdt verband met het Goede Nieuws, dat is het Evangelie van Jezus Christus. Dat Goede Nieuws komt ons al vanaf de eerste bladzijde van de Bijbel tegemoet als God op de eerste scheppingsdag zegt: ‘Laat er licht zijn!’, een woord dat ten volle werkelijkheid is geworden in Jezus Christus die zegt: ‘Ik ben het Licht van de wereld’. Dat Licht en Leven zal elk menselijke hart verlichten als het zich heeft laten reinigen door het Bloed van het Lam van God en zijn vertrouwen heeft gesteld op het volbrachte werk van Jezus Christus aan het kruis tot vergeving van zonden en de Heilige Geest ontvangen heeft.

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV) is tot stand gekomen tussen 2010 en 2025 en is sinds 1 januari 2020 beschikbaar op deze website. De vertaling is bedoeld voor alle leeftijden vanaf ongeveer 6 jaar om uit voor te lezen en vanaf ongeveer 10 jaar om zelf te lezen, natuurlijk enigszins naar gelang de leesvaardigheid en naar gelang de beschikbaarheid van iemand aan wie jonge mensen zo nu en dan een vraag kunnen stellen.

 

www.evangelischebijbelvertaling.nl

 

De vertaling is een persoonlijk initiatief dat zich in kleine kring heeft mogen ontwikkelen tot een volledige Bijbelvertaling. De Bijbeltekst is door ongeveer 30  proeflezers, gelovige mannen en vrouwen, elk met de hun gegeven deskundigheid, volledig doorgenomen, ook met het oog op de leesbaarheid zowel in Nederland als in het Nederlandse taalgebied in Vlaanderen.

 

De EBV en de EBV-S kunnen op Windows en op Mac online gelezen worden in de browser of als PWA (Personal Web Application). Vanaf de hoofdpagina kan men op de opties ‘LEZEN’ of ‘PWA’ klikken en wordt u gelijk bediend.

 

Als App kunnen beide edities van de EBV ook op Android smartphones en tabletten gelezen worden. Denk eraan om de App periodiek te vernieuwen. De nieuwe versie wordt gewoonlijk in de 1e week van een nieuw kwartaal ter beschikking gesteld.

 

De Evangelische Bijbelvertaling, de EBV en de EBV-S, worden in 2026 uitgebreid met Inleidingen voor alle Bijbelboeken en voorzien van 12 artikelen met betrekking tot Discipelschap en van 12 artikelen op ‘Onderwerp’. Voor de EBV-S zullen ook diepgaandere ‘Studieonderwerpen’ worden toegevoegd.

Alleen de EBV-S heeft kruisverwijzingen, vertaal- en studienoten en uitgebreide Hebreeuwse woord- en naamverklaringen (‹de zgn. Strongnummers›) en een beperkte lijst van woordverklaringen voor het Aramees. In de loop van 2026-2028 wordt aan al deze zaken verder gewerkt en zullen ook commentaren voor elk Bijbelboek worden toegevoegd aan de EBV-S.

 

Voor al het werk geldt: ‘Zo de HEERE wil en wij (nog op aarde) leven!’

 

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV) is traditioneel als boek ingedeeld in Oud en Nieuw Testament, anders gezegd in de boeken van het Oude Verbond door de hand van Mozes, en de boeken van het Nieuwe Verbond in Jezus Christus. De EBV-tekst heeft als doel om de grondtekst van de Bijbel nauwkeurig en betrouwbaar weer te geven in leesbaar en begrijpelijk Nederlands. Voor de kinderen en jongeren is samenlezen en bespreken natuurlijk een belangrijke steun en hulp. Naast de ouders blijken ook grootouders een heel belangrijke rol te spelen bij het voorlezen en samen lezen van de Bijbel, waardoor kinderen de Bijbelse verhalen en geschiedenissen van jongsaf leren kennen.

 

Onnodige vrijheden bij het vertalen zijn vermeden, maar ook een te strak vasthouden aan een zinsbouw  die wel eigen is aan de grondtaal, maar niet aan het Nederlands. Ook is het gebruik van ongewone woorden zoals ‘tabernakel’, ‘efod’ of ‘ark’ (behalve voor de ark van Noach), Pasen, Pinksteren e.d. vermeden. Een 50-tal illustraties, waaronder diverse landkaarten, zijn toegevoegd aan de digitale versies ter ondersteuning bij het lezen.

 

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV) gebruikt hoofdzakelijk de aanspreekvorm ‘jij’. Dit laatste geldt niet voor de wijze waarop God wordt aangesproken en dus ook niet voor het gebed en voor de woorden die tot Hem zijn gericht. Voor God wordt altijd de hoofdletter ‘U’ gebruikt in de persoonlijke voornaamwoorden (ook al zijn die hoofdletters en ook de ‘u-vorm’ niet te vinden in de Hebreeuwse en Aramese grondtekst), maar de bezittelijke voornaamwoorden worden met een kleine letter geschreven.

 

Ook ten aanzien van koningen en in situaties waarin er een sterke nadruk ligt op eerbied tegenover de aangesproken persoon, hebben wij de u-vorm gebruikt, maar in die gevallen altijd met een kleine letter. Wanneer ‘U’ of ‘u’ of ‘jij’ in een zin in ‘vetdruk’ wordt weergegeven, dan wil dat zeggen dat de jij-vorm (‹ofwel de u-vorm of U-vorm›) van het werkwoord, die in het Hebreeuws al duidelijk tot uitdrukking komt in de vervoeging van het werkwoord, bovendien nog eens afzonderlijk als het persoonlijk voornaamwoord ‘atta’,  אַתָּה, in de Hebreeuwse grondtekst staat om er zo de nadruk op te leggen

.

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV) berust wat betreft het Oude Testament  op de Hebreeuwse en Aramese (Daniël en Ezra) grondtekst zoals die door de eeuwen heen uiterst betrouwbaar is overgeleverd en uiterst nauwkeurig wordt bijgehouden en bewaard. Het Oude Testament vertegenwoordigt met ruim 23.000 verzen ongeveer 75% van heel de Bijbeltekst, terwijl het Nieuwe Testament met bijna 8000 verzen ongeveer 25% ervan  vertegenwoordigt. Het Oude Testament maakt deel uit van de zgn. Peshitta, ‘de eenvoudige’, de naam van de Bijbeleditie van de Arameessprekende christenen.

 

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV) berust wat betreft het Nieuwe Testament op de tekst van het Aramese Nieuwe Testament, dat onderdeel is van de Peshitta, waarvan het oudste manuscript in de 5e of 6e eeuw n. Chr. wordt gedateerd (British Library, Add MS 14470, Syriac). Het is een Aramees manuscript van het Nieuwe Testament, op perkament. Het voornoemde manuscript bevat de 4 Evangeliën in de gebruikelijke volgorde, de 14 brieven van Paulus met inbegrip van de brief aan de Hebreeën, en verder de Handelingen van de apostelen, Jakobus, 1 Petrus en 1 Johannes). Dit zijn de 22 Bijbelboeken die door de eeuwen heen beschouwd werden als het Nieuwe Testament van de Arameessprekende christenen, hoewel soms alleen de voorgangers en sommige geestelijken die taal echt machtig waren of zijn. De tekst van voornoemd manuscript is gebruikt voor de eerste uitgave van de Peshitta met alle Bijbelboeken door de British Foreign Bible Society (BFBS) uit 1905 waarbij de 4 kleine ontbrekende brieven nl. 2 Petrus, 2 Johannes, 3 Johannes en de brief van Juda er door John Gwynn (1827-1917), een grote geleerde in de Aramese taal, aan werden toegevoegd op basis van zijn kennis en onderzoek van de vele Aramese Bijbelmanuscripten. Hij ontdekte ook een oorspronkelijk manuscript van het boek Openbaring dat uit de 9e eeuw bleek te dateren en bekend is geworden als de Crawford Codex. Andere belangrijke personen die bij dit werk betrokken waren, zijn Philip E. Pusey, Gwilliam en Pinkerton. In de voorbereidingen werden meer dan 70 Peshitta manuscripten onderzocht. Daarnaast ook nog andere Aramese manuscripten. Al dit werk leidde tot de eerste volledige Peshitta editie van 1905, waarin, naast het hele OT, alle 27 NT-ische boeken voorkwamen met inbegrip van de passage uit Johannes 8:1-11 (of: Jh. 7:53-8:11) over de overspelige vrouw. De tekst van het Nieuwe Testament van deze editie wordt ook gebruikt in de Aramese Bijbel uitgegeven door de UBS (United Bible Society) in 1979, in het Engels gewoonlijk aangeduid als de  ‘Syriac Bible’.

 

Veel deskundigen menen dat het Nieuwe Testament van de Peshitta een Aramese vertaling is van het Griekse Nieuwe Testament en bijgevolg menen zij dat de Peshitta niet ouder is dan de 4e/5e eeuw v. Chr., maar dat is niet de opvatting van de oosterse christenheid en dat was ook niet de opvatting van veel geleerden uit de tijden van voor de laatste twee of drie eeuwen van onze eeuw. Er zijn dan ook veel deskundigen die de datering beduidend vroeger plaatsen en de Aramese tekst beschouwen als de oorspronkelijke tekst van het Nieuwe Testament. De tekst van het Aramese Nieuwe Testament is vanaf zijn ontstaan ongewijzigd gebleven en kent dus geen kleine en grote varianten zoals die in de bronnen van het Griekse Nieuwe Testament aangetroffen worden.

 

Er zijn goede argumenten voor de gedachte dat de Aramese Peshitta van het Nieuwe Testament de oorspronkelijke tekst zou kunnen zijn. De belangrijkste gedachte is misschien wel deze, dat Jezus Christus zelf met de discipelen en onder het volk in het Aramees sprak, zoals zelfs het Griekse Nieuwe Testament daarvan op verschillende plaatsen getuigt. Het is zeker dat Jezus ook Hebreeuws sprak en in staat was om uit de Wet en de Profeten van de Hebreeuwse Schrift in de synagoge voor te lezen, maar na de voorlezing zal Hij de verklaring hoogstwaarschijnlijk in het Aramees gegeven hebben, want dat was de gewoonte in de synagoge in die dagen en Aramees was in diezelfde dagen ook de voertaal van de Joden in Galilea en andere delen van Israël, dat door de Romeinen werd overheerst.

 

Het is heel belangrijk om te weten dat de Peshitta in de 1e/2e eeuw n. Chr. geschreven werd in Hebreeuwse letters, net als het Hebreeuwse Oude Testament zelf, de Tenach. In de Tenach zijn de latere Aramese gedeelten in Daniël en Ezra uit de tijd na de Babylonische ballingschap, ook in het Hebreeuwse schrift geschreven. Heel het Midden-Oosten gebruikte het Aramees als rijkstaal in dagen van het Assyrische, Babylonische en Perzische rijk en bovendien schreef men het ook met gelijksoortige alfabetten die hun oorsprong hadden in Foenicië en zich later veelal ontwikkelden naar het meer vierkante Hebreeuwse schrift. Als het Nieuwe Testament oorspronkelijk in het Aramees geschreven is, wat wij vermoeden, was dat Nieuwe Testament ook geschreven in Hebreeuwse letters, waardoor zowel Oude als het Nieuwe Testament in het Aramees toegankelijk was voor de Joden, want de Joden spraken en lazen na de ballingschap hoofdzakelijke Aramees, hoewel de leiders en voorgangers in de synagogen natuurlijk het Hebreeuws dienden te kennen omdat de Tenach, het Oude Testament, in het Hebreeuws tot hun gekomen was. Doordat het Hebreeuwse schrift zowel voor het Hebreeuws als voor het Aramees gebruikt werd bleef de eenheid van het Oude en Nieuwe Testament ook in zijn uiterlijke vorm in de eerste twee eeuwen na Christus bewaard, en zou het ons ook niet hoeven te verbazen dat de aanduiding ‘Hebreeuws’ boven het kruis waar Jezus stierf, zowel op het Arramees als op het Hebreeuws betrekking kon hebben. Als het Evangelie van Jezus Christus werkelijk al in de eerste jaren na Jezus’ hemelvaart in het Aramees in Hebreeuws schrift opgeschreven is, dan moet het al heel vroeg op natuurlijke wijze, met de hulp van de Heilige Geest, door heel het Midden-Oosten zijn verspreid, in de voetsporen van de mondelinge prediking vanuit Jeruzalem die gericht was op de aanwezige Joden uit allerlei gebieden en landen (Handelingen 2), waarbij er ook veel Joden uit heel het Midden-Oosten aanwezig geweest moeten zijn, zodat na de uitstorting van de Heilige Geest op de dag van het Vijftigdagen- of Pinksterfeest het Evangelie naar huis meegenomen werd naar de belangrijke joodse gemeenschappen in o.a. Damascus en Babylon, en vandaaruit ook naar alle Arameessprekende inwoners van het Midden-Oosten.

 

Het heeft natuurlijk wel enige tijd genomen voordat alle vier Evangeliën te boek gesteld waren, maar wij vinden het erg onaannemelijk dat het b.v. meer dan tien jaar genomen zou hebben. Alle andere NT-ische geschriften kwamen natuurlijk later, maar deze vier boeken waren noodzakelijk voor een betrouwbare verkondiging en overdracht van het Evangelie van Jezus Christus.

 

Hoewel wij erg onder de indruk zijn van de Aramese tekst van de Peshitta, is de vraag in welke taal dit Evangelie naar de Joden en de volken is gebracht, niet eenvoudig te beantwoorden. De beantwoording van die vraag wordt ook nog eens extra moeilijk gemaakt  door de naschriften bij de 4 Evangeliën in de Peshitta:

 

1. Het einde van het heilige Evangelie, de verkondiging van de apostel Mattai, die hij voltooide, verwoordde en opschreef in het Hebreeuws in Palestina.

2. Het einde van het heilige Evangelie, de verkondiging van Markus, de evangelist, die hij verwoordde, opschreef  en verkondigde in het Romeins in Rome.

3. Het einde van het heilige Evangelie, de verkondiging van Lukas, de evangelist, die hij verwoordde, opschreef en verkondigde in het Grieks in de grote stad Alexandrië.

4. Het einde van het heilige Evangelie, de verkondiging van de apostel Johannes, die hij verkondigde en opschreef in het Grieks in Efeze.

 

Als wij Hebreeuws opvatten als Aramees en Hebreeuws, dan bereikt Mattai heel het Midden-Oosten, en bereikt Markus heel het Romeinse Rijk en vervolgens bereiken Lukas en Johannes heel de Griekssprekende wereld, want sinds Alexander de Grote had hellenisering een grote vlucht genomen, in oostelijke richting, maar ook in zuidelijke richting naar Noord-Afrika, naar grote steden als Alexandrië en Carthago. We moeten Gods wijsheid en verstand niet onderschatten, want uit het zenden van zijn Zoon weten wij dat Hij het Joods volk als eerste lief had, maar ook dat Hij in en door het Joodse volk heel de wereld liefhad en liefheeft. Hoe het mogelijk met de verspreiding van het Evangelie wat betreft de talen is gegaan, zullen wij bespreken in het artikel ‘Aramees of Grieks?’, bij de inleidende artikelen van de EBV en de EBV-S.

 

In de 2e eeuw n. Chr. ontstond er een nieuw schrift voor het Aramees, het zgn. Estrangelo schrift. Dit is weliswaar ook een cursief schrift dat van rechts naar links geschreven werd, maar in de aard van de karakters is het toch zodanig anders, dat er een soort breuk ontstond in de toegankelijkheid van het Nieuwe Testament voor de Joden in hun eigen Hebreeuws-Aramese taal. Pas veel later in de 16e eeuw en daarna, ontstonden er vertalingen vanuit het Griekse Nieuwe Testament naar het Hebreeuws, maar niet vanuit de Aramese Peshitta, maar vanuit het Griekse Nieuwe Testament. Het is daarom een zegen dat het Bijbelgenootschap in Jeruzalem in 2005 een druk verzorgde van het Nieuwe Testament van de Peshitta geschreven in het Aramees in Aramese letters met op de tegenoverliggende pagina de vertaling ervan naar modern Hebreeuws, zodat alle Joden in Israël het Evangelie en heel het Nieuwe Testament in de eigen talen kunnen lezen. Dit Nieuwe Testament werd voorbereid door ‘The Aramaic Scriptures Research Society in Israël’ en is in deze dagen vrij toegankelijk voor alle Joden en te koop in de diverse Bijbelwinkels in het land zoals in Jeruzalem, Haïfa en Nazaret onder de titel: ‘The New Covenant Aramaic Peshitta text with Hebrew translation.’

 

Voor de doorsneelezer van de Bijbel zal het overigens weinig uitmaken of het Grieks of Aramees het uitgangspunt was voor de vertaling van de EBV. Hij zal nauwelijks werkelijk inhoudelijke verschillen bemerken, hoewel die er wel degelijk zijn. Als je van een andere Nederlandse Bijbelvertaling overstapt naar de EBV, is het natuurlijk wel wennen, maar in het algemeen verwachten wij dat die overstap vrij soepel zal verlopen.

 

In de EBV-S worden de verschillen tussen de Griekse en Aramese tekst van het Nieuwe Testament in de noten aangegeven en zo nodig besproken. De EBV en de EBV-S hebben, zoals al gezegd, beide een inleidend artikel over dit onderwerp met de titel: ‘Aramees of Grieks?’ In de EBV-S(tudiebijbel) is dit artikel aanzienlijk uitgebreider.

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV) gebruikt de Naam ‘HEERE’ of ‘de HEERE’, waar in het Hebreeuws van het Oude Testament sprake is van de Hebreeuwse Naam ‘JaHWeH’. De Naam komt ruim 6500 keer in het Oude Testament voor, verdeeld over ruim 5500 verzen. Soms komt ook de korte Naam ‘Jah’ voor, o.a. als onderdeel van de oproep ‘Hallelu-Jah’, ‘Loof-(de)-HEER!’, en vaak in namen van personen. Wanneer de korte Hebreeuwse Naam ‘Jah’ apart in de Bijbeltekst voorkomt, wordt die weergegeven als ‘HEER’, zonder de ‘E’ aan het eind.

 

In 134 verzen waar de naam ‘Heer’ of ‘mijn Heer’ (‹Adonai›) voor GOD wordt gebruikt, hebben wij in de vertaalnoot van de EBV-S aangegeven dat dit oorspronkelijk de Hebreeuwse Naam ‘JaHWeH’ was, die in de EBV wordt weergegeven als ‘de HEERE’. Wij  hebben de naam ‘Adonai’ in deze 134 verzen ook als ‘HEERE’ of ‘de HEERE’ in de tekst weergegeven, met dien verstande dat de laatste letter door ons in een grijstint is gezet, zodat zowel door de vertaalnoot als door de grijstint duidelijk is, dat dit een aanpassing onzerzijds is met als achtergrond dat de Masoreten, de mannen die de boekrollen steeds weer zeer nauwkeurig overschreven, die Naam om onjuiste redenen vervangen zouden hebben door de naam ‘Adonai’ (‹zie Christian Ginsburg: The Massorah, §§ 107-115›).

 

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV) gebruikt in het Nieuwe Testament ook de Naam ‘de HEERE’, omdat deze Naam in het Aramese Nieuwe Testament, anders dan in het Griekse Nieuwe Testament, juist wel voorkomt nl. als ‘Mar-Ja’, een Naam die onderscheiden moet worden van de Aramese aanduiding ‘Maran’, die staat voor ‘onze Heer’, welke laatste naamgeving men ook voor mensen kan gebruiken. In ongeveer 240 verzen in het Nieuwe Testament is de Godsnaam ‘Mar-Ja’ nu herkenbaar, omdat er dan ‘de HEERE’ of ‘HEERE’ staat, waarmee de eenheid van het Oude en Nieuwe Testament nog weer eens op andere manier wordt onderstreept.

 

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV) gebruikt de naam ‘GOD’ met hoofdletters overal waar in het Oude Testament ‘Elohim’ staat als aanduiding voor GOD als de Schepper van hemelen en aarde, de GOD van Abraham, Izak en Jakob. In alle andere gevallen staat er ‘god’ of ‘goden’ met kleine letter, behoudens een enkele uitzondering waar de naam ‘elohim’ een andere betekenis lijkt te hebben.

 

De andere, minder vaak voorkomende aanduidingen voor God als ‘El’, ‘Eloha’, ‘Elah’ of ‘Elaha’ worden zonder onderscheid als ‘God’ geschreven.

 

In het Nieuwe Testament wordt ook de naam ‘GOD’ voor de Aramese naam ‘Aloha’, die wij zien als de Aramese variant van ‘Elohiem’, met hoofdletters geschreven. Deze naam komt ongeveer 1200 keer voor in het Nieuwe Testament van de Aramese Peshitta.

 

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV)  gebruikt in het Nieuwe Testament de namen van personen en plaatsen soms in hun Aramese vorm, zoals in Peshitta-vertalingen gebruikelijk is, en soms in hun Griekse vorm omdat die namen zo vertrouwd zijn, dat wij die voor de herkenbaarheid hebben laten staan. Maar Matteüs is Mattai geworden, Jacobus Jakob en Judas Juda (behalve Judas Iskariot en Judas, de Galileeër in Hd. 5:37), net als in het Oude Testament sprake is van de stam van Juda, want het zijn Joodse namen, en ten slotte hebben wij de apostel Simeon Petrus ‘omgenoemd’ tot Simeon Kefas of kortweg Kefas, overal waar die naam in de Peshitta zo staat. Slechts in 5 verzen in de Peshitta is sprake van de naam ‘Petrus’.  Ook spreken wij niet meer van Apollos, maar van Apollo, en zo zijn er nog enkele aanpassingen.

 

De Naam van Jezus Christus is gehandhaafd, hoewel die in het Aramees luidt: ‘Jasjoea Masjiega’. Wel hebben wij waar de Naam ‘Christus’ zelfstandig voorkomt, deze in de meeste, zo niet alle gevallen vertaald als ‘de Messias’ (nu in 72 verzen in het NT), omdat die Naam in het Nederlandse taalgebied als aanduiding voor ‘de Christus’, dat is ‘de Gezalfde’ bekend is, en bovendien qua klank meer op de Aramese Naam ‘Masjiega’ lijkt. Bovendien wordt die Naam ook gebruikt in de Nederlandse vertalingen van het Nieuwe Testament vanuit het Grieks in Johannes 1:41 en Jh. 4:25, en ook in het OT in Dan. 9:25, 26.

 

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV) vertaalt het Aramese woord ‘hemel’, dat altijd in het enkelvoud staat, vrijwel steeds naar ‘hemelen’ als er in het Griekse Nieuwe Testament een meervoud staat en naar ‘hemel’ als er in het Griekse Nieuwe Testament een enkelvoud staat.

 

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV) gebruikt in haar uitgaven een grijswaarde of cursivering (afhankelijk van de editie) voor woorden die door de vertaler voor de leesbaarheid aan de tekst zijn toegevoegd en die geen onderdeel uitmaken van de brontekst in het Hebreeuws of Aramees, al is dit niet uitputtend gedaan. Voor wie dit gedurende het lezen werkelijk wel voortdurend van belang is, geldt dat men beter deze talen in een zgn. Interlineaire Bijbel ernaast kan lezen of dat men zelf de grondtalen leert, wat wel eens een heel waardevolle investering zou kunnen zijn.

 

Deze werkwijze met cursief of grijswaarde is ook toegepast op de verschillende verbindingswoordjes (‹‘zodat’, ‘opdat’, ‘toen’, ‘daarop’, ‘maar’ en dergelijke›) tussen de zinnen die in alle Bijbelvertalingen ingevoegd worden, terwijl de lezing in het Hebreeuws steeds luidt: ‘en’, een voegwoordje dat wordt vertegenwoordigd door de Hebreeuwse letter ‘vav’ ( ו ). In het Nederlands is een dergelijke eenvoudige verbinding van zinnen niet gewoon en roept vragen op. Daarom wordt gebruik gemaakt van verschillende verbindingswoordjes zoals: ‘zodat’, ‘opdat’, ‘maar’, ‘toen’ e.a., verbindingswoordjes die zich als het ware vanzelf aanbieden bij het lezen, maar wel van een grijswaarde of cursivering zijn voorzien, omdat in een enkel geval er twijfel zou kunnen zijn of de keuze van het verbindingswoordje door de vertaler de juiste is. De lezer kan dan zelf oordelen.

 

Als echter een meervoudig Hebreeuws zelfstandig naamwoord in de Nederlandse tekst veranderd wordt in een enkelvoudig zelfstandig naamwoord (dit wordt aangegeven met een cursivering of een noot), dan wordt de dienovereenkomstige aanpassing in het werkwoord niet gecursiveerd en ook niet in de noot belicht. De lezer kan dit zelf begrijpen uit de aanpassing van het zelfstandig naamwoord.

 

Als het bepaalde lidwoord ‘de’ in het Hebreeuws van het OT niet voorkomt, maar door ons is toegevoegd, dan wordt dat lidwoord in de App en op de website weergegeven met een grijstint of grijswaarde of cursivering behalve in geval van:

a. het lidwoord in de Naam ‘de HEERE’

b. bezits- of genitiefconstructies  zoals ‘de ingang van de stad’ (Ri. 1:24) en ‘het scherp van het zwaard’ (Ri. 1:25),  ‘de dood van Jozua’ en ‘de inwoners van Debir’ (Ri. 1:11). Het lidwoord van het eerste deel van de constructie ontbreekt in het Hebreeuws, want het eerste woord wordt bepaald door het 2e deel van de constructie. In het Nederlands vereisen de grammaticale regels dat desondanks toch het bepaald lidwoord wordt toegevoegd, dus: ‘de ingang van de stad’ en niet: ‘ingang van de stad’. Dat geldt ook voor een soortgelijke constructie waarbij het tweede deel ervan niet een zelfstandig naamwoord is, maar een zinnetje, bij voorbeeld: ‘de mannen die bij David waren’. We beschouwen ‘de’ in dit geval niet als een toevoeging en wij passen dan ook geen cursivering of grijswaarde toe.

c. de uitdrukkingen ‘de HEERE van de legermachten’ (in 238 verzen van het OT) en ‘de GOD van Israël’ (in 184 verzen van het OT). In het Hebreeuws hebben deze uitdrukkingen gewoonlijk geen bepaald lidwoord, niet in het eerste en niet in het tweede deel van de genitiefconstructie. Alleen als de uitdrukking een aanroep wordt: ‘O, HEERE van de legermachten’, of: ‘O, GOD van Israël’ vervalt in de vertaling het lidwoord in het eerste deel van de genitiefconstructie. Overigens geldt ook hier dat wie bij het lezen van de tekst al deze grammaticale details nauwkeurig in het oog wil houden, hij/zij beter gebruik kan maken van een interlineairegrondtekst of anders van de grondtekst zelf.

 

Het werkwoord ‘zijn’, met de verbuigingen ervan, dat in het Hebreeuws en Aramees ontbreekt als het gaat om zinnen zoals deze: ‘Dit zijn de zonen van Cham’ (Gen. 10:20), of: ‘Deze nu is been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees’ (Gen. 2:23), of: ‘GOD zag dat het licht goed was’ (Gen. 1:4), wordt in de EBV gewoon weergeven als was het onderdeel van de Hebreeuwse tekst en niet als een toevoeging. Wij kunnen die zinnen zonder het werkwoord ‘zijn’ vaak wel begrijpen, maar wij beschouwen het niet als goed Nederlands. Ook in een zinnetje als: ‘die bij hem waren’, staat in de EBV de werkwoordsvorm ‘waren’ normaal geschreven, zonder cursivering of grijswaarde, ook al staat er in het Hebreeuws geen werkwoord. En zo zijn er nog wel meer gevallen waarbij in het Hebreeuws geen werkwoord ‘zijn’ (of een vervoeging of afgeleide vorm ervan) voorkomt, terwijl de EBV tekst dat werkwoord zonder cursivering of grijstint weergeeft en het dus niet als een toevoeging beschouwd.

 

De vaak voorkomende Hebreeuwse uitdrukking die in het Nederlands gewoonlijk vertaald wordt als ‘En het gebeurde toen ....’, wordt in de EBV gewoonlijk verkort tot: ‘Toen ...’  zonder dat dit vermeld wordt. Voor de jongere generatie is zo’n omstandige manier van spreken ongewoon.

 

De Evangelische Bijbelvertaling kent een studieversie: de EBV-S(tudieversie). Deze is bedoeld voor hen die de tekst van de Bijbel diepgaand willen onderzoeken en gewend zijn om uit boeken te leren en te studeren, maar er is ook veel in te vinden dat voor ‘gewone’ lezers van belang is of kan zijn. Deze Studieversie is beschikbaar als App en ‘online’ op de site. De blokjes aan het eind van een vers geven aan dat er noten beschikbaar zijn. Als men daar geen gebruik van wil maken, dan laat men het blokje voor wat het is, en klikt men er niet op.  Zo kan de EBV-S, net als de EBV gebruikt worden om te lezen. Maar als je wilt kun toch de noot openen.

 

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV) heeft in de EBV-S(tudieversie) al heel veel notenmateriaal beschikbaar. In de loop van 2026 en 2027 wordt dat notenmateriaal, de Bijbelboekcommentaren en het aantal Onderwerpen (‹in artikelvorm›), zo de HEERE wil, uitgebreid tot een meer evenwichtig en volledig studiepakket.  Voor de gebruikers van de EBV-S zijn er twee soorten noten:

 

(a) noten die betrekking hebben op vertaalkwesties van de grondtekst.

M.n. in de vertaalnoten bij het Nieuwe Testament zal de lezer herhaaldelijk de volgende afkortingen tegenkomen: NA28, MHT en TR, die resp. staan voor drie Griekse uitgaven van het Nieuwe Testament nl. de Nestle-Aland (‹28e editie›), de MeerderHeidsTekst (‹Majority Text›) en de Textus Receptus. We spreken meestal van de lezing van de NA28, MHT en TR, ook al betreft het strikt genomen de Nederlandse vertalingen van de tekst van de aangeduide Griekse bronnen. Als uit een dergelijke verwoording een misverstand zou kunnen ontstaan, zullen wij spreken van de vertaling van de lezing van de NA28, MHT en TR, maar anders gaan wij er vanuit dat de gebruiker van de EBV-S bekend is met de Griekstaligheid van deze tekstbronnen.

(b) noten die sterk inhoudelijk en verklarend van karakter zijn of informatief ten aanzien van b.v. historische, sociale, culturele of godsdienstige achtergronden.

Deze noten kunnen eenvoudig zijn, maar ook zeer ingewikkeld. De noten zijn een vrucht van de begeleidende studie bij het vertaalwerk.

 

Het onderscheid tussen vertaalnoten en inhoudelijke noten is niet altijd goed te trekken. Soms komen elementen van het ene type noot ook in het andere type noot voor, maar in hoofdzaak hebben beide typen noten hun eigen inhoudelijke karakter.

 

In de noten wordt geregeld gebruik gemaakt van de Strongnummers voor het Hebreeuws van het Oude Testament en een enkele keer van de Strongnummers voor het Grieks van het Nieuwe Testament. Deze nummers zijn afkomstig van James Strong (14 aug. 1822 - 7 aug. 1894 New York). Hij gaf elk afzonderlijk Hebreeuws en Grieks (stam)woord, waarop elk Engels woord in de King James Version van de Bijbel teruggeleid kon worden, een uniek nummer. De nummers voor het Hebreeuws begonnen met de letter H en de nummers voor het Grieks begonnen met de letter G. Bij elk nummer deed hij een compacte taalkundige uitleg. Dit geheel werd gepubliceerd in de zgn. ‘Exhaustive Strong’s Concordance of the Bible’ die voor het eerst in 1890 werd gepubliceerd met 8674 Hebreeuwse en 5523 Griekse stamwoorden. Omdat in de reeks van Griekse stamwoorden 101 ‘entries’ niet ingevuld werden, maar wel genummerd, zien we de Griekse Strongnummers dus oplopen tot G5624. Nu veel Engelse Bijbels gedigitaliseerd zijn, werkt het nog veel makkelijker en worden de Strongnummers en hun verklaringen vaak in een zgn. ‘pop-up’ venster direct zichtbaar bij elk Engels woord. Dit systeem is gekoppeld aan de Engelstalige Bijbel. Wij maken er in de voetnoten geregeld gebruik van. Overigens maken wij bij het opstellen  van deze woordverklaringen veel gebruik van het 'Hebrew and English Lexicon' van W. Gesenius (‹WM. B. Eerdmans, 1949›) en ook van de ons ter beschikking staande kennis en inzichten ontleend aan allerlei vormen van taalstudie en tektsinhoudelijke studie. In de vertaalnoten wordt vaak ook heel veel informatie gegeven over de Strongnummers. In de Toelichtingen bij de EBV-S zijn een Hebreeuwse Woordenlijst en een Hebreeuws Namenlijst met Strongnummers te vinden. Ook is er een beperktere lijst met verklaringen van Aramese woorden.

 

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV)  vertaalt b.v. het Hebreeuwse woord עֶבֶד (Strongnummer H5650) dat in 714 verzen in het Oude Testament voorkomt op verschillende manieren naar gelang de tekstsamenhang: (a) ‘slaaf’ of ‘slavin’ waar de tekstsamenhang aangeeft of sterk doet vermoeden dat sprake is van slavernij of van een meester-slaaf verhouding; (b) ‘knecht’ of ‘dienstknecht’; (c) ‘dienaar’ of ‘dienares’, vaak waar de tekstsamenhang aangeeft dat de persoon een voorname taak heeft, b.v. aan het hof van de koning. Hoewel wij ernaar hebben gestreefd om woorden die onder één Hebreeuws Strongnummer vallen, consistent te vertalen, blijkt uit dit voorbeeld dat wij dat niet ‘mechanisch’ hebben gedaan, maar rekening hebben proberen te houden met de tekstsamenhang en met het eigentijds gebruik van de Nederlandse taal.

 

Dat wij soms ook de Griekse Strongnummers in de voetnoten gebruiken, is niet omdat wij de Griekse tekst als bron voor het Nieuwe Testament zouden hebben genomen, want de tekst van het Nieuwe Testament van de EBV is gebaseerd op het Aramees van het NT van de Peshitta, maar omdat wij lezers, die met de Griekse Strongnummers vertrouwd zijn, ook enigszins van dienst willen zijn.

 

Voor de noten, de artikelen en voor tal van vertaalkeuzes in het Oude Testament hebben wij intensief gebruikgemaakt van het Bijbelcommentaar van Keil & Delitzsch (‹K&D - de standaardafkorting die wij voor hun werk gebruiken›) zoals dat ons ter beschikking staat in de Engelse vertaling onder de titel: Biblical Commentary on the Old Testament by Carl Friedrich Keil & Frank Delitzsch (‹Eerdmans Michigan 1950, ’51›). De oorspronkelijke Duitse uitgave is gedateerd tussen 1870 en 1890 en is door ons geraadpleegd als het Engels aan duidelijkheid te wensen overliet, wat overigens maar een enkele keer het geval was. Sommige noten zijn niet anders dan een vertaling van teksten uit dit Bijbelcommentaar, ofwel een bewerking daarvan met aanvullingen uit andere bronnen. De kennis van beide geleerden van het Bijbels Hebreeuws is buitengewoon (‹Franz Delitzsch heeft ook zorg gedragen voor één van de eerste vertalingen van het Nieuwe Testament in het Hebreeuws eind 19e eeuw›), de gedetailleerde uitleg van de taalkundige overwegingen bij de vertaalkeuzes is zeer uitgebreid en diepgaand, en de geschiedkundige en geografische informatie aangaande het Midden-Oosten bijzonder verrijkend. Ook andere Bijbelcommentaren werden geraadpleegd bij de vertaling en bij het samenstellen van de Inleidingen, Commentaren en de vertaal- en voetnoten, zoals John Gill's Exposition of the Bible, Adam Clarke, Albert Barnes' Notes on the Whole Bible, Lange's Commentary on the Holy Scriptures, The Pulpit Commentaries (editor Joseph Exell), Cambridge Bible for Schools and Colleges, Ellicott's Commentary for English Readers (Charles John Ellicott) en andere waardevolle naslagwerken.

 

De EBV-S onderscheidt zich ook van de EBV in de bijlagen die gevormd worden door artikelen waarin bepaalde onderwerpen uit Gods Woord of ten aanzien van het christelijk leven worden uitgediept. In de EBV zullen er 12 basisartikelen komen en 12 onderwerpen. In de EBV-S wordt het aantal onderwerpen uitgebreider.

 

De EBV en de EBV-S zijn in de digitale versies (App, PWA, HTML) voorzien van dit Voorwoord en van de volgende toelichtingen: (1) Introductie - inleiding op de bijbel, (2) Aramees of Grieks?, (3) de Bijbelboeken, een overzicht, (4) de Koningen van Israël en Juda, (5) Gewichten, Lengtematen, geld, droge en natte maten, tijden en feesttijden, (6) Afkortingen, (7) Hebreeuwse Woordenlijst, (8) Hebreeuwse Namenlijst, (9) Aramese woordenlijst, (10) Transliteratiemethode.

 

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV) gebruikt in het notenapparaat van de EBV-S de zgn. pluralis majestatis ‘wij’, en in verband daarmee ‘onze’ als het gaat om de redacteur.

 

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV)  is tot stand gekomen in het besef dat wij veel te danken hebben aan het werk dat door anderen vóór ons is verricht. De eerste complete Nederlandse Bijbel was de Van Liesvelt Bijbel, vervaardigd en gedrukt door de Antwerpse drukker Jakob van Liesvelt in het jaar 1526. Later werd Jakob van Liesvelt door de plaatselijke en kerkelijke overheden van die tijd om het leven gebracht vanwege zijn werk. Een gebeurtenis die aangeeft, hoe veel weerstand men kan tegenkomen bij het bekendmaken, doorgeven en vertalen van Gods Woord. Het geeft ook aan dat er een hoge prijs is betaald voor de beschikbaarheid van de Bijbel in onze Nederlandse taal. Ook vele anderen hebben zich trouw ingezet om de tekst van de Bijbel alle eeuwen door in het Nederlands te laten doorklinken. Die eerste vertaling, nu in 2026 precies 500 jaar geleden, was natuurlijk erg belangrijk. Sindsdien hebben de Statenvertaling en wijdverbreid Bijbels onderwijs een belangrijke rol gespeeld zodat de Bijbeltekst in alle delen van de bevolking bekend werd. In de laatste zestig tot vijftig jaar is echter het gebruik van de Bijbel en het Bijbels onderwijs in groot verval geraakt.

 

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV) is tot stand gekomen in een tijd waarin ongekend veel informatie in een oogwenk via het internet kan worden verkregen, wat een enorme ondersteuning was voor het werk door vele, ons onbekende mensen!

 

De Evangelische Bijbelvertaling (EBV en EBV-S) kan on-line gelezen worden op deze site:

 

www.evangelischebijbelvertaling.nl

 

 

 

Redactie & vertaling

 

Joop Ossewaarde

 

 

Geraadpleegde Bronnen

 

Boeken & Publicaties

 

C.F. Keil & F. Delitzsch:

Biblical Commentary on the Old Testament

 (‹Eerdmans Michigan 1950, ’51›)

 

W. Gesenius Hebrew and English Lexicon

(‹WM. B. Eerdmans, 1949›)

 

Henry H. Halley:  Bible Handbook

(‹24e editie, 16e druk 1974›)

 

J. Vredenburg:  De Pentateuch en de vijf rollen

(‹1899 - herdruk 1991›)

 

G. CH. Aalders, C. van Gelderen, e.a.:  Korte Verklaring van de Heilige Schrift

(Kok, Kampen 1953)

 

D. Guthrie & J.A. Motyer

New Bible Commentary (3rd Edition, IVP,  19070)

 

C.H. Mackintosh:

Aantekeningen op Genesis - Deuteronomium

 

De overige bronnen waarvan gebruikt is gemaakt,

worden vermeld bij de Inleidingen op de  Bijbelboeken

en in de artikelen die deel uitmaken van de onderwerpen.

 

 

Websites

 

Bible Hub

Bible Commentaries On-line  & Interlinear Hebrew and Greek

https://biblehub.com/commentaries

biblehub.com/interlinear

 

StudyLight

Bible Commentaries On-line

www.studylight.org/commentaries/eng.html

 

BlueLetterBible

Bible Commentaries On-line

www.blueletterbible.org/commentaries/index.cfm

 

Dodezeerollen van Qumran

vertaling Jesajarol

www.ao.net/~fmoeller/qa-tran.htm

dss.collections.imj.org.il/isaiah

 

Aramese Peshitta NT

onderzoek de Aramese en Griekse tekst van het Nieuwe Testament

dukhrana.com/peshitta

 

Interlineaire Aramese Peshitta NT

zeer nuttige interlineaire Engelse vertaling

door Dave Bauscher

aramaicnt.net

 

Interlinear Greek and Hebrew

www.scripture4all.org

 

Christipedia

bijbelgetrouwe internet-encyclopedie

www.christipedia.nl

 

Wikipedia

www.wikipedia.nl